U bent hier

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Ik stel deze vraag naar aanleiding van een rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ‘Belgium: Selected Issues’. In dat rapport bundelde het IMF onlangs een aantal aanbevelingen om de overheidsuitgaven efficiënter aan te wenden. In economisch barre tijden is het altijd interessant om zoiets te lezen.

Een van de stellingen van het IMF is dat ons land te veel leerkrachten zou hebben in het lager en het secundair onderwijs, gegeven het feit dat we een lage leerling-leerkrachtratio optekenen. Het IMF telt te veel leerkrachten in kleine klassen. Het grote aantal leerkrachten leidt volgens het IMF niet tot hogere score inzake schoolprestaties vergeleken met de ratio in onze buurlanden.

Minister, ik heb hier op 2 oktober al een vraag over gesteld naar aanleiding van het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) ‘Education at a Glance’, waarin onze lage leerling-leerkrachtratio eveneens werd vermeld en verklaard. U gaf toen al aan dat de OESO-indicator met betrekking tot de leerling-leerkrachtratio een investeringsindicator is en dus geen weerspiegeling vormt van de gemiddelde klasgrootte, en daar ben ik het absoluut mee eens. U was het toen wel eens met de kritiek dat in Vlaanderen in vergelijking met de ons omringende regio’s de ratio in de cijfers toch vrij laag is maar niet noodzakelijk in de praktijk.

Ik heb de cijfers er nog even bij genomen. In onderwijs hebben we 183.000 personen. Er zijn er 28.000 in de beroepscategorie ‘andere’, zoals centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), koepels, administratief personeel en inspectie. Daarnaast hebben we 155.000 personen in onderwijzend personeel en bestuurspersoneel. De vraag is hoeveel we van die 183.000 personen terugvinden in een school en hoeveel in een klas. Pas dan kan men effectief spreken over de ratio en pas dan kan men ook kijken wat het IMF doet met die hogere scores qua schoolprestaties en dergelijke meer.

Minister, hoe reageert u op de aanbevelingen van het IMF? Hebt u al kunnen bekijken hoe we de effectieve leerling-leerkrachtratio naar een realistisch niveau kunnen tillen? Met andere woorden, hoe kunnen we ervoor zorgen dat er meer mensen die worden betaald door het departement Onderwijs, effectief mee zorgen voor rechtstreekse ondersteuning in de school en in de klas? Ik verwijs ook naar het debat dat we hebben gehad over de werkingsmiddelen. We hebben toen vastgesteld dat enige transparantie en een blik op de efficiëntie en effectiviteit van de ingezette middelen zinvol zou zijn in deze budgettair krappe tijden.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

De aanbevelingen van het IMF zijn gebaseerd op dezelfde leerling-leerkrachtratio’s uit ‘Education at a Glance’, waarover u in september 2014 een vraag stelde en waarover in de commissie van 2 oktober 2014 werd gedebatteerd. Deze ratio kwam ook uitgebreid aan bod in het debat in deze commissie van 10 maart 2016 naar aanleiding van de interpellatie van mevrouw Meuleman over de aanbevelingen van de OESO in haar recente rapport over de financiering van het Vlaamse onderwijssysteem.

In het kader van dat debat heb ik de lage leerling-leerkrachtratio als een positief punt van ons onderwijsbestel omschreven. Vlaanderen scoort zeer goed op het vlak van onderwijs. Dit is onze unieke grondstof. Ik denk niet dat we vandaag kunnen zeggen dat we leerkrachten te veel hebben, zeker in het licht van de vorige vraag, die ging over het lerarentekort.

Mijn reactie op het gebruikte cijfermateriaal blijft dezelfde en nuanceert voor een stuk de wijze waarop het IMF de cijfers omzet in aanbevelingen: de OESO-indicator is een investeringsindicator en geen weergave van gemiddelde klasgrootte. De ratio zet het aantal voltijdse leerlingen af ten opzichte van het aantal voltijdse leerkrachtequivalenten. Enkel in het geval dat het aantal uren dat leerlingen gemiddeld in de klas doorbrengen, gelijk is aan het aantal uren dat leerkrachten gemiddeld voor de klas staan, weerspiegelt deze ratio de gemiddelde klasgrootte. Maar dat is uiteraard niet het geval, want alle lerarenopdrachten worden in de indicator in rekening gebracht, ook die uren die geen lesuren zijn, maar die er personeelsmatig mee gelijkgesteld worden. Het betreft inhaallessen, bijzondere pedagogische taken, nascholing, klassenraad, klassenraaddirectie en interne pedagogische begeleiding. We moeten ook in rekening brengen dat het buitengewoon onderwijs, waar de omkadering veel ruimer is, wordt opgenomen in de indicator.

