U bent hier

Commissievergadering

donderdag 21 april 2016, 14.00u

van Kathleen Helsen aan minister Hilde Crevits
1634 (2015-2016)
van Jos De Meyer aan minister Hilde Crevits
1667 (2015-2016)

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, het M-decreet is sinds dit schooljaar in werking. We hebben een aantal weken geleden daarover al een eerste bespreking gehad. Ik heb ondertussen berichten gekregen van scholen die met concrete problemen worden geconfronteerd en met knelpunten die zij op tafel willen leggen en waarvan zij aan ons vragen dat wij er nog eens over zouden nadenken.

Een eerste punt betreft de opleidingsvorm 4 binnen het buitengewoon onderwijs. De school is tot de vaststelling gekomen dat hij een andere toepassing heeft dan leerlingen die ervoor kiezen om binnen het gewoon onderwijs les te blijven volgen in het kader van een individueel curriculum, terwijl zij een verslag krijgen in de richting van opleidingsvorm 4. Zij voelen nu aan dat zij met een beperking zitten. Zij zijn niet in de mogelijkheid om een attest van verworven bekwaamheden uit te reiken.

Als ze kijken naar het curriculum dat hun leerlingen volgen en de manier waarop ze aan de slag gaan met deze leerlingen, dan zeggen ze dat ervan uit wordt gegaan dat het gaat over het volgen van het gemeenschappelijk curriculum binnen opleidingsvorm 4, wat geen toegang geeft tot een attest verworven bekwaamheden. De context waarbinnen ze werken, gaat echter toch wel over een individueel curriculum. Ze willen dat aankaarten omdat het ook voor hen interessant is om te kunnen werken met attesten verworven bekwaamheden.

Een tweede reeks vragen betreft vooral scholen die een type 4- en type 5-aanbod realiseren binnen het buitengewoon onderwijs en die worden geconfronteerd met een aantal situaties waarover we moeten nadenken. Zo is er bijvoorbeeld geen mogelijkheid om tijdens het schooljaar een overstap te maken tussen de twee types in het buitengewoon onderwijs. Nochtans kunnen ook leerlingen in het buitengewoon onderwijs te maken hebben met plotse gebeurtenissen, zoals een ongeval, wat het tijdelijk nodig kan maken dat ze veranderen van typologie. De regelgeving maakt dat niet mogelijk.

Verder zijn er strikte criteria geformuleerd in het nieuwe decreet voor onder andere type 3. Deze zorgen ervoor dat dit onderwijstype niet langer toegankelijk is voor kinderen met gedragsstoornissen die samenhangen met een niet-aangeboren hersenletsel of epilepsie, hoewel zij dezelfde onderwijsnoden hebben als kinderen die in type 3 onderwijs volgen. Is het logisch dat de strikte criteria voor type 3 aangehouden blijven, aangezien de onderwijsnoden van een gelijkaardige aard zijn?

Ook voor type 4 worden strenge criteria geformuleerd, waardoor bepaalde erg kwetsbare, randnormaal begaafde kinderen met ernstige chronische medische problemen voor wie een intensieve omkadering nodig is, niet in dit type terechtkunnen. Nochtans is dit het enige onderwijstype dat vandaag dergelijke problematieken aandurft en aankan, mits ondersteuning van een expertisecentrum. Idealiter wordt voor deze kinderen op een andere manier een evenwaardig onderwijsaanbod gecreëerd. Zolang dit er niet is, is het wellicht wenselijk hen toch toe te laten tot type 4-onderwijs. Voor dit type leerlingen is er vandaag geen gepast onderwijsaanbod. Moeten de strenge criteria niet onder de loep worden genomen?

Wanneer we kijken naar type 9 en naar de gonbegeleiding (geïntegreerd onderwijs), dan zien we dat in beide gevallen de toegang hiertoe diagnosegerelateerd is. Voor kinderen en jongeren met executieve stoornissen ten gevolge van een aantoonbare neurologische oorzaak, die dus geen diagnose gekregen hebben, zouden gonbegeleiding of toegang tot type 9 echter wenselijk zijn. Dat is niet mogelijk met de huidige regelgeving.

Tot slot wil ik nog een knelpunt aanhalen met betrekking tot het CLB. Van een leerling die in het buitengewoon onderwijs type 5 wordt opgenomen, is het dossier op dit moment enkel toegankelijk voor het CLB dat verbonden is aan de thuisschool van die leerling. Het CLB zelf is echter vragende partij om een dubbele toegang te creëren in het elektronische leerlingendossier, dit in het kader van verdere opvolging.

Op basis van deze concrete situaties heb ik een aantal vragen. Het eerst aangehaalde punt betrof het uitreiken van het attest verworven bekwaamheden aan leerlingen, ook binnen opleidingsvorm 4. Hoe ziet u dat? Kunnen we dat op een gelijkaardige manier doen als de leerlingen die in het gewoon onderwijs het individuele curriculum volgen? Dan waren er de problematieken waarop geen gepast antwoord kan worden geboden. Hoe ziet u een oplossing voor de aangehaalde situaties? Op welke manier kunnen we evolueren naar een situatie waarin leerlingen wel gepast onderwijs kunnen krijgen, wat de doelstelling is die we hebben vooropgesteld? Bent u bereid om in te gaan op de vraag van de CLB’s voor een dubbele toegang?

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, enige tijd geleden stelde ik in de commissie een vraag om uitleg over de programmatie van type 9, opleidingsvorm 4. U antwoordde dat met de implementatie van het M-decreet geen revolutie is begonnen, maar een evolutie.

Revolutionair of niet, het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen is wel degelijk in beweging en het is belangrijk om de stand van zaken te monitoren en om te zien of het M-decreet zijn doel bereikt. Vooral in het basisonderwijs zijn de gevolgen van het M-decreet zeer goed voelbaar. Contacten met de scholen leren ons dat daar toch een zekere bezorgdheid heerst. Het gaat daarbij niet zozeer om het verschuiven van personeel maar vooral om bekommernis voor de leerlingen. CLB-medewerkers verwijzen leerlingen minder vaak naar het buitengewoon onderwijs, soms omdat men vreest fouten te maken. Tegelijk lijkt het aantal gonleerlingen in het gewone onderwijs toch niet toe te nemen. Daardoor krijgen sommige leerlingen wellicht niet de zorg waar ze toch recht op hebben. Het is een evolutie om in de gaten te houden.

Ouders die denken dat hun kind beter af is in het buitengewoon onderwijs, hangen volledig af van de eventuele doorverwijzing door het CLB. Om een inschrijving te mogen weigeren, zijn de scholen voor gewoon onderwijs via het M-decreet verplicht om aan te tonen dat de maatregelen die ze zouden moeten nemen, disproportioneel zijn. Maar als de school de maatregelen niet onredelijk vindt, of als ze geen dossier opmaakt, welke mogelijkheden hebben de ouders om toch een inschrijving te vragen in het buitengewoon onderwijs als ze vinden dat dit voor hun kind toch de beste keuze is?

