U bent hier

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, nog voor het einde van dit schooljaar zal er een proefproject worden opgestart om leerlingen van het zesde jaar secundair onderwijs te helpen met het maken van een goede studiekeuze. Experts van verschillende instellingen zullen werk maken van één – en daar ben ik al blij mee – test die zal peilen naar de interesses, vaardigheden en motivatie van deze leerlingen.

Momenteel is er bij de UGent de SIMON-test, die al wat jaren draait, een stevige validatie achter de rug heeft en meerdere domeinen en inhoud bevat. Bij de KU Leuven is er de LUCI-test, die iets minder ruim is en wat meer op taal focust, wat ook niet onbelangrijk is. Bij de KU Leuven bestaat er ook de LEMO-test en de LASSI-test. De benamingen laat ik over aan de instellingen die ze gekozen hebben.

Die ene test wordt ontwikkeld door experten van de UGent, Universiteit Antwerpen, KU Leuven en de Arteveldehogeschool en zal Vlaanderenbreed worden uitgerold. De proef voor leerlingen uit het zesde jaar secundair onderwijs zal peilen naar de voorkeursrichting van de leerling en – en dat is echt belangrijk – testen of de leerling voor die bepaalde richting ook de nodige taal- en analytische vaardigheden heeft. Daarnaast zal gekeken worden naar de motivatie van de jongere en naar zijn of haar studiemethode.

Minister, collega’s, mijn partij en ikzelf hebben er al geregeld voor gepleit dat die oriënteringsproef cruciaal is in een oriënteringstraject om de slaagkansen in het hoger onderwijs te vergroten en er dus voor te zorgen dat de studenten zo snel mogelijk op de juiste plaats zitten en dat er zo min mogelijk middelen van ouders, maatschappij en student verloren zouden gaan. Daaraan wil ik nog iets toevoegen. De docenten in het hoger onderwijs krijgen vanuit de instelling de opdracht om ervoor te zorgen dat de studenten slagen – wat in sommige gevallen nagenoeg onmogelijk is – en dat die leerlingen nog een tijd meedraaien in het hoger onderwijs. Als dat niet lukt, komen zij opnieuw terecht in het secundair onderwijs, in het zevende jaar. Je moet je dat voorstellen: 22- of 23-jarigen die opnieuw terechtkomen in de setting van het secundair onderwijs. Dat is voor die leerlingen en voor de leerkrachten waarbij ze terechtkomen geen evidente zaak.

Minister,  in het verleden antwoordde u dat tegen Pasen 2016 – die echt iconisch begint te worden – een instellingsneutrale proef zou worden uitgetest op leerlingen uit het vijfde en zesde jaar secundair onderwijs. Tijdens die plenaire vergadering waarop ik u een actuele vraag stelde, op 30 juni 2015, gaf u ook aan dat de andere proef, de instapproef of niet-bindende toelatingsproef voor de STEM-richtingen en alle lerarenopleidingen, tegen de start van volgend academiejaar klaar zal zijn.

Minister, zal deze instellingsneutrale oriëntatieproef worden getest met leerlingen uit het vijfde of uit het zesde jaar secundair onderwijs? Ik stel die vraag bewust. In het Masterplan Secundair Onderwijs hebben we gesuggereerd om dat in het vijfde jaar in te richten, omdat leerlingen in het zesde jaar nog wat kunnen manoeuvreren en tandjes bijsteken. Uit die SIMON-test komen namelijk soms richtingen naar voren die leerlingen in eerste instantie niet hadden verwacht. Hoe ziet u dat juist: in het vijfde of zesde jaar?

Welke scholen en studierichtingen zullen hiervoor worden geselecteerd en hoe zal die selectie verlopen?

Wat is de reden dat de andere Vlaamse universiteiten, zoals de VUB en UHasselt, en andere hogescholen niet betrokken zijn bij de ontwikkeling van die proef? Ik zal een stoute vraag stellen: zullen zij allen aanvaarden dat de proef die wordt ontwikkeld door die instellingen ook de proef is die zij zullen afnemen?

Hoe zal de concrete samenwerking tussen de partners van het hoger onderwijs exact verlopen?

Houdt u nog steeds vast aan de timing van de invoer van de intakeproef en de niet-bindende toelatingsproef?