Ik ontken echter niet dat de ratio leerling-leerkracht in Vlaanderen laag is in vergelijking met andere landen, vooral in het secundair onderwijs. Een van de mogelijke oorzaken is de versnippering van het aantal studierichtingen in het secundair onderwijs, de minimumpakketten, de gewaarborgde vrijheid van keuze voor de levensbeschouwelijke vakken.

Wat het secundair onderwijs betreft, wil ik hier vandaag geen voorafname doen. Bij de modernisering van het secundair onderwijs sluit ik niet uit dat er efficiëntiewinsten kunnen worden geboekt. Dit is ook al aan bod gekomen in het debat over de OESO-studie.

Bij het zoeken naar besparingsmaatregelen in het onderwijs hebben we er doelbewust voor gekozen om deze in het secundair onderwijs iets groter te laten zijn dan in het basisonderwijs. Maar ook in het secundair onderwijs zelf hebben we niet voorzien in ingrepen op de lerarenuren zelf, wel op het aanwendingspercentage voor de algemene puntenenveloppe voor het ondersteunend personeel.

Scholen beslissen momenteel autonoom hoe ze met de hun toegekende omkadering hun onderwijs organiseren. Het doel moet daarbij altijd zijn optimaal onderwijs aan te bieden dat alle leerlingen ten goede komt. Deze autonomie is belangrijk, dat hebben we ook onderstreept in het regeerakkoord.

Een belangrijke decretale opdracht van het basisonderwijs is een leeromgeving creëren waarbinnen leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doormaken. Om dat voor alle leerlingen te kunnen realiseren, moeten leerkrachten differentiëren naargelang de noden van de leerlingen. Ook in kleinere klassen zal de nood aan differentiatie blijven, want ook daar zullen leerlingen met verschillende noden en een verschillend tempo aanwezig zijn.

Een pleidooi voor niet al te grote klasgroepen is pedagogisch wel verdedigbaar, maar in plaats van vaste, kleinere groepen te vormen, kunnen scholen ook niet alleen het lestijdenpakket maar ook de extra middelen of de punten voor zorgcoördinatie op een meer flexibele manier gaan aanwenden. Daar geloof ik eigenlijk wel in. Zo kan er een combinatie zijn tussen een vast gedeelte, en een veranderbaar gedeelte, waarbij leerlingen al naargelang van hun vorderingen deel uitmaken van verschillende groepen met een verschillend tempo. Het is ook zo dat als we alle omkadering zouden inzetten op klasniveau de effectieve klasgrootte een beetje zou dalen. De vraag is of dat sowieso een betere werkwijze is dan de manier waarop het nu gebeurt.

Ik ben er wel van overtuigd dat als de middelen efficiënt worden ingezet om leerkrachten of teams te ondersteunen, dat zeker leidt tot een meer adequate professionalisering van de leraar. Ik denk ook, als we vandaag naar de scholen kijken, het overgrote deel van de personeelsleden in alle omkaderingsvormen die er zijn, zich met heel veel engagement inzetten voor de leerlingen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, u sprak vooral over het secundair onderwijs, maar ik kom even terug op het nieuwe omkaderingssysteem dat we sinds 1 september 2012 in het basisonderwijs hebben ingevoerd. Daar was de hoogste ratio die werd vooropgesteld 18,5 leerling per leraar, waar het voordien 22,5 leerling per leraar zou zijn omdat er toen 52, 7 miljoen euro extra in het basisonderwijs is geïnvesteerd. Op het terrein stel ik echter vast dat ik ratio’s zie die heel wat hoger zijn. Dat kan inderdaad aan capaciteitsproblemen liggen. Als er maar x aantal lokalen zijn, kan men niet anders, maar dan zou men ervan kunnen uitgaan dat er in die klassen aan duoteaching wordt gedaan. Ook dat stellen die leerkrachten echter niet altijd vast.