In het buitengewoon onderwijs neemt het basisaanbod nu de plaats in van de vroegere types 1 en 8. Men gaat er daarbij van uit dat goedbegaafde kinderen met leerstoornissen dezelfde aanpak kunnen krijgen als minderbegaafde leerlingen. Door de interpretatie van de ‘ondergrens’ van IQ 60 kunnen meteen ook leerlingen met een ernstiger problematiek in het basisaanbod terechtkomen. Er is dus hoe dan ook nood aan een gespecialiseerde of gepersonaliseerde aanpak. Is het dan niet nodig om voor het basisaanbod in een betere omkadering te voorzien, zeker op het moment dat de financiële toestand dit mogelijk zou maken?

In opvolging van mijn vraag om uitleg 782 van 21 januari zou ik graag vernemen hoever het staat met de tweede programmatieronde voor opleidingsvormen 4 in het buso. De regionale spreiding daarvan was vroeger al beperkt. Ze werd niet verbeterd door de programmaties van 2015-2016. Zoals de minister zelf al zei in de commissievergadering van 21 januari: het is niet de bedoeling dat scholen leerlingen bij elkaar wegkapen en elkaar gaan beconcurreren. Wat is de stand van zaken voor de programmaties voor 2016-2017?

Nog in het antwoord op mijn vraag van januari stelde de minister dat het onderscheid tussen opleidingsvorm 4 en het geïntegreerd onderwijs bewaard moet blijven. Opleidingsvorm 4, met gedeeltelijke lesbijwoning in een gewone school, mag geen nieuwe verdoken vorm van gonbegeleiding worden. Om de rol van gewoon onderwijs en buitengewoon onderwijs te omschrijven is het belangrijk om de werking van gon en inclusief onderwijs daarbij te betrekken, ook in het basisonderwijs overigens. Onder meer het Christelijk Onderwijzersverbond (COV) dringt aan op het uitwerken van een conceptnota over gon en inclusief onderwijs (ion), waarna dan advies kan worden uitgebracht. Minister, hoe staat u hiertegenover? Indien positief, wanneer komt die conceptnota er?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

In de regelgeving staat opleidingsvorm 4 omschreven als “gericht op het maatschappelijk functioneren en participeren en op het aanvatten, binnen de context van het gemeenschappelijk curriculum, van vervolgonderwijs of tewerkstelling”. Om toegelaten te worden tot deze opleidingsvorm, heeft de leerling een verslag nodig, opgemaakt door het CLB, waarin wordt bevestigd dat de nodige aanpassingen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling te kunnen blijven meenemen binnen een gemeenschappelijk curriculum in de context van een school voor gewoon onderwijs.

Als u mij vraagt waarin juist het verschil zit tussen OV4 en het gewoon onderwijs, dan is het duidelijk dat het hier gaat om de context waarin onderwijs wordt geboden. Het gaat in beide gevallen om een gemeenschappelijk curriculum, met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift, maar de context waarin de school voor buitengewoon onderwijs ditzelfde curriculum kan aanbieden, verschilt in die mate dat het voor de leerling wel haalbaar wordt om de doelen te bereiken.

Wanneer een leerling met een verslag buitengewoon onderwijs OV4 ervoor kiest om toch naar het gewoon onderwijs te gaan, dan is er die mogelijkheid. De leerling volgt dan een individueel aangepast curriculum en krijgt niet de reguliere studiesanctionering maar een attest van verworven bekwaamheden.

Een individueel aangepast curriculum in OV4 is evenwel niet mogelijk indien de leerling is ingeschreven in het buitengewoon secundair onderwijs. De regelgeving is op dat vlak duidelijk: OV4 is er voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum volgen, maar die vanwege hun specifieke onderwijsnoden dat niet in de context van het gewoon onderwijs kunnen. Wanneer een leerling het gemeenschappelijk curriculum niet kan volgen in het buitengewoon secundair onderwijs, zal het verslag dat opgemaakt wordt door het CLB, ook niet verwijzen naar een OV4, maar naar een andere opleidingsvorm. Er zijn immers nog drie andere opleidingsvormen in het buitengewoon secundair onderwijs, elk met zijn eigen doelstelling. 

Wat de mogelijke oplossingen betreft, weet u dat de toegang tot types voor buitengewoon onderwijs niet louter meer gebaseerd is op een medische problematiek.

In communicatie vanuit de CLB-sector zelf wordt gesteld dat het niet de diagnose is die bepaalt of een gemotiveerd verslag of verslag nodig is, wel de onderwijsbehoeften van de leerling. Een diagnose of medische problematiek is niet het startpunt om te bepalen of er al dan niet sprake kan zijn van een gemotiveerd verslag of verslag, maar situeert zich naar het einde toe van het handelingsgericht diagnostisch traject dat met alle betrokkenen werd gelopen. Binnen dat traject wordt een beeld geschetst van de onderwijsbehoeften van de leerling. Als uit de onderwijsbehoeften blijkt dat er nood is aan ondersteuning vanuit geïntegreerd of buitengewoon onderwijs zullen de criteria die bepaald zijn voor de betreffende types, meegenomen worden in de afweging om al dan niet tot een gemotiveerd verslag of verslag te komen. Het multidisciplinair CLB-team geeft in de verslaggeving duidelijk aan waarom de inzet van expertise vanuit het betreffende type noodzakelijk is.

Over de nieuwe criteria voor de types is zeer intensief overleg gepleegd met de CLB-sector. Er werden concrete afspraken gemaakt over de toepassing van de criteria, onder andere over de types die in de vraag van mevrouw Helsen zijn genoemd, type 3, 4 en 9. Indien zich er vanuit de praktijk nieuwe elementen aandienen, kunnen die op het CLB-overleg aan bod komen.

Onze inspectie werkt momenteel haar verkennende ronde af, waarbij ze aan de hand van drie casussen voor elk CLB een zicht wil krijgen op de handelingsgerichte praktijk. De inspectie zal hierover rapporteren. De opvolgingsrapportage is gepland voor dit najaar. Ik denk dat het een schat aan informatie zal opleveren over hoe CLB’s handelingsgericht werken.

De aanbevelingen van dit rapport zullen ook worden meegenomen bij de evaluatie van het M-decreet.

De vraag in verband met de opvolging van leerlingen type 5 door én het CLB van de thuisschool én het CLB van de type 5-school is ons bekend vanuit overleg met het Platform van Onderwijs aan Zieke Leerlingen in Vlaanderen (PoZiLiV). Het gaat hier over de toegankelijkheid van het registratiesysteem LARS (Leerling Administratie en Registratie Systeem) van de CLB-sector. Scholen hebben geen toegang tot deze applicatie.

De keuze die door de CLB-sector in het verleden gemaakt werd om de toegang tot de LARS-databank te beperken tot één CLB, heeft te maken met het gebruikersbeheer en de privacywetgeving, onder andere het gebruik van het rijksregisternummer. De CLB-sector onderzoekt momenteel om onder voorwaarden de toegang tot het multidisciplinair leerlingendossier CLB door meer dan één CLB mogelijk te maken.

