U bent hier

Commissievergadering

donderdag 3 maart 2016, 10.00u

Voorzitter
van Björn Anseeuw aan minister Liesbeth Homans
1057 (2015-2016)
van Björn Anseeuw aan minister Liesbeth Homans
1180 (2015-2016)

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Voorzitter, minister, collega’s, mijn eerste vraag om uitleg gaat over de solidariteitsbijdrage voor sociale huurders. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het zo dat gezinnen die een woning huren van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM) of van een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), bovenop de normale huurprijs een toeslag moeten betalen als hun inkomen boven het toelatingsinkomen ligt.

De huurprijs in Brussel hangt af van de waarde van de woning, het gezinsinkomen, de samenstelling van het gezin en het al of niet gehandicapt zijn van sommige gezinsleden. De huurprijs wordt in sommige gevallen beperkt, in andere gevallen wordt hij verhoogd, onder meer wegens een ‘bovenmatige woning’, dat is een woning die op dat moment te groot is voor de huidige samenstelling van het gezin of wegens het gezinsinkomen dat op dat moment hoger is dan het inkomen dat recht geeft op een sociale huurwoning in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Die laatste verhoging wordt de solidariteitsbijdrage genoemd.

Minister, ik had graag van u geweten op welke manier zo’n solidariteitsbijdrage volgens u kan bijdragen tot een effectiever en rechtvaardiger beleid inzake sociaal wonen. Overweegt u om te onderzoeken of werken met een solidariteitsbijdrage effectief kan zijn? Of overweegt u nu al om zo’n solidariteitsbijdrage in te voeren, minstens voor de bestaande huurcontracten?

Mijn tweede vraag om uitleg betreft het solidariteitsfonds voor sociale huisvestingsmaatschappijen. De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden sociale huisvestingsmaatschappijen die een hoger dan gemiddeld aantal huurders met een laag inkomen tellen, een beroep kunnen doen op een solidariteitsfonds.

Dat solidariteitsfonds wordt gespijsd met de nodige middelen door bijdragen van de sociale huisvestingsmaatschappijen die een lager dan gemiddeld aantal huurders met een laag inkomen tellen. De sociale huisvestingsmaatschappij die een beroep wil doen op het solidariteitsfonds, moet eerst blijk geven van behoorlijk bestuur. De Vlaamse Regering bepaalt dan de berekeningswijze van de bijdragen en regelt de werkwijze van het fonds, dat wordt beheerd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW). Bij besluit van de Vlaamse Regering kunnen terugbetalingen in afwijking van een aantal bepalingen, geheel of gedeeltelijk worden toegewezen aan het solidariteitsfonds.

Vandaag wordt dit solidariteitsfonds echter niet toegepast. Wel is het zo dat via de gewestelijke sociale correctie (GSC) sociale huisvestingsmaatschappijen die structureel verlieslatend zijn, jaarlijks een financiële tegemoetkoming ontvangen van de Vlaamse overheid. Zo corrigeert de Vlaamse Regering vandaag al bepaalde onevenwichten doordat de huurinkomsten onder het Vlaamse gemiddelde liggen.

Minister, bent u van plan om het solidariteitsprincipe tussen verschillende sociale huisvestingsmaatschappijen verder uit te bouwen? En wenst u daarbij ook actief gebruik te maken van het solidariteitsfonds?

En meer algemeen: op welke manier wilt u met uw beleid bijdragen tot meer solidariteit tussen de verschillende sociale huisvestingsmaatschappijen?

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, mijnheer Anseeuw, net zoals bij de tijdelijke contracten, pleit u voor iets dat al bestaat in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ik moet u nog meegeven in het licht van de tijdelijke contracten die daar al bestaan, dat ze er nog lagere inkomensgrenzen hanteren dan wij. Voor een doorsneegezin met twee personen is de maximale inkomensgrens 27.500 euro, bij ons is dat 35.000 euro. En toch hebben ze daar de tijdelijke contracten een tijdje geleden al ingevoerd. Ik meen dus dat het een goede suggestie is.

Bovendien vind ik het ook heel goed dat de opbrengsten van de verschillende solidariteitsbijdragen door de maatschappijen moeten worden aangewend om renovatie- en nieuwbouwoperaties te ondersteunen. Ook dat zou een goede meerwaarde kunnen betekenen.

