U bent hier

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Minister, ondertussen weten we al bijna twee jaar, sinds het regeerakkoord, dat de provincies in de toekomst niet langer persoonsgebonden bevoegdheden zullen mogen uitoefenen. In uw beleidsnota hebt u destijds de timing en de aanpak gespecifieerd. U zei dat de persoonsgebonden bevoegdheden overgeheveld zullen worden, ofwel naar het Vlaamse niveau, ofwel naar de steden en gemeenten. U zou als bevoegd minister de coördinatie van die oefening op zich nemen en de coherentie van het geheel bewaken. De effectieve overdracht zou geleidelijk worden doorgevoerd, maar binnen een afgesproken planning, zodat de effectieve overdracht in elk geval op 1 januari 2017 afgerond zou zijn. Die timing hebt u in uw laatste beleidsbrief nog eens bevestigd. U hebt ook nog vermeld dat de wijzigingen op het vlak van de bevoegdheden samenlopen met de aanpassing op het vlak van de financiering van de provincies, waarover collega De Loor het verder zal hebben.

Ondertussen zijn we bijna twee jaar verder en minder dan acht maanden scheiden ons nog van die streefdatum. Er zijn al bijna twee jaar lang gesprekken bezig over de praktische gang van zaken tussen de provincies, uzelf en de betrokken administraties, maar tot op vandaag blijven de provinciebesturen en hun medewerkers in het ongewisse. Meer nog, de onzekerheid en onduidelijkheid nemen met de dag toe. Telkens wordt de datum waarop de Vlaamse Regering de nodige concrete beslissingen zou nemen en de provincies eindelijk zouden weten waar ze aan toe zijn, naar achteren geschoven. Eerst was het Pasen vorig jaar, dan de begrotingsopmaak vorig jaar en dan Pasen dit jaar. Zo schuiven we alsmaar op.

Normaal zou alles ingaan op 1 januari 2017 maar nu horen we uit goede bron dat alles zou worden verplaatst naar 1 januari 2018 of misschien zelfs nog later. Er is zelfs sprake van om alles over de volgende verkiezingen te tillen omdat het een dergelijke complexe materie is. Die geruchten maken de onzekerheid nog zwaarder voor het provinciebestuur en de medewerkers. De provincies hebben ondertussen al heel wat inspanningen gedaan met die datum van 1 januari 2017 in het vooruitzicht. Ze hebben hun financiële planning en werking daarop afgestemd en hebben hun functies en diensten ook al afgebouwd.

Minister, gezien die geruchten lijkt het mij dat duidelijkheid op zijn plaats is. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de overdracht van de persoonsgebonden bevoegdheden? Wordt de streefdatum van 1 januari 2017 nog steeds vooropgesteld? Ik ga ervan uit van wel, maar indien dit niet het geval is, wat zijn dan de motieven om die te verschuiven? Wanneer denkt u een ontwerp van decreet dienaangaande in te dienen? Mijn laatste vraag is hypothetisch en hangt af van uw antwoord. Indien er een latere ingangsdatum dan 1 januari 2017 komt, hoe zal de werking van de provincies met betrekking tot die persoonsgebonden aangelegenheden dan gefinancierd worden tijdens de overbruggingsperiode en hoe zal de omkadering dan worden georganiseerd?

De heer De Loor heeft het woord.

Aansluitend op de vraag van collega Robeyns heb ik ook een vraag over de vernieuwde taakstelling van de provincies en de gewijzigde financiering. We hebben dat hier al een paar keer besproken. Eerst zouden we een kerstkindje verwachten. Dan was het een Valentijnsgeschenk. Dan verwachtten we cadeaus van de paasklokken. Ondertussen is Moederdag achter de rug. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Ja, in Antwerpen nog niet, daar is het Moederdag op 15 augustus. We hebben nog altijd Vaderdag in het vooruitzicht. Voor een aantal dossiers zijn die data al gepasseerd natuurlijk.