Ook voor het M-decreet was een doorverwijzing naar buitengewoon onderwijs afhankelijk van een beslissing van het CLB of van een gemachtigde instantie zoals centra voor ontwikkelingsstoornissen en revalidatiecentra. Ook toen konden ouders niet autonoom beslissen over de stap naar het buitengewoon onderwijs. Het decreet bepaalt en er is een brede consensus dat een doorverwijzing in eerste instantie gebaseerd moet zijn op de onderwijsbehoeften van de leerling en de vaststelling dat een gewone school daaraan niet kan tegemoetkomen, hoewel ze daartoe wel de nodige inspanningen heeft geleverd. We moeten kunnen rekenen op de professionaliteit van scholen en CLB’s dat ze de leerlingenbegeleiding ernstig nemen. Als ouders van oordeel zijn dat hun kind niet voldoende ondersteund wordt door de school, moeten ze in eerste instantie het CLB aanspreken. Dat zal dan samen met de ouders en de school nagaan welke inspanningen al geleverd worden en welke eventueel nog kunnen gebeuren.

In de verdere uitvoering van het M-decreet is ook voorzien in een Vlaamse bemiddelingscommissie die, op initiatief van de school, het CLB of de ouders, kan bemiddelen bij onenigheid over het afleveren of over het niet afleveren of over de inhoud van het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs. Maar het is cruciaal dat ouders eerst het gesprek aangaan met de school en het CLB als ze vragen hebben over de schoolloopbaan van hun kind.

Type 1 en 8 worden inderdaad geleidelijk vervangen door het type basisaanbod. Daaruit afleiden dat alle kinderen dan ook eenzelfde pedagogisch-didactische aanpak moeten krijgen, is onjuist. Als die indruk wordt gewekt, is dat betreurenswaardig en niet correct. In het buitengewoon onderwijs staat individuele handelingsplanning voorop en zou differentiatie een keurmerk moeten zijn. De IQ-grens van 60 is net in het M-decreet opgenomen vanwege de kritiek op een eerdere definitie van type 1 waar de wetenschappelijk vastgelegde IQ-grenzen voor licht verstandelijke beperking 70 en 50/55 gold. Vanuit de scholen buitengewoon onderwijs, daarin gesteund door de sociale partners, is de opmerking gekomen dat die IQ-grenzen in onderwijs anders liggen dan in welzijn en dat voor type 1 eerder de grenzen 80/60 gehanteerd werden, en voor type 2 dus vanaf 60 en lager.

Het M-decreet heeft dus de definitie van type 2 aangepast aan de onderwijspraktijk. Voor type basisaanbod bepaalt het decreet geen IQ-criterium meer. Het is wel zo dat we verwachten dat leerlingen die nog geen diagnose hebben waarmee ze toegang kunnen krijgen tot een van de andere types, soms in type basisaanbod zouden terechtkomen en er dus meer diversiteit qua problematieken komt.

Het M-decreet is nog geen volledig schooljaar ingevoerd, het is dus nog erg voorbarig om al conclusies te trekken. We mogen er ook niet te lang mee wachten, we zullen het goede moment moeten kiezen.

U hebt goed getimed, mijnheer De Meyer. Het nieuwe ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende de goedkeuring van de programmaties voor het schooljaar 2016-2017 in het buitengewoon basisonderwijs en het secundair onderwijs is aan zijn goedkeuringsproces begonnen en ligt nu voor advies bij de Inspectie van Financiën. Pas nadat dit besluit zijn volledige procedure heeft doorlopen en nadat er ook een begrotingsakkoord is, kan de Vlaamse Regering het definitief goedkeuren.

Momenteel ligt de focus bij gon op het volgende schooljaar, dat is nog altijd op de korte termijn. Op 25 maart 2016 heb ik aan de Vlaamse Regering meegedeeld hoe we de aanpak van de verdeling van de gonlestijden, lesuren, uren en punten integratietoelage in dienstverlenende gonscholen buitengewoon onderwijs voor het schooljaar 2016-2017 zien. Net zoals dit schooljaar, toen de gonlestijden en lesuren en uren bevroren zijn op het niveau van het schooljaar 2014-2015 zijn er opnieuw sterke signalen dat het aantal aanmeldingen van nieuwe gonleerlingen onder het niveau zit van voorgaande schooljaren. Dat blijft mij grote zorgen baren.

In de stuurgroep gon, die onder het sectorcomité X - Onderwijscomité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten Afdeling 2 zit, dat is het bevoegde sectorcomité, werd daarom afgesproken om schooljaar 2016-2017 als een overgangsjaar te beschouwen naar een meer fundamentele hervorming van het ondersteuningsmodel voor het gewoon onderwijs. De principes uit de mededeling zullen worden uitgewerkt in een besluit van de Vlaamse Regering. Het is een overgangsjaar, dat betekent dat we opnieuw naar een bevriezing gaan en een verdeling zoals vorig jaar. Ik kan niet toelaten dat we met een spectaculaire dip zitten in aantal uren.

Wat de principes betreft: voor toekenning staan de onderwijsbehoeften van de leerling meer centraal en niet de diagnose, de aanwending wordt flexibel, leerling en leerkracht worden ondersteund, netoverschrijdend samenwerken blijft belangrijk, er komt een synergie tussen waarborg en gon tot stand, het eigenaarschap verschuift naar het gewoon onderwijs, niet te onderschatten.

Verder werken we samen met alle partners aan een nota over de toekomstige organisatie van de ondersteuning van gewoon onderwijs.

Ik sta positief tegenover de vraag van het COV om de gon-ion-hervorming in een breder kader te zien. In het debat over de samenwerking van gewoon en buitengewoon onderwijs willen we ook de rol van het buitengewoon onderwijs meenemen. We merken dat er veel druk ontstaat in scholen buitengewoon onderwijs, die zich zorgen maken over hun voortbestaan. Ik kan dat niet aanvaarden. We hebben binnen de Vlaamse Regering expliciet de keuze gemaakt om ons buitengewoon onderwijs te laten voortbestaan, als het van mij afhangt, als sterke expertisecentra. Het is niet de bedoeling, al denken sommigen daar misschien aan, om een langzame liquidatie van de scholen buitengewoon onderwijs in te zetten.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik wil ingaan op uw antwoord. Het lijkt me interessant om het onderwerp te stofferen met enkele voorbeelden. We moeten ons allemaal samen afvragen hoe het verder moet.

U hebt de reglementering en het verschil uitgelegd. De context van het onderwijs is verschillend, maar het gaat om het gemeenschappelijk curriculum binnen opleidingsvorm 4 en binnen het gewoon onderwijs. Wie een verslag heeft dat toegang geeft tot opleidingsvorm 4 maar ervoor kiest om gewoon onderwijs te volgen, komt terecht in het individueel aangepast curriculum. Zij krijgen geen diploma maar een attest van verworven bekwaamheden.