Op welke manier en door wie wordt die momenteel ontwikkeld?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Volgend schooljaar komt er aan het einde van het secundair onderwijs een oriënteringsproef. Dat is al een tijdje geleden aangekondigd. In 2013 kunnen we hierover al lezen in het Masterplan Hervorming Secundair Onderwijs: “Er wordt een niet-bindende oriënteringsproef ingevoerd, die naast kennis ook attitudes bevraagt. Die proef wordt ruim voorafgaand aan de instap in het hoger onderwijs afgenomen, bijvoorbeeld aan het einde van het vijfde jaar, als onderdeel van een globaal begeleidingstraject.”

Vervolgens zien we een volgende verwijzing in de beleidsnota Onderwijs. Het gaat om een “verplichte, niet-bindende oriënteringsproef, in overleg met de betrokken onderwijspartners, zodat leerlingen een goed zicht krijgen op hun verdere mogelijkheden”. Verder staat er nog: “Ze vormt naast de Onderwijskiezer en de jaarlijkse studie- en informatiebeurzen een belangrijk instrument in de studie- en beroepskeuzebegeleiding.”

Verdere concrete informatie konden we vernemen we via de recente beleidsbrief Onderwijs. Daarin kondigde u een prototype van de oriënteringsproef aan. Een testgroep van leerlingen uit de derde graad secundair onderwijs zal worden samengesteld. U benadrukte nogmaals dat de proeven verplicht en niet-bindend zouden zijn, en steeds als onderdeel van een groter oriënteringstraject.

Intussen deelde de minister-president via de Septemberverklaring mee dat “de realisatie van de niet-bindende oriëntatieproef in het secundair onderwijs, tegen de paasvakantie van 2016,”  – die volgens de heer Daniëls iconisch zal zijn – “onze eerste grote uitdaging zal zijn”.

Enkele dagen geleden nog, op 23 februari, verwees een artikel op www.deredactie.be naar de op handen zijnde oriëntatieproef, uitgebouwd door experten van UGent, KU Leuven, Universiteit Antwerpen en de Arteveldehogeschool. All happy together. Terecht wordt dit een titanenwerk genoemd omdat er een omvangrijke database moet worden gebouwd.

Toen ik mijn vraag indiende, waren we vier weken van de paasvakantie verwijderd. Met enige speelruimte zouden we ook de periode onmiddellijk volgend op die vakantie erbij kunnen halen. Concreet betekent dit dus dat dit prototype binnen vier tot zes/zeven weken zal worden uitgetest.

Onze fractie is voorstander van deze oriënteringsproef, mits deze verplicht is voor iedereen, niet-bindend, en gevalideerd. De examenresultaten aan het einde van het secundair onderwijs vertellen immers onvoldoende over de competenties van de leerling om universitaire studies tot een goed einde te brengen. Een oriënteringsproef kan hierin de lacune invullen. De focus ligt daarbij op de drop-out van studenten hoger onderwijs en hoe dit te voorkomen, maar dit is enkel mogelijk mits een goed onderbouwde test waarvan de resultaten ook gemonitord en gevalideerd worden. Een oriënteringsproef zoals SIMON bijvoorbeeld voorspelt niet zozeer of een student zal slagen, maar wel of hij of zij niet zal slagen. Dat is een belangrijk onderscheid. De proef peilt naar competenties en motivaties.

Naast SIMON, in 2011 ontwikkeld aan de UGent, bestaat er nog een andere test, LUCI van de KU Leuven. In alle gevallen is de ontwikkeling en de toepassing van zo’n oriënteringstest een arbeidsintensief en ingewikkeld proces. Voor de validering moet men immers een cohorte studenten doorheen de volledige studieloopbaan volgen, om te zien of die voorspellende waarde effectief goed is. Noch in de media, noch in de beleidsteksten kunnen we echter opmaken hoe dit proefproject over enkele weken in de praktijk zal worden toegepast.

Minister, ik heb voor u de volgende vragen. Wat is de juiste omvang van het ‘prototype’: hoeveel scholen en leerlingen zullen worden betrokken? Werden deze al geselecteerd en voorbereid op het maken van dat prototype? Is het de bedoeling dat deze leerlingen een jaar lang worden gemonitord? Zo ja, kunt u bevestigen dat na afloop van de monitoring van de pilot de resultaten bekend worden gemaakt? Werd reeds nagedacht over het aspect privacy van de leerlingen die aan het ‘prototype’ deelnemen en, in veel gevallen, op dat moment nog minderjarig zullen zijn? Welke zijn de concrete praktische, inhoudelijke en financiële afspraken tussen de vier genoemde partners, zijnde UGent, KU Leuven, UAntwerpen en Arteveldehogeschool? Is de vooropgestelde timing van het ‘prototype’ met Pasen en de definitieve toepassing in het schooljaar 2016-2017 nog realiseerbaar? Is er personeel aangesteld om de oriënteringstest te monitoren en indien zo, onder welke financiering? Of kregen de betrokken instellingen hiervoor rechtstreeks de nodige middelen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, voorafgaand wil ik het volgende zeggen. Ik ben blij met de manier waarop de vragen gesteld zijn. In het regeerakkoord staat inderdaad dat er een verplichte niet-bindende oriëntatieproef moet komen, maar die proef staat natuurlijk niet op zich. Die maakt deel uit van een globaal oriënteringstraject van jongeren. De bedoeling is niet om daar nu zo gewoon één bouwsteen te maken, maar wel om een instrument te ontwikkelen dat jongeren versterkt in de studiekeuzes die ze moeten maken. U hebt dat beiden gezegd, en ook collega Soens heeft dat gezegd.