Concreet is er ook een advies van de Vlaamse Woonraad, dat weet u. En voor één keer kan ik me volledig vinden in een advies van de Vlaamse Woonraad, namelijk in dat van 28 januari 2016, waarin inderdaad de suggestie werd geopperd om te werken met een solidariteitsbijdrage. Uw redenering houdt steek. De tijdelijke contracten die ingevoerd zullen worden voor de nieuwe huurders, hebben inderdaad bepaalde beperkingen, zowel op het vlak van de inkomensgrenzen als van de rationele bezettingsgraad.

De zittende huurder heeft een al lopend contract en daarop zullen we niet ingrijpen. Die mensen worden dus niet uit hun sociale woning gezet. Bij de zittende huurder hebben we natuurlijk wel zoiets als de onderbezettingsvergoeding, die gaat over de rationale bezetting. We hebben geen systeem voor mensen die eigenlijk een te hoog inkomen hebben. Die mensen betalen natuurlijk wel een klein beetje hogere huurprijs aan de sociale huisvestingsmaatschappij, maar die dekt de lading niet.

Ik ben dus absoluut voorstander van een goed onderzoek, niet alleen om in te gaan op uw suggestie, maar om voor een keer ook eens heel vlot mee te gaan met het advies van de Vlaamse Woonraad. Volgens mij loont het wel degelijk de moeite om de discrepantie weg te werken die ontstaat tussen de nieuwe tijdelijke contracten en de lopende contracten.

Uw tweede vraag om uitleg betreft het solidariteitsfonds. U weet dat de Vlaamse Wooncode al een hele tijd geleden werd opgesteld, namelijk in 1997. Toen werd er inderdaad een bepaling opgenomen met betrekking tot een solidariteitsfonds. Door het feit dat de huurprijs inkomensafhankelijk is, betalen huurders met een hoger inkomen ook een hogere huurprijs.

Sommige sociale huisvestingsmaatschappijen hebben dus meer huurinkomsten dan andere, maar dat heeft natuurlijk te maken met hun cliënteel. Heel vaak heeft het ook te maken met de ligging of het werkingsgebied van de sociale huisvestingsmaatschappij. We weten allemaal dat het profiel van een sociale huurder in een stad meestal lager is dan dat van een sociale huurder elders.

Ik heb u dus het goede nieuws gegeven dat ik de solidariteitsbijdrage als principe goed vind en dat we die zeker zullen meenemen in alle lopende evaluaties. In verband met het idee van een solidariteitsfonds, meen ik dat het beter is om momenteel te blijven werken met de GSC.

Wil dat zeggen dat we die in de toekomst nooit zullen proberen te implementeren? Ik denk dat de GSC die werd ingevoerd om bepaalde sociale huisvestingsmaatschappijen op hun verantwoordelijkheden te wijzen, een goed instrument is. U weet dat vanaf het referentiejaar 2011 werd opgenomen dat er pas een GSC kon worden betaald na verrekening van positieve saldi die werden opgebouwd in de voorgaande vijf jaar. Hierdoor komt een sociale huisvestingsmaatschappij minder snel in aanmerking voor de GSC.

In het mechanisme van de GSC zijn momenteel voldoende controlesystemen opgenomen die ervoor zorgen dat de trekkers blijk geven van behoorlijk bestuur. Dat is goed en noodzakelijk. Het is iets dat we voor de hele sector trouwens ook controleren via Toezicht Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (RWO) en door middel van de visitaties. Bijna alle visitaties zijn afgerond. Dat kan heel leerrijke documenten opleveren om goede praktijken te kunnen uitwisselen tussen de sociale huisvestingsmaatschappijen.

Mijnheer Anseeuw, op uw tweede vraag om uitleg kan ik dus niet zo positief antwoorden als op uw eerste, waar ik wel laaiend enthousiast over was. Ik meen dat we de huidige GSC-regeling moeten behouden. Dat neemt niet weg dat we het solidariteitsfonds als concept kunnen meenemen in een onderzoek. Indien daaruit blijkt dat het een beter effect zou hebben op de sociale huisvesting, dan zal ik het zeker opnemen in de regelgeving.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, uw enthousiasme zo vroeg in de ochtend is aanstekelijk. Wat betreft de solidariteitsbijdrage denk ik inderdaad dat die voor nog meer rechtvaardigheid kan zorgen indien die op een goede manier wordt geïmplementeerd. Vandaar dat ik blij ben dat u wilt onderzoeken op welke manier dat kan.