Binnen opleidingsvorm 4 van het buitengewoon onderwijs zitten leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum volgen dat toegang geeft tot het diploma, maar die toch die specifieke context van onderwijs nodig hebben, omdat het onmogelijk is om dat gemeenschappelijk curriculum te volgen binnen het gewoon onderwijs wegens specifieke noden. Binnen opleidingsvorm 4 komen zeer veel leerlingen, de laatste jaren steeds meer en in de toekomst wellicht nog meer, terecht, die binnen dat gemeenschappelijk curriculum eigenlijk ook een individueel aangepast curriculum volgen.

Arno bijvoorbeeld gaat deeltijds naar school en deeltijds naar het MultiFunctioneel Centrum (MFC), en volgt tijdelijk onderwijs thuis omdat het onmogelijk is om zijn volledig traject op school te volgen. Hij past binnen opleidingsvorm 4, dat is opnieuw geëvalueerd door het CLB. Het CLB besluit dat het verslag niet moet worden herbekeken. Deze jongen maakt echter niet de studievoortgang die nodig is en die zal leiden tot een diploma.

Zo is er Rita, die al een jaar heeft overgedaan, die een aangepast traject volgt, die tewerkgesteld is, maar die binnen de voortgang die zij nu volgt geen A-attest zal kunnen krijgen. Ze zal sowieso een C-attest krijgen en haar diploma niet, en ook geen attest van verworven bekwaamheden. Zij volgt nu een stage waarbij zij bepaalde handelingen kan doen. In het kader van een inclusieve samenleving waarbij niet alleen inspanningen gebeuren in het kader van onderwijs maar ook in het kader van werk, krijgt zij vandaag een plaats binnen het normale arbeidscircuit en is er een mogelijkheid om die ook in de toekomst te behouden. Zij zal echter nooit haar traject binnen het onderwijs kunnen afronden met een diploma, maar ook niet met een attest van verworven bekwaamheden.

Dan is er William die het gemeenschappelijk curriculum volgt. Hij volgt alle theoretische lessen en behaalt daarbij schitterende resultaten. Door zijn beperking is hij echter niet in staat om praktijklessen te volgen en kan hij dus niet naar het gewoon onderwijs. Binnen het buitengewoon onderwijs kan hij het gemeenschappelijk curriculum ook niet volgen; hij volgt een individueel aangepast curriculum, want van een deel van het curriculum wordt hij vrijgesteld door zijn beperking. Hij zal dus zijn diploma niet kunnen behalen, en krijgt een C-attest, hoe schitterend zijn resultaten op de theoretische vakken ook zijn. De school vraagt zich af of het niet mogelijk is om op zijn minst een attest van verworven bekwaamheden te geven aan die leerlingen. Nu kunnen die leerlingen enkel terecht in het buitengewoon onderwijs, want er is geen school voor gewoon onderwijs die deze leerlingen wil opnemen.

Wanneer ik deze verschillende gevallen zie, dan stel ik me inderdaad de vraag of het niet mogelijk is ervoor te zorgen dat die leerlingen een attest krijgen wanneer zij 18 jaar zijn waarop staat welke bekwaamheden zij hebben verworven. Dan is dat op zijn minst duidelijk voor de werkgevers die met hen aan de slag gaan.

Is het mogelijk om het huidige systeem, namelijk een diploma of geen diploma, te herzien?

U zegt de vragen vanuit type 4 en 5 te willen opnemen in de evaluatie en in het decreet. Dat betekent echter dat een kind dat vandaag school loopt in het buitengewoon onderwijs en een ongeval heeft waardoor het naar een type 5 moet worden verwezen en daar een revalidatie moet krijgen gedurende een bepaalde periode, dat niet kan volgens de huidige regelgeving omdat een overstap tussen twee types tijdens het schooljaar niet mogelijk is. Dat betekent dus dat een kind dat in het buitengewoon onderwijs zit, een ernstig ongeval heeft en revalidatie nodig heeft, die switch niet kan maken. Moeten we dat dan niet aanpassen? Nu kunnen we alleen hopen dat dit een kind niet overkomt.

Wat de criteria voor type 3 en 4 betreft, wilt u evolueren naar een systeem waarin wordt afgestapt van het medischdeficitdenken. Deze voorbeelden tonen echter net aan dat we met de oude typologie waar we mee werken en waarvan de we criteria hebben verstrengd, binnen dat medischdeficitdenken blijven zitten. Het is hoog tijd dat we ook binnen die nieuwe typologieën die we hebben geherformuleerd en waarvoor we andere criteria hebben bepaald, kunnen evolueren naar een buitengewoon onderwijs dat een aanbod realiseert op basis van onderwijsnoden en niet op basis van die strikte criteria gebaseerd op het medischdeficitdenken. Wanneer we dit probleem niet meteen oplossen, op welke termijn kan dan worden voorzien in een traject? Hier gaat het immers wel heel duidelijk over het ander vastleggen van de bestaande typologieën waarvan we al jaren zeggen dat ze verouderd zijn. Op dit moment geeft de concrete toepassing door die verstrenging aan dat een aantal kinderen door die striktere criteria geen aangepast type hebben.

Wanneer we de verschillende types overlopen terwijl we de casussen van de kinderen kennen, dan stellen we vast dat die kinderen in geen enkel type thuishoren. Zij kunnen niet in type 5 blijven omdat dit tijdelijk is, maar er is geen enkel ander type dat hen vandaag op een gepaste manier kan opvangen.

Gelukkig gaat het over enkele kinderen, maar wij moeten ervoor zorgen dat iedereen recht heeft op onderwijs.

Kinderen en jongeren met executieve stoornissen moeten de kans krijgen om gewoon onderwijs te volgen. Vooral in het begin is het echter niet gemakkelijk om dat te doen zonder ondersteuning. Die ondersteuning kan echter niet worden geboden omdat de stoornis diagnose-gerelateerd moet zijn. Bij executieve stoornissen worden wel een aantal instrumenten en testen gebruikt, maar die worden even sterk in vraag gesteld als aanvaard binnen de diagnostiek. Ook daar doet zich dus een probleem voor. Alle leerlingen die vandaag in dat kader terechtkomen, hebben geen oplossing.

De vraag is dan natuurlijk wat ons antwoord is. Hoe lang moeten deze leerlingen wachten op een gepast antwoord? Die kinderen, ouders, gezinnen en scholen zitten vandaag wel met een probleem. U zegt dat het op het overleg van het CLB kan worden gebracht. We hebben dat inderdaad bekeken. Er is vandaag een opvolging van de inspectie om te bekijken wat er zich op het terrein voordoet, daaruit te leren en te bekijken hoe we het moeten aanpassen. 