Voor mij is het belangrijk dat zowel de toelatingsproef als de oriëntatieproef integraal deel uitmaakt van het brede studiekeuzetraject, samen met veel zaken die nu al bestaan, zoals de beoordeling door de klassenraad, en het oriënteringstraject van het lager tot het einde secundair.

Ik zeg dit voorafgaandelijk omdat ik wil vermijden dat de perceptie ontstaat dat enkel die proeven de aandacht verdienen. Dat zou immers zeer onterecht zijn. Zo’n proef zal ook nooit in de plaats kunnen komen van wat jongeren zelf ontdekken op infodagen, op SID-in-beurzen, in gesprekken met medeleerlingen, ouders, leerkrachten en leerlingenbegeleiders, en in adviezen van de klassenraad. Het is dus een bijkomende bouwsteen, die complementair is aan alle andere geleverde inspanningen. 

Zowel in het regeerakkoord als in het Masterplan Secundair Onderwijs – dat heeft mevrouw Brusseel zeer goed opgemerkt – staat dat er zo’n oriënteringsproef moet komen in het secundair onderwijs. Over die proef wordt al heel lang gedebatteerd. Op de website van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) kunt u zien dat het dossier minstens teruggaat tot een advies uit 2010. Het is dus duidelijk dat de studiekeuze naar het hoger onderwijs een heel belangrijk, maar ook delicaat gegeven is. Dat is ook logisch, want het gaat over een van de belangrijkste keuzes in het leven.

Onlangs was er een enquête waarin aan mensen werd gevraagd wat het belangrijkste in hun leven is. Men zou dan kunnen denken dat er antwoorden komen als ‘mijn relatie’ of ‘de geboorte van mijn kinderen’. Uit die enquête bleek echter dat de studiekeuze als meest impactrijke beslissing naar voren kwam. We mogen dat dus zeker niet onderschatten.

Waar staan we dan vandaag? Er is nu een duidelijke visie. Die is hier ook geuit. De experten van de bestaande instrumenten bundelen hun expertise in één project. Collega Daniëls, ik kan dan ook meteen al antwoorden op uw vraag in verband met de projectstructuur. Voor de ontwikkeling van het instrument werken we samen met de VLUHR, waarin alle universiteiten, hogescholen en associaties vertegenwoordigd zijn. Het is dus een gezamenlijk project van heel het hoger onderwijs. Binnen de VLUHR is er een commissie die het geheel overziet, met twee voorzitters: een namens de hogescholen en een namens de universiteiten.

Voor de concrete uitvoering van het project heeft de VLUHR zelf de taken verdeeld over vier partners, omdat daar nu eenmaal de experten ter zake zitten. Het gaat dan met name om de KU Leuven (LUCI), de Universiteit Gent (SIMON), de Universiteit Antwerpen (LEMO) en de Arteveldehogeschool (klaarvoorhogeronderwijs.be). Het is dus niet zo dat ik die vier partners gekozen heb. Het is de VLUHR die die keuze heeft gemaakt.

Voor dit project voorzien we ook in middelen. In de periode 2014-2015 is al een subsidie van 150.000 euro toegekend voor de visieopbouw en de voorbereidende stappen. Voor de concrete implementatie in 2016 voorzien we nu opnieuw in 200.000 euro. Ook in de komende jaren zullen we telkens moeten bekijken wat er nodig is voor de verdere uitbouw van het instrument.

Collega’s, het gaat om subsidies aan de VLUHR. Ik benadruk dat de experten daar efficiënt werken. Het is ook binnen de VLUHR dat de middelen verdeeld worden. Dat is dus niet mijn beslissing.