Minister, u wilt de provincies hun fiscale autonomie inzake het heffen van opcentiemen op de onroerende voorheffing ontnemen. De provincies zouden het vanaf dan met een Vlaamse dotatie moet stellen. Dit werd in een voorontwerp van decreet gegoten. Over dit voorontwerp bracht de Raad van State een advies uit. Over dit advies hadden we het in deze commissie reeds in januari.

Er resten nog een aantal belangrijke knelpunten, onder meer met betrekking tot de hoogte van de nieuwe Vlaamse basisheffing en de verdeelsleutel om de provinciale dotaties vast te leggen.

Minister, zoals we bij de vorige vraag om uitleg van de heer Doomst al hoorden, begint de tijd te dringen. We geraken in de blessuretijd, toch als u nog altijd denkt dat deze hervormingen kunnen starten vanaf 1 januari 2017. Collega Robeyns heeft het er daarnet al uitgebreid over gehad. De budgetopmaak bij de provinciebesturen start traditioneel voor de zomer. Het is zelfs zo dat het traditionele conclaaf waarin de deputaties de lijnen uitzetten met het oog op een eventuele bijsturing van het meerjarenplan, in alle provincies plaatsvindt rond de paasvakantie. Blijkbaar hebben de provincies, met uitzondering van de provincie West-Vlaanderen, dat conclaaf uitgesteld in afwachting van meer nieuws van uw kant. Maar dat nieuws laat op zich wachten, waardoor de provinciebesturen in totale onwetendheid zijn over het budgettaire kader waarin ze zullen terechtkomen. Ik vind dat onverantwoord.

Minister, wanneer denkt u een aangepast ontwerp, rekening houdende met het advies van de Raad van State, voor te kunnen leggen aan de Vlaamse Regering? Wanneer zullen de tarieven bedoeld in de artikelen 34 en 36 daadwerkelijk worden vastgelegd? Zal de Vlaamse Regering hierover effectief een nieuw advies aan de Raad van State vragen? Bent u van plan om criteria tot bepaling van de provinciale dotaties op te nemen in het decreet? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet? Hebt u al een zicht op de omvang van de besparing die u wenst te realiseren op de dotatie aan de provincies? Wanneer denkt u de provincies, die traditioneel redelijk vroeg starten met de opmaak van hun budget, te kunnen informeren over de dotaties die ze mogen verwachten?

Minister Homans heeft het woord.

De collega’s hebben de voorgeschiedenis redelijk goed geschetst. Een aantal nuances zou ik anders hebben gebracht, maar ik ga niet heel de voorgeschiedenis opnieuw uit de doeken doen.

U weet dat er al twee keer een voorontwerp van decreet principieel door de Vlaamse Regering is goedgekeurd. Mevrouw Robeyns, u hoort geruchten dat men wat achterstand gaat oplopen vanwege de complexiteit van de materie, maar zo complex is dat eigenlijk niet. Het enige complexe dat er was, was de vraag aan de Raad van State, die ook bij de tweede principiële goedkeuring is voorgelegd, namelijk of Vlaanderen bevoegd is wat betreft de inperking van de fiscaliteit van de provincies. De Raad van State is daar heel duidelijk over geweest en heeft gezegd dat Vlaanderen die bevoegdheid wel degelijk kan overnemen.

De heer De Loor heeft geschetst dat een voorontwerp van decreet dat principieel was goedgekeurd door de Vlaamse Regering, voor advies naar de Raad van State is gegaan. Er waren twee artikelen opengelaten, zijnde de hoogte van de Vlaamse basisheffing en de wijze waarop de provinciale dotatie aan de verschillende provincies zal worden verdeeld.

Is dat complex? Neen, zo complex is dat niet. Het komt erop aan om wat goede wil te tonen en met veel partijen overeen te komen, en dan lukt dat wel. Ik denk dat het meest complexe vraagstuk is opgelost door het advies van de Raad van State.