De vraag is dan: waar zijn die uren naar toe? Als we vanuit de overheid middelen geven – namelijk 52,7 miljoen euro recurrent aan het prijsniveau van 2012, dus dat stijgt nog – dan is de vraag wat daarmee gebeurt. Ik deel absoluut de mening dat we vertrouwen moeten hebben en dat middelen flexibel moeten worden ingezet, maar leerkrachten zeggen, ook in het licht van het M-decreet, dat in een klas van 28, in de lagere school, met 2 kinderen met serieuze noden, het niet evident is om al die kinderen aan het werk te zien. Differentiëren, ja, absoluut, maar op differentiëren zit ook een eindpunt. Ik hoor leerkrachten zeggen dat ze na een voormiddag met de leerlingen te hebben gewerkt ze de leerlingen niet allemaal hebben gezien, dat ze een aantal leerlingen te weinig of niet kunnen begeleiden. Dat is natuurlijk een gevaar voor de kwaliteit van ons onderwijs.

Vandaar mijn tweede vraag : hoe kunnen wij en hoe kunt u er meer zicht op hebben dat mensen die betaald worden door het departement Onderwijs effectief voor leraarsuren – omkadering die we aan scholen geven met het doel ze in te zetten in relatie tot de leerlingen – worden ingezet en niet elders waar het misschien niet zinloos is, maar waarbij ik vaststel dat de leerkracht het ‘in the end’ moet doen met veel leerlingen, en het met veel meer leerlingen moet doen dan initieel bedoeld en initieel naar voren is geschoven.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Rapporten kan men lezen vanuit een bepaalde bril. Afhankelijk van de bril die je op hebt, lees je meer of minder. Voor mij zijn de drie belangrijkste conclusies uit dit rapport de volgende. Ten eerste, de inzet van publieke middelen voor onderwijs is hoger dan het EU-gemiddelde en dan in ieder vermeld buurland, vooral als gevolg van het hoge aantal tewerkgestelden, wat resulteert in een laag leerling-per-leerkrachtenratio. Ten tweede, ondanks het hoge en vlug groeiende bestedingsniveau gaan de testresultaten erop achteruit, is de effectiviteit om ongelijkheden te verminderen beperkter dan in de andere Europese landen en zijn de leerlingen minder goed voorbereid op de arbeidsmarkt. Ten derde, de oorzaken van deze tegengestelde trends zou zorgvuldig moeten worden onderzocht. De scope zou moeten worden gelegd op het bereiken van efficiëntiewinsten om de bestedingsdruk te milderen die het gevolg is van de sterk groeiende leerlingenpopulatie. Dat zijn voor mij de drie conclusies.

Minister, ik denk dat u genuanceerd en correct hebt geantwoord. Als onze collega over meer transparantie spreekt, dan deel ik zijn zorg. Als ik echter naar het onderwijsveld luister, en zeker naar het basisonderwijs, dan hoor ik toch wel de vraag en de grote zorg om eerder wat meer ondersteunend personeel te hebben. Als ik met hen in dialoog ga, dan denk ik dat die bezorgdheid meestal meer dan terecht is.

We hebben met een zeer complexe situatie te maken en we hebben het niet zo makkelijk om dat in enkele minuten te vatten. Simpele oplossingen zijn er voor deze complexe problemen niet. Voor alle duidelijkheid wil ik toch meegeven: indien sommigen er ooit zouden aan denken de openendfinanciering af te schaffen, dan deel ik hun mening niet. Als sommigen zouden denken dat we de grondwettelijke vrijheid van onderwijs in vraag moeten stellen, dan zeg ik in alle duidelijkheid: die mening deel ik niet.

De voorzitter

Mevrouw Brussel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik stel me een vraag: heeft het IMF in zijn berekening rekening gehouden met het aantal lestijden? Heeft het IMF dat vergeleken met het aantal lestijden dat in andere landen wordt gegeven? Heeft het IMF rekening gehouden, niet alleen met het aantal lestijden dat leerlingen krijgen, maar ook met de noemers voor de leerkrachten, dus met hoeveel uur per week een leerkracht les geeft?