De betrokkenheid is bijzonder groot. Rondom het eigenlijke project en de subsidie wordt ook nog heel wat werk verzet. Ik verwijs in dit verband naar het SOHO-platform (secundair onderwijs - hoger onderwijs), dat de link maakt tussen het secundair en het hoger onderwijs. Dat SOHO-platform is opgericht binnen de Vlor. Daarin zitten vertegenwoordigers namens het leerplichtonderwijs, de leerlingenbegeleiding, de leerlingen, de studenten, de ouders, de vakorganisaties en mijn eigen administratie.

Dan kom ik bij het proces. Waar staan we nu vandaag? Collega’s, ik ga nu ook de data meegeven. Dat brengt het risico met zich mee dat het niet lukt, maar ik ga er uiteraard van uit dat het wel lukt.

De experten zullen definitief klaar zijn om vanaf 18 april het instrument ter beschikking te stellen van de scholen die deelnemen aan de proefdraai. Hiermee garanderen we effectief – zoals we ook beloofd hebben – dat de proefdraai dit schooljaar plaatsvindt, zodat er volgend jaar alweer een volgende stap kan worden gezet.

Afhankelijk van de stand van de maan kan Pasen vallen tussen 22 maart en 25 april. Dit jaar valt Pasen vroeg, namelijk op 27 maart. Als de experten hun instrument openstellen vanaf 18 april, is dat dus nog binnen het theoretische kader. Collega Daniëls, we kunnen dus met enige creativiteit zeggen dat de timing gehaald wordt.

Veel belangrijker natuurlijk dan de stand van de maan is wat dit alles nu concreet inhoudt. Wat dat betreft hakken de experten op dit moment de laatste knopen door.

Wat kan ik u meegeven? De proefdraai test de ontwikkelde vragenbatterij bij laatstejaars uit het secundair onderwijs, dus niet bij vijfdejaars. De vragenbatterij is het resultaat van een integratie-oefening van instrumenten die al bestaan in het hoger onderwijs: SIMON (Studievaardigheden en -Interesse monitor), LUCI (Leuvens universitair competentie instrument), LEMO (Leerstijl en motivatietesten), klaarvoorhogeronderwijs.be. Het is natuurlijk van belang dat de studenten de nodige kennis hebben verworven om die proeven goed te kunnen doen. In het vijfde jaar is dat anders dan in het zesde jaar.

Blijft het de bedoeling om een test te maken die toepasbaar is in het vijfde middelbaar? Als je het mij vraagt, is het eigenlijk ideaal om op het einde van het vierde jaar al zoiets te doen, want dan maak je de studiekeuze voor de laatste graad.

Nu gaan de experten dus na hoe die geïntegreerde lijst en alles wat er al bestaat bij hogescholen en universiteiten, effectief kan werken bij leerlingen van het secundair onderwijs. Ze zullen vervolgens ook monitoren hoe die leerlingen het doen in het hoger onderwijs. Collega Brusseel, u hebt heel terecht opgemerkt dat men zo’n test kan maken, maar dat je er ook voor moet zorgen dat er een studielijn is. Wat kiezen ze en hoe slagen ze? Je kunt niet valideren als je niet controleert. We moeten dus correcte feedback kunnen laten geven aan toekomstige deelnemers over wat de perspectieven zijn.

Het is de eerste keer dat zoiets gebeurt in het secundair onderwijs. Onderschat de discussie niet die daarmee gepaard gaat. Onderschat ook de inspanningen niet die nodig zijn om iets te maken wat valideerbaar is. Ik bespaar u de details, maar het zijn geen terreindiscussies, maar fundamenteel inhoudelijke discussies om iets te maken dat kwalitatief sterk is.

De bedoeling is dat leerlingen bekwamer worden om een goede keuze te maken. Het instrument moet hun dus helpen bij wat de vakliteratuur definieert als ‘zelfconceptverheldering’. Het instrument zal daarom inhoudelijk drie componenten omvatten: interesses, de belangstellingsgebieden; cognitieve vaardigheden als redeneren, taal, wiskunde; en niet-cognitieve vaardigheden als motivatie, studiehouding, leervaardigheid, zelf-effectiviteit.

Het zal gaan om een digitale test via een afgesloten website. In de fase van de proefdraai is het zeker niet de bedoeling om de vragenlijsten al publiek open te stellen. Het is niet de bedoeling dat leerlingen de test alleen thuis maken, maar onder begeleiding op school. In totaal denken de experten dat daar drie uur voor nodig is, maar ze zorgen voor een modulaire opbouw. De verschillende componenten kunnen dus ook apart afgenomen worden. Dat biedt eveneens meer mogelijkheden naar praktische organisatie. Het kan ook zijn dat uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst korter kan.

