U bent hier

Commissievergadering

donderdag 24 maart 2016, 9.28u

Voorzitter
van Gwenny De Vroe aan minister Liesbeth Homans
1528 (2015-2016)
van Björn Anseeuw aan minister Liesbeth Homans
1573 (2015-2016)

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Minister, in De Standaard van 10 maart jongstleden stond er een oproep van de projectontwikkelaars om kleiner te bouwen. Vandaag zijn nieuwbouwappartementen in ons land gemiddeld 85 vierkante meter groot. De oproep van de projectontwikkelaars was om dat met 10 vierkante meter te verkleinen, tot gemiddeld 75 vierkante meter, omdat alleen met kleinere flats nieuwbouw betaalbaar kan worden gehouden voor jongeren en alleenstaanden.

Bouwen is voor velen onbetaalbaar geworden, zeker voor jongeren en alleenstaanden. Dat is niet alleen zorgwekkend voor de huidige groep van alleenstaanden, maar uiteraard ook voor de alleenstaanden van morgen. Volgens de jongste prognose van de Studiedienst van de Vlaamse Regering telt Vlaanderen vandaag 849.000 mensen die alleen wonen. Tegen 2030 verwacht de Studiedienst een stijging met meer dan 100.000 alleenstaanden of singles, tot 955.000. Tussen 2000 en 2030 zal het aandeel singles toegenomen zijn van 10 tot 14 procent. Met andere woorden: 1 op 7 huishoudens in Vlaanderen zal uit 1 persoon bestaan. In grote steden als Antwerpen, Brussel en Gent zal hun aantal zelfs oplopen tot 45 procent.

Betaalbaar wonen is dus een heel grote uitdaging. Vandaag kost een doorsnee nieuwbouwflat in Vlaanderen al gauw zo’n 215.000 euro, exclusief btw. In Brussel ligt dat uiteraard nog een stuk hoger. Gelet op de druk op de open ruimte en de toenemende bevolking, maar ook op de algemene toestand van de overheidsfinanciën en de besparingscontext waarin we zitten, ligt de oplossing, behalve bij gemeenschappelijk wonen, uiteraard ook bij kleiner bouwen. Een rondvraag bij de tien grootste projectontwikkelaars leert dat een op de vijf geïnteresseerde jongeren en singles afhaakt omdat ze geen lening krijgen van de bank. Zeker voor starters zijn kleinere woningen een oplossing. Een appartement dat kleiner is, betekent uiteraard ook een lagere kostprijs. Ook moderne woonvormen, zoals cohousingprojecten, met een gemiddeld kleinere woonoppervlakte per bewoner, kunnen daartoe bijdragen.

Aan de problematiek zit uiteraard ook een lokale component, die ik eerder al naar voren heb gebracht bij een actuele vraag. Een aantal steden en gemeenten tonen zich namelijk minder flexibel ten aanzien van kleinere woningen.

Minister, welk gevolg geeft u aan de oproep van de projectontwikkelaars om voor kleinere woningen te gaan, met het oog op het aanbieden van betaalbare woongelegenheden aan starters en het stijgende aantal alleenstaanden? Hebt u al overleg gehad met de projectontwikkelaars, of zal dat in toekomst plaatsvinden? Zult u overleg opstarten met de lokale besturen en hen sensibiliseren om een beleid te ontwikkelen dat kleiner wonen voor starters en alleenstaanden mogelijk maakt? Zult u tegelijk ook de problematiek van moderne woonvormen, zoals cohousingprojecten en dergelijke, aankaarten bij lokale besturen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van de resolutie rond moderne woonvormen?

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, mijn vraag is complementair aan die van collega De Vroe. Ze gaat meer specifiek over de bouwnormen voor sociale woningen. Er was de voorbije weken inderdaad wat discussie in de media over minimale oppervlaktenormen voor wooneenheden. Volgens de beroepsvereniging van de vastgoedsector is een appartement van 75 vierkante meter de enige manier om nieuwbouw betaalbaar te maken voor jongeren en singles. Ze dringen bij de overheid aan op lossere regelgeving.