Het gaat over kinderen met heel, heel bijzondere noden. Het gaat niet over de situaties die veel voorkomen in bepaalde types, maar echt over uitzonderingen. Leidt het overleg dat er vandaag bij CLB’s is, ook tot oplossingen? Is er ruimte om af te wijken van die reglementeringen in zeer uitzonderlijke gevallen? Of is het een overleg enkel en alleen in de richting van een evaluatie op iets langere termijn?

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wil vier elementen aanhalen. Eerst en vooral is mijn betoog zeker en vast geen pleidooi om ouders autonoom te laten beslissen of hun kinderen al dan niet naar het bijzonder onderwijs gaan. Laat dat duidelijk zijn. Het is echter wel een pleidooi om bij de beoordeling meer belang te hechten aan het welbevinden van de kinderen.

Bij een recent bezoek aan een school voor buitengewoon onderwijs kreeg ik het pijnlijke verhaal te horen van ouders die bij de school hadden aangeklopt om hun kind in te schrijven, maar dat niet konden door het advies van het CLB. Hun kind was in de voorbije maanden van dit schooljaar in drie verschillende lagere scholen geweest en was steeds ongelukkiger geworden. Ik weet dat je individuele situaties niet mag veralgemenen, maar dit was voor mij wel een schrijnend verhaal.

Wat het basisaanbod betreft, is het evident dat deze kinderen niet allemaal dezelfde pedagogische aanpak nodig hebben, integendeel. Dat is heel duidelijk. De huidige omkadering is, gezien de opdracht, in sommige schoolsituaties toch wel bijzonder krap.

Ik ben blij te horen dat er binnenkort zal worden beslist over de programmaties. Mijn timing was doelbewust. Het is namelijk belangrijk dat de scholen tijdig weten wat de beslissingen zijn, zodat ze een degelijke voorbereiding kunnen doen voor het volgende schooljaar.

Uit uw geëngageerd antwoord begrijp ik dat u mijn zorg over gon deelt. U zegt dat 2016-2017 een overgangsjaar wordt met bevriezing van de middelen en dat de beloofde conceptnota er ook zal komen.

Ik kom tot de conclusie. Dit is geen pleidooi voor een grote evaluatie voor vandaag en morgen, aangezien we inderdaad nog maar een aantal maanden bezig zijn, maar wel voor een continu proces van monitoring en van eventuele bijsturingen. Minister, ik denk dat uw antwoord daarvan een bewijs is.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, mijn betoog zal van een ietwat aparte aard zijn. Zoals u uiteraard weet, zijn ikzelf en mijn collega’s volksvertegenwoordigers. Wij dienen dus de stem van het volk te vertegenwoordigen. Ik zal dat in dezen heel expliciet doen, met name voor de leerkrachten, de zorgleerkrachten en de zorgcoördinatoren.

Minister, aan de ene kant is er het M-decreet en aan de andere kant het VN-verdrag voor personen met een handicap. Bij dezen wil ik benadrukken dat ik dacht dat het de bedoeling was dat het M-decreet een eerste stap zou zijn in het hele verhaal naar die inclusie. Het gegeven dat we heel hard hebben gehamerd op redelijke aanpassingen en op het behalen van het gemeenschappelijke curriculum speelt daarin een heel belangrijke rol. Uiteindelijk was dat volgens mij ook de reden voor de heel bewuste keuze om het bijzonder onderwijs te behouden naast het gewone onderwijs. U hebt daarnet nog eens heel duidelijk onderstreept dat dat een bewuste keuze is en dat dat ook het doel naar de toekomst is. Volgens mij is er een tweede reden. De aanvankelijke regeling rond gon en ion waarmee we nu bezig zijn, is volgens mij de reden dat we die buiten het M-decreet hebben gehouden. Het M-decreet is namelijk een eerste stap naar die inclusie.

Door de IQ-ondergrens te verlagen naar 60 en door bij heel veel ouders, leerkrachten en scholen de indruk te wekken dat het M-decreet eigenlijk de intentie had om de inclusie te realiseren, zijn er heel wat onrealistische verwachtingen gecreëerd. Het is op die onrealistische verwachtingen dat leerkrachten, zorgcoördinatoren en zorgleerkrachten nu wat botsen. Er is een heel grote diversiteit gekomen in de klassen. Die mensen botsen echt tegen hun grenzen aan, zeker die scholen die momenteel nog niet onder de prewaarborg vallen.

Ik heb eerder al gezegd dat de prewaarborg een heel belangrijk gegeven is in het hele verhaal en dat het heel positief wordt onthaald. Heel wat scholen vallen hier echter nog niet onder, worden met die diversiteit geconfronteerd en ondervinden daarin toch wat moeilijkheden. Ik hoor heel veel verhalen over leerkrachten die het opgeven. Ze hebben als school zo veel ingezet op diversiteit, op een welkom voor iedereen. Maar de diversiteit wordt te groot en ze zitten op hun laatste adem. 

De vraag die dan gesteld wordt en die ik hier vandaag wil vertolken, is hoe wij dit als regelgevers in de toekomst zien, gezien de huidige regelgeving en alle rechtzettingen daarin die we beogen. Er zijn vandaag een aantal voorbeelden aan bod gekomen, en je merkt dat er heel veel individuele verhalen zijn die buiten die regelgeving vallen. Er is een grote bezorgdheid over, in welke mate de toekomst van deze kinderen gegarandeerd kan blijven en in welke mate wij kunnen vrijwaren dat zowel onze sterkere als onze zwakkere kinderen het onderwijs kunnen krijgen en blijven krijgen dat hun de optimale kansen biedt.

Ik stel die vraag expliciet omdat ik meer en meer hoor dat de bedoeling van bepaalde groepen en van het VN-verdrag moet zijn dat er een maximale inclusie komt en dat de bezorgdheid die u, minister, daarnet aanhaalde, echt wel heerst, namelijk dat als men naar een optimale inclusie wil streven, men eigenlijk ook streeft naar één soort onderwijs voor iedereen. Het is een ongerustheid die enorm leeft op het veld. De mensen zeggen: met de manier waarop wij nu onze lessen organiseren en met de structuur van onze scholen botsen wij echt tegen onze grenzen aan. De angst leeft met betrekking tot hoe voor iedereen in de toekomst de kansen kunnen worden gevrijwaard die iedereen verdient.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Het is inderdaad een dossier dat velen onder ons en zeker ook de mensen in het onderwijsveld beroert. We hebben u nog niet zo lang geleden kunnen interpelleren, minister, over de effectieve verschuivingen die in het kader van het M-decreet zijn gerealiseerd. Voor een hele grote groep leerlingen verschuift een relatief bescheiden aandeel jongeren van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, zowel in het basis- als in het secundair onderwijs. De cijfers die u gaf, zijn respectievelijk onder de 2000 en onder de 500 leerlingen.

Maar soms is het aantal niet recht evenredig met de bezorgdheid en de gevoeligheden in het onderwijsveld. Dat is met het M-decreet bij uitstek het geval. Ik sluit me wat dat betreft zeker aan bij mevrouw Krekels. Dat wordt aangevoeld als een zeer zware inspanning, zeker bij leerkrachten, zorgcoördinatoren en zorgleerkrachten in het gewoon onderwijs. Daarom is het een onderwerp waarrond we niet moeten polariseren. We moeten met z’n allen gedragen oplossingen zoeken.