Scholen kiezen zelf wanneer ze de proef precies afnemen. Voor de proefdraai zouden de experten hem openstellen tot eind mei. Ik merk ook op dat deze timing nu gebruikt wordt voor de proefdraai, maar dat betekent niet dat de uiteindelijke proef altijd rond Pasen zal vallen. Het bepalen van het meest geschikte moment maakt deel uit van het onderzoek. Ook de vraag of de proef finaal het best op het einde van het vijfde of in het begin van het zesde jaar komt, wordt mee besproken door het SOHO-platform van de Vlaamse Onderwijsraad, dat specifiek waakt over de inbedding in het traject. Het hoeft ook niet overal hetzelfde te zijn: de proef is pas echt een meerwaarde als hij complementair kan worden ingezet binnen de trajecten die nu al bestaan rond studiekeuzebegeleiding zoals de CLB’s het graag noemen. Het zou kunnen dat je één component, bijvoorbeeld belangstellingsgebieden, vroeger laat plaatsvinden en het kennisdeel later. Het is allemaal mogelijk en wordt nu net getest.

De proefdraai zelf zal nog geen rechtstreekse feedback geven aan de deelnemers. Waarom niet? Op basis van die proefdraai moet immers worden nagegaan of die vragenlijst goed is, relevant, niet te lang, niet te kort. Geen feedback is beter dan slechte feedback. Geen enkele studiekeuze is gebaat bij adviezen die nog niet gevalideerd zijn. De experten zullen wel met deelnemende scholen in overleg gaan over hun ervaringen met het instrument. In de toekomst is het wel de bedoeling dat men onmiddellijk feedback over de proef krijgt, maar nu nog niet. Er is dus wel feedback gepland op het niveau van de school, maar nog niet op het niveau van de individuele leerling. Voor de school is dat een meerwaarde omdat ze eruit kunnen leren voor het traject dat ze al hebben rond studiebegeleiding. Voor de feedback aan de leerlingen zelf wordt een module gebouwd die volgend jaar in de tweede versie van het instrument zal zitten.

De proefdraai zal gebeuren bij een steekproef van leerlingen uit het laatste jaar. Dat heeft methodologische redenen: die leerlingen kun je onmiddellijk het jaar erop volgen in het hoger onderwijs. Indien je de proefdraai doet bij vijfdejaars, dan moet je twee jaar wachten, en loopt de verdere uitwerking vertraging op.

Om het instrument goed te kunnen valideren, is een representatieve steekproef nodig. De experten trekken die steekproef volgende maandag samen met mijn administratie. Ze hebben een statistische verdeling gemaakt die rekening houdt met de verschillende provincies, netten, onderwijsvormen (aso, bso, kso, tso), schoolgrootte, stad/platteland. Op basis van die verdeling zal dus een lijst van scholen getrokken worden uit onze databanken met een leerlingenpopulatie die beantwoordt aan de verschillende criteria. Die scholen zullen dan zeer kort daarop een uitnodiging krijgen om eind april mee te doen met een aantal klassen. De scholen worden dus actief benaderd om deel te nemen.

De experten mikken op een steekproef van 8000 leerlingen. Dat is ambitieus. Het is echter nodig om vrij ruim te gaan, want men wil zoveel mogelijk verschillende vervolgtrajecten kunnen monitoren. Het instrument moet in de toekomstige feedback immers terugvallen op de correlatie tussen de proefresultaten, de gemaakte studiekeuze en het studiesucces in het eerste jaar hoger onderwijs.

Om de validering te kunnen doen, moet je de gegevens uit de proefdraai koppelen aan de latere gegevens uit het hoger onderwijs. Daarvoor moet je leerlingen dus op individuele basis volgen. Uiteraard gebeurt dat in het kader van het onderzoek en dus geanonimiseerd en in alle confidentialiteit. Het doel is niet om individuele trajecten te onderzoeken maar om statistisch geaggregeerde informatie te verzamelen. De onderzoekers hebben daarin hun deontologie.

Om de monitoring te doen, moet je ook toestemming vragen van de deelnemers. Dat zal ook gebeuren: bij de proefafname zullen zij ermee moeten instemmen dat hun gegevens anoniem verwerkt worden in het verdere onderzoek. Het gaat inderdaad om minderjarigen: dus ook de ouders zullen de kans krijgen om te reageren indien ze dit niet wensen. Specifiek hierover zitten de experten samen met deskundigen ter zake van mijn administratie, in de schoot van een van de subwerkgroepen van het Vlor-platform.