Laten we even de normen voor sociale woningen vergelijken met de normen van de Vlaamse Wooncode (VWC). In de Vlaamse Wooncode is de minimale kwaliteitsnorm voor een studio voor twee personen 27 vierkante meter, in de bouwnormen van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) is dat 47 vierkante meter. Voor een wooneenheid voor drie personen is het minimum in de VWC 40 vierkante meter, bij de VMSW is dat 65 vierkante meter. Ook bij een wooneenheid voor 4 personen is er een verschil van 20 vierkante meter tussen de Vlaamse Wooncode en de C2008, de bouwnormen van de VMSW.

Ik wil er niet voor pleiten om alle sociale huurwoningen aan minimale normen te bouwen, maar ik stel me wel hardop de vraag of het niet goed zou zijn om dat iets meer in overeenstemming te brengen met wat op de private markt gangbaar is.

U kondigde in uw beleidsbrief een herziening van de ABC (Algemene handleiding werken, Bouwtechnische beschrijving en Concept- en ontwerponderrichtingen) aan: “Bij deze herwerking wil ik inspelen op de evolutie van de gebouwgebonden woonnoden en -normen. Ik ga na hoe aangepaste prestatie-eisen, oppervlakte- en kostprijsnormen de bouwkosten kunnen verminderen en de ontwerpvrijheid verruimen. Duurzaam wonen blijft centraal staan met onder andere aandacht voor aangepast bouwen, toegankelijkheid, duurzame materialen, technieken en energie-efficiëntie. Voor alle thema’s zal ik rekening houden met de feedback van belanghebbenden en met de nood aan kwaliteitsbewaking.”

Hoever staat u met die hervorming? Zal men voor de bouw van sociale koopwoningen in dat nieuwe kader ook meer vrijheid krijgen in de bouwnormen? Zal men zich moeten richten op de normen uit de Vlaamse Wooncode en lokale normen, zoals bij alle andere wooneenheden?

Lokale gemeentelijke reglementen leggen de sociale huisvestingsmaatschappijen soms strengere oppervlaktenormen op, waardoor projecten moeilijker haalbaar zijn of waardoor het op zijn minst minder vanzelfsprekend is om die te realiseren. Sommige gemeenten verplichten bijvoorbeeld ook een buitenruimte voor elke wooneenheid, terwijl dat voor sociale huisvestingsmaatschappijen vaak een kostenopdrijvende factor is. Hoe zult u de gemeenten overtuigen om de normen voor sociale huurwoningen toe te passen? Of omgekeerd: hoe kunnen de normen van de VMSW meer rekening houden met de lokale kwaliteitsnormen, zoals buitenruimtes en parking?

Minister Homans heeft het woord.

Collega’s, sta me toe te beginnen met de vaststelling dat de oproep van de projectontwikkelaars in eerste instantie ging over het vergunningenbeleid, wat onder de bevoegdheid Ruimtelijke Ordening valt. Ik heb begrepen, mevrouw De Vroe, dat u dezelfde vraag ook aan collega Schauvliege gericht hebt, maar dat die niet behandeld is kunnen worden door de jammerlijke gebeurtenissen van deze week. Ik zal mij hier beperken tot mijn beleidsdomein Wonen. Dat lijkt mij fair.

Ik kan u in elk geval goed nieuws meegeven. Er is een onderzoek geweest van het Steunpunt Wonen over trends in woningen, typologie, grootte en bezetting. Dat onderzoek ging over de periode tussen 2001 en 2013. Uit dat onderzoek is wel degelijk gebleken dat er al compact wordt gebouwd en dat compacter bouwen nog steeds een opwaartse trend kent. Het is belangrijk dat we rekening houden met onze demografische evoluties, maar ook met de evoluties van meer alleenstaanden, nieuw samengestelde gezinnen en dergelijke meer. Anno 2016 moeten we meegaan in al die belangrijke tendensen en evoluties.

