U bent hier

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Minister, recent werd het onderzoek met als titel ‘De vrije tijd van kinderen en jongeren met een beperking’ voorgesteld. Het gaat na in welke mate kinderen en jongeren met een beperking tussen 6 en 18 jaar een passend vrijetijdsaanbod kunnen vinden en welke rol het bestaande jeugdwerkaanbod daarin speelt.

Uit het onderzoek blijkt dat kinderen en jongeren met een beperking nog steeds veel moeilijkheden ondervinden om toe te treden tot het bestaande vrijetijds- en jeugdwerkaanbod. De drempels die er al decennialang zijn, bestaan in 2016 jammer genoeg nog steeds. Het gaat dan om informatieve, institutionele, dispositionele of situationele drempels. Het onderzoek stipt wel aan dat er geen unieke factor is die de beperkte toegankelijkheid van het jeugdwerk verklaart, maar wel dat een combinatie van verschillende factoren het probleem veroorzaakt.

Vooreerst voelen kinderen en jongeren met een beperking zich minder welkom in het vrijetijds- en jeugdwerkaanbod. Daardoor haken ze ook sneller af. De drempelvrees bestaat eveneens langs de kant van de jeugdorganisaties. Zij staan vaak open voor kinderen en jongeren met een beperking, maar het blijft vaak bij een passieve toegankelijkheid. Specifieke wervingsacties zijn er weinig en kunnen deze groep van jongeren moeilijk bereiken. Als er al moeite gedaan wordt om hen te contacteren, blijken veel kinderen en jongeren met een beperking onzichtbaar en onbereikbaar voor deze wervingsacties.

Er is ook niet altijd een open beleid in het vrijetijds- en jeugdwerkaanbod. Vaak worden kinderen en jongeren met een beperking geweigerd, om verscheidene, meestal praktische redenen. Daarom zoeken ze vaak hun toevlucht tot het specifieke aanbod voor kinderen en jongeren met een beperking. Helaas vraagt dat ook extra inspanningen qua vervoer en is dat aanbod snel volzet. Opvallend is dat daar soms ook kinderen en jongeren met een specifieke beperking worden geweigerd.

Gelukkig geeft het onderzoek ook aan dat er al verschillende initiatieven genomen zijn die de deelname van kinderen en jongeren met een beperking aan het jeugdwerk en vrijetijdsaanbod hebben verhoogd. Er zijn goede voorbeelden van vrijetijdsbesteding of jeugdwerk waar kinderen en jongeren met en zonder beperking samen spelen.

U hebt, als minister bevoegd voor de jeugd, in doelstelling 2.1.2 van uw beleidsnota 2014-2019 het voornemen aangekondigd om “de vrijetijdsbeleving voor andersvalide kinderen en jongeren toegankelijker te maken”. Met de resultaten van het gepubliceerde onderzoek wilt u “met relevante actoren aan de slag gaan om te kijken wat mogelijk is om de participatie van kinderen en jongeren met een beperking binnen het jeugdwerk te vergroten.”

Minister, daarom stel ik u graag volgende vragen.

Hoe staat u tegenover het gepubliceerde onderzoek? Zult u met de aanbevelingen uit dat onderzoek op korte termijn aan de slag gaan of zult u eerst ook de resultaten van het Burgerkabinet rond diversiteit in het jeugdwerk afwachten alvorens tot beleidsacties over te gaan? Welke actoren zult u bij de implementatie betrekken?

Kinderen en jongeren met een beperking blijven vaak onzichtbaar en onbereikbaar voor wervingsacties. In de beleidsnota Jeugd gaf u ook aan dat het unieke en toegankelijke communicatieplatform, waarvan werk wordt gemaakt, een zo ruim mogelijk doelpubliek moet bereiken, ook kinderen en jongeren met een beperking. In welke mate verwacht u dat het toegankelijker maken van jeugdinformatie en jeugdinformatie-initiatieven voor kinderen en jongeren met een beperking de zichtbaarheid van kinderen en jongeren met een beperking kan verbeteren en hen beter bereikbaar kan maken voor de wervingsacties van het jeugdwerk?

Ook de zichtbaarheid binnen inspraakorganen en beleidsniveaus is nog voor verbetering vatbaar. U gaf ook aan dat u de inspraak voor jongeren als een basispijler ziet voor uw jeugdbeleid. Op welke manier kunt u specifiek voor de kinderen en jongeren met een beperking aandacht besteden aan hun zichtbaarheid in inspraakorganen?