De collega’s zeiden al dat een permanente monitoring sinds de invoering van het M-decreet zeer belangrijk is. Wij zouden ook willen pleiten voor een regelmatige en gestandaardiseerde evaluatie. Minister, u hebt in uw antwoord op mijn interpellatie een aantal criteria naar voren geschoven. We denken dat het goed is om die ook permanent bij te schaven en te verfijnen, zodat we een heel erg duidelijk zicht krijgen op de feitelijke situatie op het terrein.

Wij zijn het er uiteraard mee eens dat een bevriezing van de gonmiddelen beter is dan het laten verloren gaan van de middelen. Maar het risico is nu – en dat signaal wordt gegeven door de verschillende onderwijspartners – dat de middelen op deze manier minder kindgericht dreigen te worden. Waar de leerlingen verschuiven en de middelen bevroren blijven bij de instellingen, ontstaat er een zekere discrepantie voor de inzet. Wij zijn voorstanders van een en-enverhaal, waarbij je effectief kindgericht blijft werken, maar waar je toch ook aan competentieversterking doet, zowel bij leerkrachten als bij directies als zelfs in de lerarenopleiding. Maar dat valt een beetje buiten het bestek van de inzet van de gonmiddelen. We moeten er toch over waken dat de kloof tussen de middelen die toegekend worden en de kinderen die er nood aan hebben, niet te groot wordt. Dat is een mogelijk neveneffect van die bevriezing.

Een aantal collega’s waren aanwezig op de studiedag deze week van Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap (GRIP). Ik heb het geluk gehad om er het verslag van te krijgen. De oudervereniging die zich inzet voor inclusief onderwijs, is toch zeer erg vragende partij voor een bredere toekomstvisie op alles wat inclusie betreft, en dat gaat dan over het M-decreet, de toekomst van het buitengewoon onderwijs, de gon- en ionmiddelen. Die toekomstvisie is echt nodig. We willen er zeker toe bijdragen om die toekomstvisie uit te werken. Het is belangrijk dat alle stakeholders – ouders, directies, leerkrachten – betrokken worden bij de ontwikkeling van die visie.

Minister, last but not least: de voornaamste eis is uiteraard voldoende omkadering en middelen om dat inclusief onderwijs op een kwaliteitsvolle manier te garanderen, zodat elk kind het onderwijs op zijn of haar maat krijgt en zo het welbevinden van leerkrachten, ouders en leerlingen het best gediend kan worden.

Ik heb ook het geluk gehad om enkele scholen in het buitengewoon lager onderwijs te bezoeken. Op de dag van de Vlaamse Scholierenkoepel heb ik bewust gekozen, net als de heer Van Dijck, om in een buitengewoon onderwijs les te volgen. Ik ben terechtgekomen in een busoschool met opleidingsvorm 3 (OV3). Daar heb ik vastgesteld dat die leerkrachten hun handen vol hadden om doelstellingen te kunnen realiseren. Ik was leerling nummer zeven in de klas. Dat was al een betrekkelijk grote klas. Je zou kunnen zeggen dat het met zeven wel moet meevallen.

Ik zal nog eens teruggaan naar die school om ook les te volgen in OV3 Lassen. Ik hoop dat ik het een hele dag volhoud. Ook daar dezelfde vaststelling dat ondersteuning en individuele begeleiding nodig zijn. Als die leerlingen terechtkomen in het gewone onderwijs, zullen we hun dan kunnen geven wat ze nodig hebben? Ethisch ben ik een grote voorstander van inclusie. Dat zal ook blijken uit een vraag die ik straks zal stellen.

Ik wil toch een vergelijking maken. Als ons iets lichamelijk mankeert, dan gaan we naar een regionaal ziekenhuis. We komen dan terecht bij een specialist. Ik noem onze leerkrachten eigenlijk al specialisten op dit moment. Als ons echt iets specifieks of ernstigs mankeert, dan blijven we echter niet in het regionale ziekenhuis maar gaan we naar een universitair ziekenhuis. We kunnen niet verwachten dat alle competenties, kwaliteiten en expertise uit een universitair ziekenhuis ingezet worden in een regionaal ziekenhuis. Ik heb deze vergelijking niet zelf bedacht, maar een directeur uit het buitengewoon onderwijs. Die man heeft gelijk.

We vragen een spreidstand in differentiatie van leerkrachten en zorgleerkrachten in het gewoon onderwijs. Hoeveel kan daar nog bij als we recht willen blijven doen aan de kinderen die er al zijn en aan die jongeren met extra noden en zorgen? Ik ben dan ook blij dat u nog eens bevestigt dat we niet zonder het buitengewoon onderwijs kunnen. We moeten dat blijven behouden. De CLB’s zitten op een belangrijk kruispunt. Ze zeggen op basis van hun expertise ja of neen. Ze gaan erover of een leerling in een gewone school terechtkomt waarbij die school de differentiatie moet bieden, of dat die leerlingen gebruik kunnen maken van de expertise zoals in een universitair ziekenhuis.

Moet het kind eerst in het gewoon onderwijs aantonen dat het daar echt niet lukt en – vergeef me de woorden, maar ik kan het niet anders omschrijven – daar wat worden kapotgemaakt, om dan naar het buitengewoon onderwijs te gaan waar ze dan een of twee jaar bezig zijn met te werken aan het zelfvertrouwen vooraleer ze kunnen werken op de inhoud? Het kind zit diep omdat het in het basisaanbod ervaren heeft dat het niets kan, maar dan tot de conclusie komt dat het eigenlijk wel iets kan.

Wat betreft de competentie van het buitengewoon onderwijs die we willen inzetten in het gewoon onderwijs, heb ik nog een bedenking. Ik heb op de dag dat ik in het buso stond, gesproken met een aantal mensen. Sommigen zeiden dat hun expertise heel specifiek lag bij kinderen met een taalstoornis. Anderen hadden expertise op vlak van agressiebewaking bij kinderen die talig beperkt zijn. Nog anderen hadden expertise op het vlak van gedrag en emotionele zaken. Als we die mensen verspreiden over het gewoon onderwijs om hun expertise te delen, dan wordt dat moeilijk. Ze komen dan misschien terecht bij iemand met zware dyspraxie, waar ze eigenlijk geen kaas van hebben gegeten. Dat moeten we van nabij opvolgen. Ik kijk heel erg uit naar de evaluatie die u hebt aangekondigd. Het is belangrijk om zulke zaken eruit te halen in het belang van de kinderen en de leerkrachten.

Ik sluit me tot slot aan bij de vraag van de heer De Meyer.

Minister Hilde Crevits

Niet alle partijen zijn aanwezig, maar ik wil u toch danken voor uw oprechte betrokkenheid bij de implementatie van het M-decreet.