Ik kan u nog meegeven dat mijn collega’s die functioneel bevoegd zijn voor bijvoorbeeld de sport, het welzijn of de cultuur, samen met de provinciebesturen heel veel bilaterale overlegmomenten hebben gehad en dat er inventarissen zijn opgemaakt. Ik heb al uitgelegd hoe dat in zijn werk is gegaan. Er zouden ook financiële middelen aan die inventarissen zijn gekoppeld, namelijk hoeveel er nodig is om die bevoegdheden uit te oefenen en dergelijke meer. Ik moet wel toegeven dat het opstellen van die inventarissen niet altijd van een leien dakje is gegaan. Op momenten wanneer er vragen waren over de juistheid van de inventaris en de middelen die eraan gelinkt waren, is er bijvoorbeeld door de administratie beslist om de jaarrekening of dergelijke meer te gaan controleren om te kijken hoe het eigenlijk zat want men had enerzijds de inventarissen die door de provincies waren opgesteld en anderzijds de inventarissen die door de functioneel bevoegde ministers waren opgesteld in samenwerking met hun administratie. Wat dat betreft, zijn alle werkzaamheden goed gevorderd.

Collega’s, ik wil u nog meegeven dat ik de bezorgdheid van de twee vraagstellers wel deel, en niet het minst ten aanzien van het personeel. We hebben net een heel debat gehad over personeelsleden van de lokale besturen, maar eigenlijk was dat decreet ook van toepassing op provinciepersoneel. We moeten hun echt duidelijkheid geven en vooral geruststellen. We moeten niet telkens gaan doen of die mensen op straat komen te staan. Dat is nooit de bedoeling geweest van dit decreet en het zal ook nooit de bedoeling zijn.

Collega’s, ik wil dit dossier ten laatste deze maand een derde keer principieel laten goedkeuren door de Vlaamse Regering. Het is absoluut geen excuus, maar we hebben jammer genoeg te maken gehad met een wissel in de Vlaamse Regering. U weet of u weet het niet, maar dit is een co-agendering met de minister van Financiën en Begroting omdat het te maken heeft met de opcentiemen. Dat is de vorige twee keer ook zo gebeurd. U kunt van mij moeilijk verwachten dat ik afscheid moet nemen van de ene collega en de andere nog niet heb gezien, en die dan bij zijn nekvel pak en hem zeg om dat onmiddellijk mee te agenderen. Ik zal niet aarzelen om samen met mijn collega minister Tommelein dit dossier ten laatste deze maand voor de derde keer principieel te laten goedkeuren door de Vlaamse Regering.

Collega Robeyns en collega De Loor, ik kan moeilijk vooruitlopen op beslissingen. Ik ga ook niet vooruitlopen op allerlei scenario’s die afwijken van de beslissing of die ervan uitgaan dat de beslissing niet zal worden genomen conform het regeerakkoord. Voor mij is het regeerakkoord heel duidelijk. Ik heb me er ook altijd heel loyaal aan gehouden, wat volgens mij ook geldt voor de andere coalitiepartners.

Dit is conform het regeerakkoord. Ik kan en wil niet vooruitlopen op hypothetische vragen en pisten die zich in mijn ogen niet mogen voordoen bij een meerderheid die dat regeerakkoord niet als een vodje papier beschouwt. Ik ga er ook niet van uit dat dit gebeurt.

Gisteren heb ik opnieuw een overleg gehad met het bureau van de VVP. Het was een constructief overleg. Ik heb verklaard het dossier te willen voorleggen aan de regering en dat mijn kabinet al voorbereidende gesprekken heeft gevoerd. We zullen het zo snel mogelijk kunnen agenderen. Ik heb eraan toegevoegd dat we elkaar deze maand opnieuw ontmoeten, want het is veel beter de VVP uit eerste hand informatie te geven dan dat ze allerlei verhalen, al dan niet indianen- of cowboyverhalen, moeten lezen in de media of krijgen uit tweede of derde hand. Het is ook niet goed onduidelijkheid te scheppen bij de personeelsleden van de provincie.