Jeugdverenigingen staan wel open voor kinderen en jongeren met een beperking, maar dit blijft vaak bij passieve toegankelijkheid. In hoeverre kunt u jeugdverenigingen stimuleren om meer te evolueren van een passieve naar een actieve toegankelijkheid?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

‘De vrije tijd van kinderen en jongeren met een beperking’ is inderdaad een erg belangrijk onderzoek. Van sommige resultaten was ik zelf onaangenaam verrast. Tussen de lijnen van het onderzoek hoor ik frustratie en verdriet spartelen naar een uitweg. Ik hoop dan ook een breed draagvlak te vinden voor de aanbevelingen aan het beleid om zaken te veranderen.

Uit de ouderbevraging bijvoorbeeld blijkt dat ongeveer de helft van deze jongeren deelneemt aan een of andere vorm van jeugdwerk. De meerderheid onder hen doet dit in specifieke jeugdorganisaties, een vijfde zit in een algemene jeugdbeweging. Ook aan speelpleinwerkingen en vakantiekampen nemen heel wat kinderen en jongeren met een beperking deel, dit onder meer door de inspanningen van ‘Jeugdwerk voor allen’, een netwerkorganisatie die initieel in de provincie Oost-Vlaanderen over de organisatiegrenzen heen streeft om onder meer kinderen en jongeren met een beperking te laten deelnemen aan het jeugdwerk.

Maar deze op het eerste gezicht positieve cijfers verbergen de kloof niet die er blijft tussen de wens tot deelname en de effectieve deelname aan het georganiseerde aanbod, al dan niet specifiek. Een heleboel drempels staan tussen die wens tot deelname en de effectieve deelname. Sommige drempels zijn makkelijker weg te werken dan andere.

Een moeilijke drempel is bijvoorbeeld de afstand: niet overal is er voldoende aanbod dat niet alleen toegankelijk is maar ook inclusief. Dat kinderen met een beperking vaak ook verder van hun woonplaats naar school gaan dan kinderen zonder beperking, maakt het ook moeilijker om dichtbij hun woonplaats op een organische wijze aansluiting te vinden bij het plaatselijke jeugdwerk. Op die manier dreigen kinderen met een beperking vaak opgesloten te blijven in die parallelle circuits van de zorg, ook voor hun vrijetijdsbeleving.

De studie is gelukkig ook hoopgevend. Steeds meer jeugdwerkingen stellen zich inclusief op. Er is dus aandacht voor de problematiek om het jeugdwerk ook op dit terrein diverser te laten worden. Heel wat aanbevelingen die de onderzoekers formuleren, zijn interessant om te vermelden: meer aandacht en ondersteuning voor de vorming van jeugdwerkers en -begeleiders in de omgang met kinderen en jongeren met een beperking, meer samenwerking tussen algemene en specifieke werkingen, resoluut kiezen voor een inclusief jeugdbeleid waarbij ingezet wordt op de maximale participatie van leeftijdsgenoten binnen het algemene aanbod.

In het lokale jeugdbeleid wordt een betere informatie en vooral zichtbaarheid aanbevolen over het algemeen aanbod waar kinderen en jongeren met een beperking welkom zijn. Diversiteit moet als beleidsconcept in zijn geheel worden nagestreefd en niet opgesplitst in kansengroepen. Dat is een belangrijk rode draad doorheen het onderzoek.

Deze laatste aanbeveling probeer ik vandaag al in de praktijk te brengen met de organisatie van een burgerkabinet over de diversiteit in het jeugdwerk. Een belangrijke toegangspoort gaat over de etnisch-culturele diversiteit waarbij we de diversiteit ook in de brede zin zullen meenemen. Naast het diversiteitstraject dat momenteel doorlopen wordt binnen de jeugdsector zelf, hoop ik uit dit burgerkabinet zeker tips, suggesties en aanbevelingen te halen over hoe het jeugdwerk toegankelijker te maken, ook voor kinderen en jongeren met een beperking.

Toch wil ik niet wachten op de resultaten van het burgerkabinet of het diversiteitstraject van de jeugdsector. Vandaag worden de eerste krijtlijnen op papier gezet voor een nieuw decretaal kader voor het regionaal jeugdwerk.

Waar nu de provincies de expliciete taak hebben het jeugdwerk voor kinderen en jongeren met een beperking te ondersteunen, komt deze opdracht in 2017 naar Vlaanderen. Dit biedt op termijn de kans om bestaande werkingen verder te ondersteunen en ook te zorgen voor een betere regionale spreiding van het aanbod.