Mevrouw Krekels, ik was een beetje geprikkeld door uw melding dat u een volksvertegenwoordiger bent en dat u uw mening geeft. Sorry, ik ben ook een volksvertegenwoordiger. We zijn een decreet aan het uitvoeren dat is goedgekeurd door volksvertegenwoordigers. Dus, als u zegt het recht te hebben om kritiek te geven, dan vind ik dat een rare uitspraak. Ik begrijp niet goed waar u daarmee naartoe wilt. Het gaat over een decreet dat is goedgekeurd door het parlement. U hebt een aantal terechte zorgen die ik voor een stuk deel.

Er zijn hier mensen die de indruk wekken dat het buitengewoon onderwijs dood moet gaan. Ik onderstreep nogmaals dat dit niet het geval is. Ook in het decreet is opgenomen dat het buitengewoon onderwijs blijft bestaan. We hebben zelfs een nieuw type uitgevonden, namelijk type 9 voor kinderen met autismespectrumstoornissen. Ik heb een school bezocht die daarin is gespecialiseerd. Kinderen die grote problemen hadden op gewone scholen, zijn nu helemaal opengebloeid.  Dat blijkt een heel goede beslissing te zijn. Neen, ik zal nooit aanvaarden dat ons buitengewoon onderwijs kapotgaat.

Ik hoop dat de Onderwijsinspectie snel mag langskomen, want er zijn ook in het buitengewoon onderwijs zorgpunten. Wie zegt dat het buitengewoon onderwijs de hemel op de aarde is, is niet correct. Een van de grote werkpunten is dat er zeer veel aandacht is voor de individuele zorgnoden van de leerlingen, maar dat soms uit het oog wordt verloren dat het ook onderwijs is. Er moeten bepaalde onderwijsdoelen worden gehaald. We moeten dat opvolgen. Als we van de scholen buitengewoon onderwijs expertisecentra willen maken in het omgaan met kinderen met een beperking maar ondertussen ook de leerkrachten met hun expertise uitzenden naar de scholen gewoon onderwijs om die expertise te delen en handelingspraktijk bij te brengen, dan moeten we erop kunnen vertrouwen dat al die experten ook de expertise uitdragen niet uitsluitend met de bedoeling om goede zorg te verlenen maar ook om kinderen goed te laten functioneren in een onderwijssysteem.

Het doel van buitengewoon onderwijs blijft, ondanks alle andere zorgen, onderwijs te verstrekken en naar een diploma of attestering toe te werken.

Collega Gennez, over de middelen bestaat er misschien een misvatting, maar ik kan mij vergissen. Er is de gonwaarborg en er is de waarborg in het kader van het M-decreet. Ingevolge het M-decreet gaan meer leerlingen gewoon onderwijs volgen in plaats van buitengewoon onderwijs. We willen niet dat die leerkrachten zonder job vallen, maar we willen dat volume en dat budget inzetten in het gewoon onderwijs. U hebt gelijk dat dit niet individueel gebonden is aan de leerling. We doen dat zoveel mogelijk op de klasvloer en proberen te vermijden dat middelen in de tussenstructuren blijven steken. Het hoeft niet aan de leerling gebonden te zijn, het kan perfect aangewend worden om klassen te versterken, om meer in duo’s te kunnen werken enzovoort. Dat is dus inderdaad niet aan de leerling gebonden, maar wel aan de groepen.

Anders is het met de gonregeling. De gonwaarborg wordt wel ingezet op het niveau van de leerling. U zei daarnet dat we niet zeker zouden zijn dat dit bij de leerlingen terechtkomt. Welnu, dat zijn we juist wel. Als we met betrekking tot de gonwaarborg beslissen om te bevriezen, dan doen we dat om elke euro in te zetten voor gon. Een van de positieve effecten hiervan is dat we eindelijk ook middelen voor type 3 kunnen voorbestemmen. Zoals u weet, heeft mijn voorganger gontype 3 in het leven geroepen, maar daar was nul euro budget voor. Dankzij die bevriezing kunnen we nu in een aantal scholen kijken hoe we dat type 3 vorm kunnen geven. De criteria die ingeschreven zijn voor gon, zitten nu ook in het decreet. Het is niet zo dat er nu plots nieuwe regels worden bepaald, ze zitten in het decreet en wellicht heeft dat een minder positief effect. Door dit zo in het decreet in te schrijven, volgt daaruit een dubbel effect: meer leerlingen in het gewoon onderwijs en minder gon. Dat past als een tang op een varken: we zouden juist meer gon moeten kunnen geven of hebben. We bevriezen nu net om te vermijden dat er verlies zou zijn, want dat wens ik echt niet. Mijn kabinetsmedewerkster Leen Van Heurck, die hier vandaag aanwezig is, werkt volop aan een nieuw kader voor gon. Ik zou dat graag verder weg houden van de pure diagnose, omdat ik vind dat daar een sociale onrechtvaardigheid in zit. We moeten er wel over waken dat daar een goed evenwicht in gevonden wordt.

Collega Daniëls, het voorbeeld dat u gaf over het regionaal en het expertenziekenhuis, is niet slecht gevonden. Als patiënt kun je beslissen om te verhuizen, maar laat je je wel adviseren. Voor mij is de draaischijffunctie van onze CLB’s cruciaal. We hebben hun dat vertrouwen gegeven, ze moeten die taak ook volledig en voluntaristisch willen opnemen. Ik ga ervan uit dat zij de experten zijn die samen met de school, de ouders en als het kan met het kind, gaan kijken waar het kind de beste kansen krijgt om een leerhouding aan te nemen en tot volle ontwikkeling te komen, hetzij in het gewoon onderwijs, hetzij in het buitengewoon onderwijs.

Collega De Meyer, ik weet dat men zich zorgen maakt over het systeem van het basisaanbod en ik heb al wilde verhalen gehoord van CLB’s die zeggen dat er maar acht leerlingen aangeduid mogen worden voor het basisaanbod. Dat is helemaal geen richtlijn van de overheid. Het kind moet op de plaats terechtkomen waar het het best gedijt. Iemand gaf hier aan dat je het eerst moet proberen in het gewoon onderwijs. Ik ben het daar niet mee eens. Zoals mijn kabinetsmedewerkster mij daarnet terecht influisterde, is het wel zo dat vooraleer een kind een attest krijgt om naar het buitengewoon onderwijs te gaan, de oefening samen met de school gemaakt moet worden en de vraag gesteld moet worden of het al dan niet, mits de nodige inspanningen, naar het gewoon onderwijs kan.

Er zijn een aantal terechte bekommernissen rond het M-decreet. We mogen niet te lang wachten om in te grijpen en te remediëren waar nodig. We moeten wel minstens een schooljaar laten verlopen. We zijn zelf ook al een aantal zaken aan het oplijsten.