Het dossier is voor de tweede keer principieel goedgekeurd. Als we het nu voor een derde keer principieel goedkeuren en twee belangrijke vraagstukken openlaten, dus de dotatie en het bedrag van de basisheffing, moeten we opnieuw naar de Raad van State voor advies. Dan volgt de definitieve goedkeuring. Dat is altijd de gevolgde procedure geweest.

Ik ga er dan ook van uit dat we 1 januari 2017 zullen halen, net als ik ervan uitga dat het regeerakkoord in dezen wordt nageleefd.

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Minister, als ik u goed heb begrepen, wordt de timing aangehouden. Of de materie complex is of niet, vormt niet het onderwerp van de vraag. Dat is de grote ongerustheid bij het personeel van de provincie. Die bestaat al sinds de opname hiervan in het regeerakkoord, inmiddels al bijna twee jaar geleden. Het wordt dan ook tijd dat duidelijkheid wordt verschaft.

Vorige week nog werd een verzoekschrift van de welzijnswerkers van West-Vlaanderen behandeld in de commissie Welzijn. Ook daarin is letterlijk opgenomen dat ze het feit hekelen dat ze acht of negen maanden voor de vooropgestelde datum nog steeds niet weten waar ze aan toe zijn. Dat leeft werkelijk bij heel veel personeelsleden en dat vormt de belangrijkste reden voor mijn vraag. Als de timing opschuift, wordt het immers nog veel erger.

U haalt de wissel in de regering aan. Ik hoop dat dit niet bedoeld is als excuus indien de timing niet zou worden gehaald.

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, ik wens mijn vragen te herhalen waarop ik geen antwoord heb gekregen.

Wanneer zullen de tarieven bedoeld in de artikelen 34 en 36 daadwerkelijk worden vastgelegd? Zal de Vlaamse Regering hierover effectief een nieuw advies aan de Raad van State vragen?

Bent u van plan om criteria tot bepaling van de provinciale dotaties op te nemen in het decreet? Zo ja, welke? Zo niet, waarom?

Hebt u al een zicht op de omvang van de besparing die u wenst te realiseren op de dotatie aan de provincies? Wanneer denkt u de provincies te kunnen informeren over de dotaties die ze mogen verwachten?

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester (Open Vld)

We hebben het al vaak gehad over de gewijzigde taakstelling en financiering van de provincies, met hieraan gekoppeld de dotaties. We zijn nog niet helemaal in blessuretijd, maar de tijd begint wel te dringen. We weten ook dat het personeel ongerust is en dat ze vrij vlug duidelijkheid wensen. Bestuurlijk is het ook belangrijk voor de werking van de provincies.

Zeker als we de datum van 1 januari 2017 willen halen, moet er voor de vakantieperiode, liefst in mei of begin juni, uitsluitsel zijn.

U vermeldt dat het dossier niet zo complex is en verklaart te weten waar u naartoe wilt. Het is voorgelegd aan de Raad van State die enkele opmerkingen in dat verband heeft geformuleerd, maar het dossier is eigenlijk klaar om een nieuw voorontwerp van decreet voor te leggen aan de Vlaamse Regering. Dit gebeurt dan voor de derde maal, in de hoop dat het ditmaal de definitieve versie is.

Minister, het verwondert me enigszins dat u verklaart dat door de ministerwissel enige vertraging is opgetreden. Ik kan me moeilijk voorstellen dat uw ambtenaren niet aan het dossier zouden hebben voortgewerkt. Uiteraard moet er overleg zijn met uw nieuwe collega. Daar heb ik alle begrip voor, maar dat heeft ten hoogste een week geduurd. Ik kan me dan ook niet indenken dat dit de reden van de vertraging van dit dossier zou zijn.

We wachten er al een tijdje op en hopen dat het heel binnenkort aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd en ter bespreking in commissie wordt gebracht. We hopen dat dit dossier dringend vooruitgaat en dat de Vlaamse Regering snel een beslissing neemt, zodat wij ons erover kunnen beraden en het Vlaams Parlement een definitieve beslissing kan nemen en de regeling vanaf 1 januari 2017 in werking kan treden. Die datum werd trouwens altijd vooropgesteld.