Er zijn uit het onderzoek van het Steunpunt Wonen twee belangrijke vaststellingen voortgekomen. De eerste is een toename van het aantal meergezinswoningen, wat goed is. Tussen 2001 en 2013 is het aantal meergezinswoningen met 10 procent toegenomen. Anno 2013 zijn 30 procent van de woningen meergezinswoningen. Bovendien werden er ook meer meergezinswoningen dan eengezinswoningen gebouwd in Vlaanderen. Tussen 2001 en 2013 waren 55 procent van de nieuw gebouwde woningen meergezinswoningen en slechts 45 procent eengezinswoningen. Dat is een belangrijke trend. Mijn eerste punt sloeg dus op bestaande woningen, eventueel in het kader van renovatieprojecten en dergelijke meer. Het tweede punt ging over nieuwbouw, woningen die zijn gebouwd tussen 2001 en 2013.

Een tweede belangrijke vaststelling van het onderzoek is de toename van het aantal middelkleine woningen, met een woonoppervlakte tussen 55 en 84 vierkante meter. Dat toont ook aan dat we wel degelijk meegaan met onze tijd, of dat in ieder geval de markt meegaat met haar tijd.

Dus het aandeel is tussen 2001 en 2013 gestegen van 27 procent naar 40 procent van de woonoppervlakte van 55 tot 84 vierkante meter, en dit zowel bij de meergezinswoningen als bij de eengezinswoningen. In 2013 had 34 procent van de eengezinswoningen een woonoppervlakte tussen 55 en 84 vierkante meter. In 2001 was dat 26 procent. In 2013 had 55 procent van de meergezinswoningen een woonoppervlakte tussen 55 en 84 vierkante meter. In 2001 was dat 31 procent. Ook hier zien we dus een stijging.

Uit die cijfers blijkt dat er wel degelijk al compacter wordt gebouwd. Dat is ook noodzakelijk. Ook de markt speelt daar heel actief op in, wat een goede tendens is.

Er zijn inderdaad een aantal regelgevende belemmeringen om alternatieve en meer innoverende woonvormen mogelijk te maken. Vandaar dat we aan de administratie hebben gevraagd om in een experimentele proefomgeving te voorzien. Om zo’n proefomgeving mogelijk te maken, is een decretaal initiatief nodig. Een dergelijk initiatief is in voorbereiding. Als deze proefomgeving er eenmaal is, is het de bedoeling een oproep te lanceren. De geselecteerde projecten zullen dan de mogelijkheid krijgen om in een absoluut regelluwe omgeving die woonvormen te realiseren op basis van de opgedane kennis. Vervolgens zullen we bekijken of, en zo ja, welke regelgeving moet worden aangepast om dergelijke projecten structureel mogelijk te maken.

Mevrouw De Vroe, dit is een belangrijke uitvoering van de resolutie. Minister Schauvliege zal nog andere uitvoeringen geven aan die resolutie. In het kader van de herziening van de C2008, dat zijn de zogenaamde constructienormen sociale woningbouw van de VMSW, wordt aandacht besteed aan de nieuwe woonvormen.

Mijnheer Anseeuw, de hervorming van de oppervlakte- en prijsnormen in de sociale huisvesting bevindt zich momenteel in een eindfase. Ik wacht nog op een finaal voorstel van de VMSW, dat nog moet worden goedgekeurd door de raad van bestuur van de VMSW. De VMSW zal daarbij rekening houden met de minimum- en maximumoppervlakten.

Er is een beleidskeuze gemaakt waarbij de Vlaamse subsidies voor sociale koopwoningen zijn afgebouwd omdat we meer willen inzetten op sociale huurwoningen. Die subsidies zijn afgebouwd tenzij het gaat over infrastructuursubsidies voor gemengde projecten. Ook hieraan zullen de oppervlakte- en prijsnormen worden aangepast, en volgens dezelfde procedure als de aanpassing van de normen voor de huur. Er wordt een dubbele afweging gemaakt: er wordt rekening gehouden met de vraag van de sector naar soepelere normen naar aanleiding van het afschaffen van de subsidies. Ik vind het niet echt vreemd dat ze dat doen. Wanneer de Vlaamse overheid bepaalde subsidies afschaft, dan is de vraag in welke mate wij ons nog moeten moeien met het opleggen van normen wanneer mensen toch nog willen investeren in sociale koopwoningen. Dat is een afweging die we moeten maken. Er is ook nog een andere afweging vanuit het perspectief van de VMSW, die als kredietverlener nog altijd moet waken over de kwaliteit.