Collega Helsen, OV4 is de best omkaderde opleidingsvorm. Het gaat om jongeren die een normaal curriculum kunnen volgen, dus zou het individueel curriculum daar de regel niet mogen zijn. Ik heb veel begrip voor wat u voorstelt, namelijk dat leerlingen toch een attest zouden krijgen van verworven bekwaamheden. Ik wil wel niet dat kinderen in OV4 terechtkomen omdat daar de beste omkadering geboden wordt. Ik vind uw suggestie waardevol, maar als je een OV4-attest krijgt, moet je eigenlijk een normaal curriculum aankunnen. Dat is het spanningsveld dat we hebben doordat er verschillende omkaderingsmogelijkheden zijn in het buitengewoon onderwijs.

De attesten kunnen gedurende het jaar niet wijzigen. U weet waarom ik dat heb gedaan: opdat er geen misbruik zou worden gemaakt en opdat de balans in evenwicht zou blijven. Intussen hebben we een zicht op de situaties waar het echt beter is en we zullen ook remediëren. We wilden een rush op wijzigende attesten vermijden waardoor er een effect zou zijn op de budgetten – wat niet de bedoeling was –, maar we kennen intussen de knelpunten.

Het buitengewoon onderwijs heeft zelf gevraagd om voorlopig de typologieën te behouden. Ze zijn intussen wel aan het evolueren. Ik ben er voorstander van om dit ook eens aan te pakken en na te gaan of dit zo moet blijven dan wel of er op een andere manier moet worden geordend in het buitengewoon onderwijs. Elk kind heeft een zeer eigen aanpak nodig, daarom is het ook buitengewoon onderwijs.

Mevrouw Krekels zei dat sommigen tegen de grenzen aan botsen. Volgens mij is dat voor een deel juist, maar je mag dit niet enkel toewijzen aan het M-decreet. U hebt gelijk dat het M-decreet macromatig niet zoveel effect heeft. De verschuivingen zijn – de heer De Meyer heeft het gezegd – geen revolutie maar een evolutie. Maar het komt er inderdaad wel bij. Als je in je klas al veel jongeren hebt met zorgen die buiten het M-decreet bestaan en er komen een of twee kinderen bij die volgens het M-decreet in je klas komen en als je school geen leerkracht krijgt die via de waarborgregeling in je school terechtkomt, dan begrijp ik dat dit een zware situatie is. Ik volg dat volledig, maar we moeten ook de omgekeerde oefening eens durven te maken. Waar stopt de draagkracht van een school om tegemoet te komen aan alle individuele noden en wat kan de school aan? Ik maak er één kanttekening bij: steeds meer scholen laten hun leerkrachten in teams werken zodat niet wordt verwacht dat elke leerkracht de bekwaamheid heeft om met alles om te gaan. In groep werken is goed tegen de stress, tegen burn-out en het is goed om expertise te delen en polyvalent in te zetten in klassen. In team kun je meer aan dan wanneer je iedereen afzonderlijk alles laat oplossen. Als dat de toekomst van ons onderwijs is, volg ik u helemaal. Het is net onze bedoeling om de leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs naar de klassen te laten gaan om er hun expertise te delen.

Collega De Meyer, het is juist dat scholen willen weten hoe het zit met de programmatie. Ik denk dat het tijdig klaar zal zijn, en we doen er alles aan om het snel vooruit te laten gaan.

Collega’s, het is dus een zeer boeiend thema. Wij volgen de zorgen sowieso op. Op het einde van het schooljaar gaan we na waar we staan. Ik hoop dat de inspectie een aantal zorgpunten in het buitengewoon onderwijs heeft kunnen optekenen. Er zijn er al een pak in het gewoon onderwijs. We mogen het buitengewoon onderwijs niet vergeten in de evaluatie, want als we dit willen versterken en sterk houden, zal er voor de zorgen die daar zijn, zelfs wat meer aandacht moeten zijn in de toekomst.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Het zal niet de laatste keer zijn dat we in deze commissie uitgebreid over het M-decreet van gedachten wisselen. Ik vind dat ook goed omdat het te belangrijk is.

Minister, ik begrijp zeer goed uw reactie over OV4. Wanneer een leerling het verslag krijgt en toegang krijgt tot OV4, heeft hij dat recht en is het aan de school om na te gaan hoe hij daarmee verder aan de slag kan. We moeten vooral in het belang van de leerling onderzoeken hoe een attest van verworven bekwaamheden mogelijk wordt gemaakt als blijkt dat het diploma niet kan worden behaald. Het is niet de school die beslist of OV4 mogelijk is, maar wel het CLB. Als het CLB oordeelt, op basis van overleg en heel wat informatie, dat dit het juiste verslag blijft, dan is het in het belang van de leerling dat we dit onderzoeken. Ik begrijp uw bezorgdheid dat u wilt vermijden dat OV4 een grote toeloop kent. Het is niet de beslissing van de school, maar uitsluitend een beslissing van het CLB. Het is dan goed om na te gaan of er een aantal zaken onder de loep moeten worden genomen, maar als de leerling eenmaal in dat traject zit, vind ik het de moeite om dat te onderzoeken.

Wij hebben een decreet goedgekeurd. Wij hebben daarin de overgang tijdens het schooljaar niet mogelijk gemaakt. Type 5 is daarin de uitzondering, dat is een andere situatie. Dat doet zich plots voor, iemand wordt ernstig ziek of krijgt een ongeval. Het zou toch wel jammer zijn dat die leerling geen toegang kan krijgen tot type 5 omdat hij in het buitengewoon onderwijs zit? Ik ben vragende partij om dat spoedig te bekijken. We moeten ons afvragen of we dat tegen volgend schooljaar niet in orde moeten maken. Het is een probleem. Laat ons hopen dat het zich volgend schooljaar niet voordoet, maar stel dat het zich wel voordoet, dan zitten we waarschijnlijk met een toepassing die niet strookt met de wetgeving. Dan is het misschien de school van type 5 die in de problemen komt omdat ze een leerling verder helpt, maar niet volgens de regels. Zo maken we het eigenlijk onmogelijk dat een leerling kan revalideren.

Wat de andere typologieën betreft, ben ik het er volledig mee eens dat we dat rustig moeten bekijken. We moeten bijsturen als we daar klaar voor zijn. Ik vind het interessant om de situaties die hier worden aangehaald, mee te nemen in die evaluatie-oefening. Het gaat hier heel duidelijk over zeer specifieke gevallen. Ook voor wat gon betreft, wordt hier een heel concreet voorbeeld gegeven. We moeten daar goed over nadenken en die dingen meenemen, maar daar ben ik geen vragende partij om dat holderdebolder volledig aan te passen. Dat vraagt ernstig werk. Voor de overstap binnen het buitengewoon onderwijs naar type 5 ben ik wel vragende partij.

Jos De Meyer (CD&V)

Het welbevinden van kinderen en leerlingen is onze gezamenlijke eerste zorg. In een dossier als dit mogen we niet polariseren maar moeten we samen met de minister, de administratie en het veld naar oplossingen zoeken.

Een suggestie: als we evalueren, moeten we misschien mensen uit het veld uitnodigen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.