Ik herhaal dat deze proef voor mij niet alleen het studiekeuzeproces moet versterken, maar ook een emancipatorische waarde moet krijgen in de toekomst namelijk dat je elke leerling de kans geeft om zo’n proef te doen. Het kan een bijkomende hefboom zijn om niet alleen jongeren juist te oriënteren maar ook om jongeren die de kans niet zouden hebben om verder te studeren, nog eens extra attent te maken op de kansen en de mogelijkheden die ze hebben.

Ook voor de toelatingsproef proberen we de aangekondigde timing te behouden. Naar aanloop van volgend academiejaar zullen studenten die willen starten met een lerarenopleiding al een proef moeten doen.

Die proeven worden momenteel ontwikkeld binnen projecten van de Vlaamse Hogescholenraad voor de lerarenopleidingen en de Vlaamse Interuniversitaire Raad voor de ingenieursopleidingen. Beide kregen daarvoor een subsidie van 75.000 euro. Ook hier wordt er gewerkt op basis van componenten die al bestaan. Ik heb zelf de keuze gemaakt om alles wat al bestaat, te hergebruiken en te laten valideren in plaats van opnieuw het warm water uit te vinden.

Ook de ontwikkeling verloopt stapsgewijs met een proefdraai en vervolgens een stapsgewijze veralgemening. Voor de lerarenopleiding gebeurt die proefafname ook binnenkort bij de huidige eerstejaars. Het gebeurt zo bij iedereen die start in de opleiding. Vanaf de jaren daarna moet de proef worden afgelegd door iedereen die overweegt om de opleiding te starten. Voor de ingenieursopleidingen gaan de ijkingstoetsen van start.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Het is goed dat de timing wordt gehaald en dat hier effectief werk van wordt gemaakt. De oriënteringsproef is uiteraard een cruciaal element in het oriënteringstraject. Ik weet dat sommigen daar vragen bij stellen, maar ik zie opportuniteiten omdat er studierichtingen uit komen waar studenten eerst niet aan gedacht hadden. Dat is belangrijk. Er komen plots ook andere opleidingen in het perspectief.

Dat er discussies bezig zijn over wat er in de proef moet komen, kan ik me goed inbeelden. De merites van de bestaande proeven zoals SIMON die zich vooral op het cognitief-psychologische vlak bevinden, mogen niet naar de achtergrond verdwijnen om meer sociologische benaderingen te krijgen in de oriënteringsproeven. Ik hoop dat de experts die zijn aangeduid, wel degelijk gaan voor een zeer valide instrument dat zijn degelijkheid in het verleden al heeft bewezen. Die instrumenten moeten nog versterkt worden. Zullen de universiteiten informatie uitwisselen van studenten om op die manier de validering van die ene proef te versterken? Zijn de universiteiten bereid om aan elkaar te laten zien hoe het loopt met hun studenten?

Er is ook nog de discussie over het leerkrediet. Er is het volledige oriënteringstraject. In het regeerakkoord is ook het leerkrediet opgenomen om aan te zetten tot snellere heroriëntering. Hoe ver staan we daarmee?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, dit is een complex dossier dat we heel nauwkeurig moeten bekijken. Ik heb nog enkele bedenkingen en bezorgdheden. Het is belangrijk dat men al een idee heeft hoe dit op technologisch vlak zal worden uitgebakend. Is er al iemand aangeduid – een IT-firma, onderzoeksgroep of technici – om die tool te ontwerpen? Als u wilt dat het systeem draait vanaf eind april, dan moet men daar al mee bezig zijn.

Wat de financiering betreft, is het belangrijk dat de VLUHR een goede verdeling maakt. Op de onderzoeksgroepen van bijvoorbeeld de UGent zijn ook mensen nodig om die testfase te begeleiden. Het kost inderdaad wel wat geld om daar voltijdse onderzoekers op te zetten.

Er wordt gekozen voor de laatstejaars en ik heb daar geen probleem mee. Men moet niet bang zijn om het ook al in een vijfde jaar te doen. Een heleboel vragen vloeien niet voort uit leerstof van de derde graad, maar van de eerste en tweede graad.

De heer Daniëls zal het zich herinneren. We waren allebei aanwezig bij de voorstelling van de SIMON-test. Veel vragen wiskunde uit de eerste graad konden door een heleboel leerlingen al niet meer beantwoord worden. We vonden dat frappant. De cognitieve vaardigheden zijn een zeer belangrijk luik in die tests.

Het is goed dat men werkt met een afgesloten website. Publieke vragenlijsten zouden de tool in geen tijd ondermijnen. Het zou niet lukken om lang proef te draaien met gekende vragenlijsten.