De provinciebesturen zijn erg begaan met het inclusiever maken van het reguliere jeugdwerk en stimuleren jeugdverenigingen om, zoals u het stelt, te evolueren naar een meer actieve toegankelijkheid, vooral onder impuls van de provincie Oost-Vlaanderen die hier sterk op heeft ingezet.

Ik heb absoluut de intentie om dit sterke verhaal voort te zetten en ook op Vlaams niveau verder uit te bouwen, zodat nog meer jeugdwerk en nog meer kinderen en jongeren hier de positieve effecten van ondervinden.

In het netwerk ‘Jeugdwerk voor allen’ zoals dat vandaag door een aantal provinciebesturen al wordt uitgebouwd en ondersteund, vinden tal van jeugdorganisaties elkaar en kan flexibel ingegaan worden op de vraag naar ondersteuning vanuit lokale besturen en lokale werkingen om hun aanbod en activiteiten toegankelijker te maken voor diverse kinderen en jongeren. Dat dit initiatief de voorbije jaren zijn effect niet miste, blijkt uit het groeiende aantal inclusieve speelpleinwerkingen in Vlaanderen. Dat is een positieve tendens.

In mijn beleidsbrief kondig ik inderdaad een onderzoek aan over een communicatieplatform voor de jeugd. Zoals ik ook vorige week aangaf in antwoord op uw vraag over de Jongerentelefoon Awel, zal ik nog voor de zomer een conceptnota voorleggen hierover waarin ik aandacht vraag voor een betere afstemming van informatiekanalen en informatiedragers voor de jeugd en dit over de verschillende domeinen heen, in de eerste plaats Welzijn en Onderwijs.

Momenteel bekijk ik samen met mijn administratie hoe dit plan van aanpak wordt uitgewerkt. Het optimaliseren van het bereik van kinderen en jongeren met een beperking is een van de doelstellingen in deze oefening. Ik verwacht uit het onderzoek te horen welke maatregelen ik kan nemen om in meer en beter maatwerk te voorzien voor deze groepen zodat zij beter geïnformeerd zijn. Ook de bestaande informatie-initiatieven maken deel uit van het onderzoek. Als hier verbeterpunten uit komen inzake toegankelijkheid, zal ik dit met hen bekijken.

Op Vlaams niveau zal ik met de Vlaamse Jeugdraad bekijken hoe zij de participatie van kinderen en jongeren met een beperking aan hun activiteiten kunnen stimuleren. Wat de lokale jeugdraden betreft, ligt deze verantwoordelijkheid voornamelijk bij lokale besturen zelf. De Vereniging Vlaamse Jeugddiensten en -consulenten (VVJ) die de opdracht heeft lokale jeugdraden te ondersteunen kan daar uiteraard ook aandacht aan besteden.

Voor zover dit een problematiek is die we ooit helemaal kunnen oplossen, geloof ik dat het onderzoek op het juiste moment komt. Een aantal sporen om het beleid verder te verbeteren, worden voorbereid of zullen de komende maanden hun beslag kennen. Ik wil u aan de hand van de lijnen in mijn antwoord in de komende maanden concrete beleidslijnen geven waarin we een versnelling hoger kunnen schakelen.

Minister, het is goed te horen dat het positief evolueert. Het is niet alleen negatief. Er is alleszins nog veel werk aan de winkel en er zijn nog aandachtspunten, zoals de specifieke organisaties voor jongeren met een beperking, die altijd heel snel volzet zijn. Ook het lokale niveau kan een rol spelen om zo veel mogelijk jongeren met een beperking te betrekken in hun activiteiten. Ik ben blij dat er wat zal worden ondernomen, maar we zullen dit zeker moeten blijven opvolgen, en waakzaam zijn dat er iets verandert.

Mevrouw Bastiaens heeft het woord.

Caroline Bastiaens (CD&V)

Minister, ik ben heel blij dat u in uw antwoord hebt gewezen op de rol die de provincies op dit moment spelen. U hebt aangegeven dat u voor een warme overdracht wilt zorgen. Door de grote vraag en het beperkte aanbod is het cruciaal dat we daar snel verder werk van maken als er knopen zijn doorgehakt, en dat u dit als een prioriteit meeneemt. Het is absoluut noodzakelijk dat de organisaties, die met de steun van de provincies die werking hebben kunnen opzetten in de afgelopen jaren, niet verweesd achterblijven. Anders gaan we nog veel meer werk achteraf hebben dan nu al het geval is.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.