Er is dus nog tijd, maar niet zo veel meer. Daarom moet nog deze maand of ten laatste begin juni uitsluitsel worden gegeven.

De heer Dochy heeft het woord.

Ik ben blij met de vragen om uitleg van onze collega’s. Zelf heb ik vorige maand geprobeerd ter zake een vraag in te dienen, maar ze was op dat ogenblik niet ontvankelijk, omdat ze toen te recent in commissie was behandeld.

Los daarvan vind ik het heel belangrijk dat de Vlaamse overheid het voorbeeld geeft op het vlak van behoorlijk bestuur en op het vlak van betrouwbaarheid. Het moet mij uiteindelijk ook van het hart dat het niet zo evident is om in een situatie te zitten waarin mensen dagelijks werken en niet weten wat na 1 januari 2017 hun persoonlijke positie zal zijn.

Minister, ik weet dat u hard werkt aan dat dossier en dat u absoluut de bedoeling hebt om het regeerakkoord uit te voeren. Wij staan er ook volledig achter. Maar ik vind dat het belangrijk is om een signaal te sturen naar die mensen om hun met betrekking tot hun persoonlijke positie enige zekerheid te bieden. En ik zeg dit niet alleen omwille van die mensen zelf, maar ook omwille van de dienstverlening naar de burgers.

U zegt dat het dossier niet zo complex is. Er is misschien een complex kantje aan door de verscheidenheid van dienstverlening die in die persoonsgebonden materies verschilt van provincie tot provincie. Zo is in West-Vlaanderen de welzijnsdienst heel sterk uitgebouwd. Er zitten instellingen bij die een directe dienstverlening voor mensen, klanten, burgers verzekeren. Ook daar is het belangrijk om een signaal te geven. Minister, ik pleit ervoor om een heel duidelijk signaal te sturen naar die mensen, om te zeggen waar ze staan. Het is acht maanden voor 1 januari 2017 niet overdreven om dit te vragen.

De heer Meremans heeft het woord.

Het is niet de eerste keer dat de vraag wordt gesteld. We volgen allemaal het dossier. Ik ben blij dat de meerderheid ervan overtuigd is dat we ermee verder moeten gaan. Het staat ook zo in het regeerakkoord. Dat is toch de Bijbel waaraan wij ons houden. (Opmerkingen van Bart Caron)

Voor u zal het misschien de Statenbijbel zijn. Ik weet ook niet welke vertaling u gebruikt. Voor mij is het de Bijbel, en als het de Bijbel niet is, dan toch het Nieuw Testament en de Handelingen der Apostelen.

De heer Dochy zegt dat er al hard aan gewerkt is. Dat wordt hier door iedereen erkend. Er is progressie gemaakt. Ik ben mij er terdege van bewust dat het niet fijn is voor het personeel. Maar de mensen behouden hun rechten. Het zal afwachten zijn waar ze terechtkomen. Ze hebben vooral die bezorgdheid, en ik kan die ook delen.

Minister, als ik het goed heb begrepen, gaat u voor de zomer met een derde voorontwerp naar de regering. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Deze maand nog? Wel, dat is dan nog voor de zomer. We zullen dan afwachten. Ik ben blij dat iedereen zich schaart achter de afslanking van de provincies. Zo staat het in het regeerakkoord en zo zullen we het met zijn allen van de meerderheid uitvoeren. Dat is de boodschap die ik hier vandaag heel duidelijk heb gehoord. Dit sterkt mij in de overtuiging dat de provincies inderdaad dringend moeten worden afgeslankt.

Ik zou nog iets verder willen gaan, maar dat zal voor een andere keer zijn.

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Voorzitter, ik heb geen vraag maar een opmerking.

Het werd hier al een paar keer gezegd en ik herinner mij de eerste keer dat ik iets zei over de provincies. Minister, ik zei toen dat het mij niet gaat over de verandering maar om uw veranderingsmanagement. U begon met de afschaffing van het Provinciefonds, terwijl de dotatie nog niet vaststond. Ik heb toen gezegd dat als u met zulke veranderingen uitpakt, u ervoor moet zorgen dat u de mensen meehebt. U bent begonnen met tegen de haren in te strijken. Dat was een eerste probleem.