Ik heb wel enkele bedenkingen bij het feit dat er geen feedback gegeven zal worden. Daardoor kunnen een heleboel zaken niet worden getest. Je kunt niet testen of de proef een hefboom is voor studenten die weinig zelfvertrouwen hebben en na de feedback zeggen dat ze het toch zullen proberen. Zonder feedback is er geen zelfconceptverheldering. In de SIMON-test voer je in wat je interesses zijn, dan komen de cognitieve vaardigheden en dan de motivatie. Daarna gebeurt er een matching. Beantwoorden mijn cognitieve vaardigheden min of meer aan wat mij interesseert als toekomstige studierichting? (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Je kunt het inderdaad niet allemaal in één fase uitklaren. Daarom is het belangrijk een zekere feedback te krijgen aan het einde van de test. De test gebeurt anoniem en dat is goed in deze fase. Echter, als de studiekeuze totaal niet beïnvloed is door de test, hoe kunnen we dan het effect meten? Ik zit daarmee.

Er wordt een goede leerlingenpopulatie van 8000 leerlingen gevolgd. Ik hoop dat de timing wordt gehaald. Op IT-matig vlak moeten we dit niet onderschatten. Er is heel veel werk aan dergelijk systeem en ik hoop dat dit goed draait. De SIMON-test draait al enkele jaren. Het was handig geweest om gewoon die test te gebruiken. Daar zijn al een heleboel zaken gevalideerd: de voorspellende factor, de IT, het aanbod van studierichtingen enzovoort.

Ik hecht er belang aan dat het onderzoek gedurende enkele jaren degelijk kan worden gevoerd en dat de VLUHR beseft dat er een cohorte studenten moet worden gevolgd. Ik zou nog wel eens willen spreken met een aantal experten, want ik vind het moeilijk te geloven dat de test zonder feedback een goed beeld kan geven of ze al dan niet werkt.

Ik heb nog een vraag over de instapproef en de niet-bindende toelatingsproef. Stel dat we een niet-bindende oriënteringsproef doen op het einde van het secundair onderwijs en die wijst uit dat de interesse van de leerling ligt in de lerarenopleiding. Als die leerling dan een instapproef doet, dan zou het resultaat hetzelfde zijn, zo niet, zou dat heel raar zijn en krijgen we discussies over de waarde. Hetzelfde geldt bij de proeven voor de STEM-richtingen.

Het lijkt me wel belangrijk dat die op elkaar zijn afgestemd en bijgevolg, al druk ik het wat lapidair uit, dat onze oriënteringsproef niet te gemakkelijk is. Anders dreig je situaties te krijgen waarbij leerlingen in de oriëntering worden toegeleid naar een aantal studierichtingen en dan bij de desbetreffende instelling op basis van de toelatingsproef te horen krijgen dat het toch niet zo’n goede match is. Mijn bijkomende vraag is dus: op welke manier worden die twee proeven op elkaar afgestemd?  

Minister Hilde Crevits

Collega Daniëls, dat is een zeer terechte opmerking. Misschien daarom zou het ideaal  zijn dat de oriëntatieproef niet op het einde van het zesde middelbaar gebeurt, amper een paar maanden vóór de instapproef in het hoger onderwijs. Tijdsmatig wordt dat idealiter wat uit elkaar getrokken. Nu kunnen we niet anders dan dat zo te organiseren, omdat we over een voldoende aantal leerlingen moeten beschikken die keuzes maken.

Collega Brusseel, was u hier vanochtend geweest, dan zou u weten dat ik al die zaken al toegelicht heb. Collega Daniëls heeft een aantal maanden geleden een vraag gesteld over SIMON. Ik heb toen geantwoord dat we de eerste modules van SIMON perfect kunnen gebruiken voor onze oriëntatietest. Maar SIMON gaat bijna uitsluitend over universitair onderwijs. Het is dus inderdaad een gevalideerd systeem, maar daar zitten geen, of bijna geen, hogeschoolrichtingen in. Het is dus niet volledig en we moeten maken dat we alles kunnen valideren.  Dat is nu nog niet mogelijk.