Mijnheer Anseeuw, het is inderdaad zo dat bepaalde lokale gemeentelijke reglementen strengere normen opleggen, maar dat is zuiver een aspect van Ruimtelijke Ordening. Ik weet niet of u net als mevrouw De Vroe een vraag hebt ingediend voor minister Schauvliege. We kunnen onmogelijk van de VMSW verwachten dat zij rekening houdt met de bouwnormen van alle Vlaamse gemeenten. Maar ik wil er wel samen met de VMSW voor zorgen dat de maximale normen die worden uitgewerkt het voor de sociale huisvestingsmaatschappijen mogelijk maken om in alle gemeenten betaalbare sociale woningen te realiseren.

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Wat kleiner wonen en cohousing betreft, ligt er inderdaad ook nog heel wat werk op de plank voor de minister van Ruimtelijke Ordening. We hebben dat zonet ook al gehoord tijdens de hoorzitting.

Wat de evolutie van kleiner wonen betreft, ben ik blij de cijfers te horen. Het gaat de goede richting uit. Het is ook goed dat de markt mee evolueert. Het is wel jammer dat we moeten vaststellen dat er gemeentebesturen zijn – en dat is die lokale component waar ik naar verwezen heb – die klein wonen nog altijd niet toelaten. We moeten hen wijzen op de ontwikkelingen van onze maatschappij met steeds meer singles. We moeten die gemeentebesturen stimuleren en sensibiliseren opdat zij hun minimale oppervlakten zouden verkleinen. Ik zal dat zeker ook nog zeggen tegen minister Schauvliege.

Wat uw erkenning betreft van de regelgevende belemmeringen betreffende gemeenschappelijk wonen en de experimentele proefomgeving die u zult creëren, is er in de provincie Vlaams-Brabant een project opgestart met de naam ‘Woningdelen’. Tijdens een oproep zijn heel wat projecten geselecteerd. Ik denk dat we daar heel wat uit kunnen leren.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

De bedoeling van mijn vraag is te zoeken naar manieren waardoor het in de toekomst ook voor de private sector nog aantrekkelijker is dan vandaag om te investeren in sociale woningen. Wanneer die normen vandaag strenger zijn, ook voor ruimtes die geen leefruimtes zijn, dan is het voor de private sector een stuk minder aantrekkelijk om daarin te investeren. Ik denk dat we niemand moeten overtuigen van het belang aan bijkomende investeringen in de sociale woningbouw. Ik wil gewoon weten hoe we ervoor kunnen zorgen, onder andere met een aanpassing van die normen voor sociale woningbouw, dat er meer kan worden geïnvesteerd, ook vanuit de private sector. Ik zal minister Schauvliege ook bevragen wanneer het over die lokale gemeentelijke reglementen gaat.

Ik heb nog een vraag: kunt u al aangeven in welke richting de hervorming gaat, specifiek wanneer het gaat over oppervlaktenormen? Zal die richting private woonnormen en Vlaamse Wooncode gaan? Zal het verschil groot zijn?

Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Minister, wat de eerste vraag van mevrouw De Vroe betreft, zou ik eigenlijk graag uw standpunt ter zake willen kennen. U fietst er namelijk wat rond wat betreft de lokale overheden. We hebben de voorbije jaren een trend gezien waarbij centrumsteden zoals Brugge, Mechelen, Gent en Leuven vooral voor bestaande woningen in de bouwverordeningen normen hebben opgelegd om het opsplitsen van gebouwen te bemoeilijken. In Brugge is de norm 260 vierkante meter, in Mechelen moet een woning een minimum oppervlakte hebben van 190 vierkante meter. Ook Gent en Leuven hebben hun bouwverordeningen in die zin aangepast.