Een tweede probleem is dat wij altijd moeten vaststellen, of het nu om de provincies gaat of over de inkanteling van de OCMW’s, dat u een verandering decreteert, wat uw goed recht is, dat u werkvelden en mensen aan het werk zet, bij OCMW, provincies enzovoort, dat gaat over veel mensen en structuren, en dat het dan ineens begint te stroppen, zowel op het ene als op het andere niveau. Of het nu over juridische problemen gaat of over planningsproblemen, het stropt. U maakt mensen onzeker. Ik ben blij dat u nu eindelijk begint toe te geven dat het voor het personeel allesbehalve plezant is. Maar mensen worden onzeker. Het gevaar is dat het draagvlak voor verandering, dat eigenlijk in de eerste plaats gedragen wordt door personeelsleden, afbrokkelt. Ik voel ook zenuwachtigheid. Zenuwachtigheid is er hoe dan ook op de werkvloer, maar ook steeds meer hier in de commissie. Minister, ik hoop dat u snel duidelijkheid brengt.

Ik heb geen vragen deze keer. Ik bewaar die voor later dit jaar. Maar ik hoop vooral dat u de eerlijkheid hebt om op een gegeven moment te zeggen: ‘Het lukt mij niet meer in deze regeerperiode.’ Misschien zijn uw veranderingsprocessen wel iets te ambitieus voor de korte tijdsspanne.

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Pira, met uw opmerking kom ik terug bij het begin van mijn antwoord op de vragen van mevrouw Robeyns. Het is eigenlijk helemaal geen complexe materie. We gaan om met mensen en met bevoegdheden. Ik deel uw mening en die van de anderen die hier hebben gesproken, dat we duidelijkheid moeten creëren, in eerste instantie voor de personeelsleden van de provincie. Hoe rapper, hoe liever.

Voorzitter en collega’s, ik ben tevreden dat ik bij allen, en vooral de coalitiepartners, de politieke wil heb gezien om dit dossier eindelijk tot een goed einde te brengen.

Mijnheer De Loor, een aantal van uw vragen had ik al beantwoord, maar ik ga ze nog eens beantwoorden. De timing zal voor eind deze maand zijn. Gaan we terug naar de Raad van State? Ik heb duidelijk uitgelegd dat als we het nu voor een derde keer principieel laten goedkeuren door de Vlaamse Regering, dat we dan die twee artikels wel zullen laten invullen en dat we dan voor advies terug naar de Raad van State moeten.

De hoogte van de basisheffing en van de dotatie zal in het voorontwerp staan dat deze maand nog aan de regering zal worden voorgelegd. Daar kan ik dus niet op vooruitlopen.

Mijnheer De Meulemeester, ik wil toch nuanceren. Mevrouw Robeyns heeft die vraag ook gesteld. Natuurlijk ga ik me niet verstoppen achter dat jammere feit van een collega. Wat ik gewoon wilde zeggen, is dat dit zou worden besproken tijdens een ministerraad, maar dat collega Turtelboom jammer genoeg een aantal uren daarvoor ontslag had genomen en die ministerraad niet is doorgegaan. Vorige week was er geen ministerraad. Ik hoef daar dus verder geen tekeningetje bij te maken. Dat stond op de agenda, maar er waren de omstandigheden. Natuurlijk is dat geen excuus, maar er was wel gepland dat dit zou worden besproken tijdens de ministerraad. U hebt het echter al gezegd: onze kabinetten zijn natuurlijk al wel in contact geweest, en de meeste mensen zijn ook gebleven bij de nieuwe collega Tommelein. Natuurlijk hebben we al contacten gehad. Ook met de kabinetten van CD&V – want dat is toch ook wel een belangrijke partner in dezen – zijn er al heel veel contacten geweest. Ik ga in dit dossier dus gewoon deze maand voor de derde principiële goedkeuring door de Vlaamse Regering.