Ik vind het wel van belang dat elke leerling die de test doet feedback krijgt. Nu, tijdens het eerste jaar is het geen rechtstreekse feedback na de test, maar feedback die via de school aan de leerling kan worden gegeven. We hebben nu eerst een representatief staal nodig van leerlingen voor wie we moeten kijken welke keuze ze maken in het hoger onderwijs en in welke mate ze slagen voor de gekozen richting, om de juiste feedback te kunnen geven. Vanaf de volgende jaren, of laten we dat fase twee noemen, zal iedere student sowieso onmiddellijk feedback moeten krijgen. Dit moet nu opgebouwd worden. Het heeft geen zin feedback te geven die verkeerd zou zijn. Alle onderzoekers zijn het erover eens dat je in de eerste fase moet doen wat we nu doen. De volgende stap is kijken naar de resultaten, de keuzes vergelijken met de succesvolle trajecten en op basis daarvan zullen we fatsoenlijke en gevalideerde feedback kunnen geven.

Wat de testfase en de begeleiding betreft, wordt er binnen de werkgroepen gesproken over eventuele budgettaire noden en hoe ze op te lossen. Ik vind het van belang dat maximaal de expertise gebruikt wordt die er al is, zoals LUCI, Lemo en LASSI.

In verband met het online-platform heb ik begrepen dat nu de vragenlijsten van de Karel de Grote Hogeschool zal worden gebruikt. Het is de bedoeling dat in de toekomst onderwijskiezer.be het digitale platform kan worden. Daar wordt aan gewerkt, er worden ook middelen voor vrijgemaakt. Het belangrijkste is dat we nu gaan testen of wat we opgebouwd hebben, goed is, of het kan worden gevalideerd en of we ermee aan de slag kunnen.                                          

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, u sluit uw betoog af met een diepe zucht. Daaruit leid ik af dat dit geen evident dossier is. Ik begrijp dat: het is nieuw in ons hoger onderwijs en misschien zullen er allerlei zaken naar boven komen. Mogelijks komen verschillen tussen scholen, instellingen voor hoger onderwijs of tussen netten duidelijker aan het licht, zoals met de SIMON-test. Mogelijks is er een invloed op de keuzes die zullen worden gemaakt, bijvoorbeeld, dat minder studenten naar de universiteiten zullen gaan en meer naar de hogescholen of vice versa.

Als we doordenken over de financiering is dit dan ook waarde-geladen. Ik ben blij dat we ermee doorgaan, in het belang van de leerlingen, van de ouders, van  de maatschappelijke financiën en van de docenten, zowel aan de universiteiten als in de hogescholen. Dit is op meerdere vlakken een win-winsituatie en ik kijk uit naar de resultaten van die pilootprojecten. Uiteraard zal dat niet van vandaag op morgen definitief in orde zijn, maar het moet de ambitie zijn van deze regering om in de loop van deze legislatuur alles gevalideerd te krijgen, zodat we hiermee op kruissnelheid geraken en we niet langer dan nodig met de talenten van de toekomst ronddwalen op zoek naar de juiste richting of opleiding.                  

De voorzitter

Mevrouw Brussel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik heb daarnet al mijn bekommernissen verwoord. We zullen dit dossier verder aandachtig opvolgen. Ik hoop dat men binnen de VLUHR oor zal hebben voor de experts die tot hiertoe het werk geleverd hebben. Ik heb het over de mensen die initieel aan die testen gewerkt hebben. Als daar ondertussen mensen aan dat team zijn toegevoegd, hoop ik dat ze rekening zullen houden met de expertise, bijvoorbeeld van professor Duyck, of van het team dat LUCI heeft opgesteld. Daar hecht ik veel belang aan.   

Minister Hilde Crevits

Collega’s, het is misschien niet gebruikelijk, maar tot slot wil ik wel zeggen dat ik enorme appreciatie koester voor de manier waarop daar inhoudelijk aan gewerkt wordt. Het is inderdaad geen gemakkelijk dossier en wat we doen, is baanbrekend.

Ik ben blij dat niemand hier dat debat gaat vulgariseren of doen alsof het gemakkelijk is om zo’n testje uit de mouw te schudden. Het is een zeer delicate oefening en alle professoren zijn daar zeer ernstig mee bezig. De discussies gaan enkel over hoe we leerlingen meer kansen kunnen geven en hoe je dat op een gedegen manier kan doen. Als collega Daniëls vreest dat er mogelijks zaken naar boven zullen komen, ben ik blij dat hij op het einde van zijn betoog onderstreept heeft dat we dat niet doen om scholen met elkaar te vergelijken, maar wel om het keuze- en kansenproces van leerlingen te versterken.

Eén zaak is nog niet aan bod gekomen, namelijk de vraag hoe we die proef gaan noemen. Sommigen stellen Salomon voor, wat in sommige andere kringen dan weer niet goed valt. Persoonlijk vind ik Geert of Hilde ook een valabel alternatief.                   

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.