Als je al die zaken verwerkt, dan kom je misschien wel tot andere resultaten. Precies. Ik had u een aantal bedenkingen horen maken over onder andere de minimumpakketten en dergelijke meer. Dat alles heeft ook een invloed.

Minister Hilde Crevits

Ze nemen alle personeelsleden en zetten die om in voltijdsequivalenten. Dan kom je natuurlijk tot een heel lage ratio. Dat is ook logisch. Alle andere taken zitten daar mee in.

Ann Brusseel (Open Vld)

Niet alleen zitten alle andere taken daar mee in, in veel ons omringende landen hebben leerlingen nu eenmaal minder lesuren per week in het secundair onderwijs. Dat maakt toch ook al een groot verschil, denk ik. Ik ga niet zeggen dat ik dat geen zinvolle berichtgeving van het IMF vind, maar ik vind dat eigenlijk niet voldoende onderzocht om daar als belangrijke instelling zulke uitspraken over te doen. We moeten het natuurlijk hebben over de aanwending van middelen en of dat voldoende transparant gebeurt. Daarover ben ik het eens met collega Daniëls. Die transparantie is belangrijk. Als dit echter volgens het IMF te veel kost, dan denk ik dat we ook een heleboel andere dingen moeten bekijken.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Daniëls, u had nog gevraagd hoe dat wordt aangewend. Er is natuurlijk vrije aanwending. Als we daar vanaf nu een zicht op willen hebben, dan moeten we dat mee opnemen in onze rapporteringsverplichtingen voor de scholen. Het is dus niet zo simpel om van elke school te weten hoe dat precies allemaal wordt aangewend.

Mevrouw Brusseel, toen ik de onderwijsaanbevelingen van het IMF zag, heb ik eens diep gezucht. Ze hebben dat immers natuurlijk op dezelfde manier berekend als de OESO. We hebben daar al uitgebreid over gedebatteerd hier. Ik weet ook niet of het IMF het ook zo gratuit heeft bedoeld, zo van: voilà, je haalt geen betere resultaten en er zijn te veel leraren. Dat was een beetje kort door de bocht, denk ik zo persoonlijk.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Ik denk niet dat we extra dingen moeten opvragen, want we hebben natuurlijk het formulier PERS 2, waarin de opdrachten van leerkrachten worden opgegeven tot op het niveau van graad en vak. Met andere woorden, daar is op zich geen probleem mee. Wel is de vraag natuurlijk of leerkrachten daadwerkelijk doen wat er op dat formulier staat dat scholen invullen. Dat is een beetje de vraag waarmee we zitten, de vraag van wat er op papier in de werkstations zit versus wat leerkrachten doen, wat het personeel doet. Dan kom ik inderdaad bij de draagkracht van leerkrachten en scholen en de terechte bedenkingen die collega Brussel heeft bij de manier waarop het IMF tot deze cijfers is gekomen. Dat was de initiële vraag en daarover hebben we daarnet gesproken.

Ik meen echter dat we voor bepaalde zaken moeten durven te bekijken hoe middelen worden ingezet of afgewend voor andere taken, op andere niveaus, op andere plaatsen enzovoort. Dat is eigenlijk enigszins de kernvraag. Als ik echter vaststel dat we in 2012 52,7 miljoen euro hebben bijgestoken om kleinere klassen te maken, op vraag van het basisonderwijs, en in die klassen is niet veel veranderd, dan vraag ik me enigszins af waar die uren en die middelen dan heen zijn. Dat is dus toch een vraag die een beetje blijft hangen. De initiële insteek voor deze vraag, maar ik zal ze misschien dan nog op een andere manier stellen, was dat we daar misschien wat meer zicht op zouden moeten krijgen.

Aan de collega’s die denken dat mijn vraag geïnspireerd was door besparingsdrang, kan ik zeggen dat dit zeker en vast niet zo is. Het zou kunnen dat die collega’s uit andere cenakels van hun partij andere signalen horen, maar bij ons in elk geval niet. Er is uiteraard vrije aanwending, maar als er dan kritiek komt omdat klassen te groot zijn, dan zullen wij uiteraard wel meteen de vraag stellen hoe de middelen worden gebruikt.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.