Minister, aan de ene kant wil de stad gezinnen aantrekken. In de Brugse binnenstad zijn er slechts 17 procent gezinnen. Aan de andere kant is er ook het effect van vergrijzing. Die kleine woningen zijn dus ook wel nodig.

De Vlaamse overheid, en zeker u als minister van Stedenbeleid, kunt het misschien allemaal niet zo vrijblijvend laten. Soms genereren alleenstaanden, vooral gepensioneerden, minder inkomsten. Soms is de bewuste politiek van bepaalde steden om die oppervlakte om op te splitsten zodanig te vergroten dat mensen met een laag inkomen naar de randgemeenten trekken. We zien dat ook in Brugge. De mensen nemen de trein naar Oostende of Blankenberge, waar het opsplitsten van gebouwen veel gemakkelijker kan.

U legaliseert het wonen op kamers sterk en zegt dat de stad daarin niet mag afwijken van de Vlaamse normen. Bent u van plan om dit ook te doen in verband met het bouwen? Hebt u als toezichthoudende overheid vanuit de steden niet enige controle op de bouwverordeningen?

Mijnheer Anseeuw, ik vind dat de normen voor de private en de sociale woningbouw gelijk zouden moeten zijn. Ik zie niet in waarom er voor sociale woningbouw meer isolatie, grotere kamers en een grotere oppervlakte zouden moeten zijn dan in de private woningbouw.

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

Voorzitter, ik heb de mediaberichten ook gehoord. Men ging vooral uit van een argument van goedkoper te bouwen en te wonen.

Mevrouw De Vroe, in uw vraagstelling gaat u ervan uit dat een appartement dat 10 procent kleiner is, ook 10 procent goedkoper is. Dat werd ook in de media gezegd. Ik wil ervoor waarschuwen dat dat mij toch zeer utopisch lijkt. We moeten een onderscheid maken tussen woningbouw en appartementenbouw. Ik geloof eerlijk gezegd niet in het verhaal dat het compacter bouwen van appartementen automatisch betekent dat men naar een goedkopere prijs van dat appartement gaat. Elk individueel project heeft zijn vloeroppervlakte. Men moet dus al heel wat appartementen per verdieping kunnen verkleinen om een extra appartement te kunnen bouwen. In het andere geval zal de projectontwikkelaar zijn normale prijs hanteren. Als we dan naar kleiner bouwen gaan, betekent dat gewoon dat de gemeenschappelijke delen groter worden. Ik wil dus een kanttekening plaatsen wat appartementenbouw betreft.

Het is belangrijk dat we een gedifferentieerd aanbod krijgen in Vlaanderen en dat we, hoewel we steeds compacter bouwen, blijven zorgen voor voldoende woonkwaliteit.

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw De Vroe, ik kan u misschien nog blijer maken. We zien in Vlaanderen niet alleen de tendens dat er meer compact wordt gebouwd, maar ook dat de kwaliteit stijgt. Het ene mag zeker niet losstaan van het andere, maar moet complementair zijn.

We zijn op de hoogte van het voorbeeld in Vlaams-Brabant dat u aanhaalt. We moeten niet altijd zelf het warm water opnieuw uitvinden. Als we vanuit die projecten kunnen leren, zullen we dat zeker doen. Als we daardoor bepaalde belemmeringen – die er echt wel zijn – om alternatieve, innoverende en innovatieve woonvormen mogelijk te maken kunnen wegnemen, zullen we dat zeker meenemen.

Mijnheer Anseeuw, het stimuleren van private investeerders is inderdaad absoluut belangrijk. Ik heb altijd gezegd dat de overheid niet alles alleen kan. Vooralsnog leven we niet in een communistische staat. Het is heel belangrijk dat ook de private investeerders mee kunnen. Daarom moeten we overwegen in welke mate wij nog normen willen opleggen. Hoe streng moeten de normen in het kader van sociale koopwoningen bijvoorbeeld nog zijn? Uiteraard mag dat niet in overtreding zijn met de Vlaamse Wooncode. Dat is een belangrijke afweging.