Voorzitter, ik deel immers absoluut die bekommernis: we moeten duidelijkheid verschaffen aan de personeelsleden, maar ook voor de lokale besturen, die eventueel taken moeten overnemen van de provincies, komt er duidelijkheid. Dit is niet het eerste debat dat we over dit ontwerp voeren. Ik vind het leuk om te horen dat er toch een zeer grote politieke wil is om het regeerakkoord uit te voeren en hiermee door te zetten.

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Minister, ik dank u nogmaals voor uw antwoord. Dit is niet complex, maar het is natuurlijk wel complex door het feit dat er zoveel personen en diensten bij betrokken zijn. Het was in die zin dat ik dat bedoelde. Het is ook niet voor niets, denk ik, dat we al twee jaar in dialoog zijn, dat het zo lang duurt. Ik ben echter heel blij om hier ook van iedereen het volgende te horen: als er vandaag, acht maanden voor de inwerkingtreding, één zaak noodzakelijk is, dan is het duidelijkheid, zodat de ongerustheid bij die mensen op de werkvloer eindelijk kan worden weggenomen. Aangezien iedereen dat hier beaamt, ga ik ervan uit dat er ook snel duidelijkheid zal komen.

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, ik noteer dus dat er ook een zicht zal zijn op de omvang van de besparing die zal worden gerealiseerd op dotaties van de provincies, zodat ze nu van start kunnen gaan met het conclaaf dat ze traditioneel rond de paasvakantie organiseren. Ik weet echter dat u niet graag antwoordt op dergelijke vragen, op lastige vragen die in het parlement worden gesteld. U doet me heel sterk denken aan het orkest op de Titanic. U doet alsof er niets aan de hand is, alsof alles op schema is. Zoals het orkest blijft u rustig verder spelen, verder toeteren, terwijl de boot spijtig genoeg aan het zinken is. Dit ziet er echt wel uit als kunst- en vliegwerk. Vandaag is het 10 mei. Als de datum van 1 januari 2017 wordt aangehouden, dan hoop ik dat er nog heel veel werk wordt verzet en dat er veel in huis zal komen van goed, van behoorlijk bestuur, want daar ziet het nu echt niet naar uit.

Ik vond uw zijsprongetje naar het wisselen van de minister van Financiën om de vertraging daar voor een deel aan te wijten, echt wel misplaatst. Wat u niet graag doet, is vragen beantwoorden, maar waar u wel sterk in bent, is het creëren van chaos op het werkveld, of dat nu is bij de provincies, de gemeenten of de OCMW’s. Waarin u wel slaagt, is het creëren van chaos, financiële, maar ook bestuurlijke. De gemeenten blijven met betrekking tot de overdracht van bepaalde organisaties en instellingen nog altijd met grote vragen zitten: welke middelen zullen overkomen, komen er überhaupt voldoende middelen mee over? Wat dat betreft, blijven de gemeenten nog altijd op hun honger.

Ook bij de provincies heerst er momenteel financiële chaos en heel veel onzekerheid, maar niet enkel daar. Die is er ook bij organisaties, instellingen, verenigingen, culturele instellingen en noem maar op. Collega Robeyns heeft daarnet verwezen naar het verzoekschrift dat vorige week werd behandeld in de commissie Welzijn over de welzijnswerkers van West-Vlaanderen. Minister, daar, en niet enkel in West-Vlaanderen, maar in alle andere provincies, heerst grote ongerustheid over hun toekomst. Ik ben heel tevreden dat collega Dochy daar ook sterk naar heeft verwezen.

Dit is geen blessuretijd meer. Dit is onverantwoord gedrag, kunst- en vliegwerk. Minister, verschaf dus zo snel mogelijk duidelijkheid aan provincies, aan gemeenten, aan de betrokken personeelsleden, aan de organisaties, zodat ze ook hun dienstverlening kwalitatief kunnen voortzetten.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.