Heel veel private investeerders zijn zeer geïnteresseerd in het bouwen van SVK-woningen. Die discussie hebben we al verschillende keren gevoerd in deze commissie. U kent de constructies. Minimale normen in de Wooncode zijn voor SVK’s veel minder streng dan voor andere.

Er is ook overleg met de Confederatie Bouw en de Bouwunie om te bekijken hoe de normen van de private en de sociale woningbouw zich tot elkaar verhouden, waar er misschien nog discrepanties zitten en we ze wat meer op elkaar kunnen afstemmen.

Mevrouw Van Volcem, u vraagt naar de lokale besturen. Wat mijn bevoegdheid betreft, bevindt enkel het kamerreglement van de gemeenten en steden zich onder mijn directe bevoegdheid. Alle andere zaken behoren tot Ruimtelijke Ordening en tot de lokale autonomie. Ik zal daarover straks nog iets zeggen.

Wat zijn de normen inzake het kamerreglement? 18 vierkante meter voor een zelfstandige woning en 12 vierkante meter voor kamers. Wellicht weet u dat het kamerreglement van Brugge werd afgekeurd. Brugge was namelijk van plan om de kameroppervlakte op te trekken van 12 naar 30 vierkante meter. Met dit voorbeeld wil ik gewoon aangeven dat we wel degelijk onze verantwoordelijkheid nemen inzake de kamerreglementen. Enerzijds wordt er gevraagd om kleiner en compacter te gaan wonen. Ik hoor heel veel spreken over singles, alleenstaanden. Ik gaf het voorbeeld van Brugge, omdat mij dat recent ter ore is gekomen, maar er zijn talrijke andere voorbeelden. Als je er tegelijk voor pleit compacter te bouwen voor alleenstaanden en een kamerreglement aanpast om van 12 naar 30 vierkante meter te kunnen gaan, denk ik dat dat soms wat haaks staat op elkaar.

Vanuit Wonen nemen we wel degelijk onze bevoegdheid op. Toezicht op bijvoorbeeld de bouwcode van Antwerpen valt absoluut onder lokale autonomie, maar die bouwcode – van gelijk welke stad overigens – mag niet in strijd zijn met de Vlaamse Wooncode. Dat kan ik natuurlijk regelen vanuit mijn bevoegdheid. Ik denk niet dat ik hierin mijn verantwoordelijkheid ontloop. Er is het kamerreglement en de autonomie van de lokale besturen. Vanuit mijn bevoegdheid Binnenlands Bestuur heb ik toezicht op die lokale besturen. Zodra wij zien dat hun bouwcode in strijd is met bijvoorbeeld de Vlaamse Wooncode zal ik – dan wel als minister van Binnenlands Bestuur, maar ik ben een en dezelfde persoon – onmiddellijk ingrijpen.

Dat zijn de tools die ik in handen heb, zowel binnen mijn bevoegdheidsdomein Binnenlands Bestuur als binnen mijn bevoegdheidsdomein Wonen.

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Minister, het was uiteraard heel duidelijk. Het is goed dat u ook het aspect van kwaliteit bovenhaalt en dat dat verbetert. Uiteraard is het niet alleen de bedoeling om kleiner wonen toe te laten, maar wel kleiner én kwalitatief wonen. Dat is logisch.

De vastgoedmarkt past zich aan naar kleiner wonen. Dat zei u daarnet. Het is ook heel goed dat de nevenbedrijven zoals meubelfabrikanten en dergelijke zich enorm aanpassen aan dat kleiner wonen.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, ik ben tevreden, niet alleen met uw antwoord, maar ook met het feit dat mevrouw Van Volcem mijn pleidooi onderschrijft om de discrepanties tussen de normen voor private woningen en sociale huur- en koopwoningen zoveel mogelijk weg te werken. Het verheugt mij dat we daarover verder in de commissie geen dissonante stemmen hebben gehoord. Ik heb de indruk dat er daarover consensus groeit. Ik ben dus tevreden.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.