Wat het Solidariteitsfonds betreft, wil ik voor alle duidelijkheid benadrukken dat het nooit mijn bedoeling is geweest om de gewestelijke sociale correctie van tafel te vegen. Mijn zorg bestaat voor een deel uit de idee dat er binnen een aantal SHM’s wel wat overschotten of middelen zijn. Het is een beetje een zoektocht naar de wijze waarop we die middelen kunnen activeren bijvoorbeeld voor het realiseren van grondige renovaties of van nieuwe woningen. Vanuit die betrachting stel ik de vraag. We zitten al lang met de idee van dat fonds: het wordt niet gebruikt, het bestaat eigenlijk alleen op papier. Vandaar mijn vraag op welke manier we ervoor kunnen zorgen dat die middelen bij sommige SHM’s kunnen worden geactiveerd. Het zou misschien nuttig zijn te weten waar hoeveel overschotten aanwezig zijn. Elke euro die we kunnen activeren, is een gewonnen euro, zeker voor de sociale woningbouw en de renovaties die echt wel nodig zijn en die intussen aan de gang zijn.

Mevrouw Taeldeman heeft het woord.

Valerie Taeldeman (CD&V)

Mijnheer Anseeuw, ik begrijp uw vraag eigenlijk niet zo goed. Ik dacht dat u de vraag had ingediend na het advies van de Vlaamse Woonraad over de aanpassingen aan de Vlaamse Wooncode waaraan gewerkt wordt. Binnenkort komen de ontwerpen van decreet over de Vlaamse Wooncode en het kaderbesluit Sociale Huur op de agenda van de commissie. Zoals in het regeerakkoord staat, is het de bedoeling om het systeem van tijdelijke huurcontracten in te voeren.

Iedereen heeft heel waarschijnlijk het advies van de Vlaamse Woonraad gelezen. Ik dacht dan ook dat u er met uw vraag voor pleitte om in de plaats van met tijdelijke huurcontracten te werken met een solidariteitsbijdrage. Aan wie veel verdient, zou dan een hogere huur of een solidariteitsbijdrage worden gevraagd.

Mijnheer Anseeuw, wat is nu precies de insteek van uw vraag? Aan de bestaande contracten zal niet worden geraakt. Wie momenteel in aanmerking komt voor een sociale huurwoning, zal levenslang kunnen huren, dat is nog altijd de bedoeling. Is het nu uw bedoeling om ook aan dat segment van de zittende huurders een solidariteitsbijdrage te vragen? U hebt het toch over diegenen die levenslang huren?

Minister Homans heeft het woord.

De Vlaamse Woonraad had in eerste instantie gepleit voor het niet halen van de contracten van bepaalde duur maar dat is nu eenmaal een beslissing die wij hebben genomen. Nadien heeft de woonraad een discrepantie aangekaart tussen de contracten die nu lopen van de zittende huurders waar we niets aan zullen veranderen. We willen de onderbezettingsvergoeding die allang is ingeschreven wel activeren.

De Vlaamse Woonraad heeft ook gezegd dat wanneer mensen met een overschot aan kamers wel worden geresponsabiliseerd of gesanctioneerd – hoe u het ook wilt noemen – dat ook moet gebeuren met zittende huurders die hun contract behouden en niet uit hun woning worden gezet maar die wel een te hoog inkomen hebben. Vandaar dat er een pleidooi was van de heer Anseeuw en van de Vlaamse Woonraad om die solidariteitsbijdrage die al lang bestaat in Brussel, ook in te voeren in de Vlaamse wetgeving zodat er meer billijkheid ontstaat tussen enerzijds de huidige contracten en anderzijds de contracten van bepaalde duur, de zogenaamde tijdelijke contracten die we zullen invoeren en die gebaseerd zijn op de rationele bezettingsgraad en op het inkomen. Dat was volgens mij de insteek van de vraag van de heer Anseeuw maar zeker ook de suggestie van de Vlaamse Woonraad.

Het goede aan die solidariteitsbijdrage is dat de SHM’s dan verplicht worden om die bijdrage opnieuw te investeren in energetische renovaties en het bijbouwen van patrimonium. Dat is iets wat we hier kamerbreed onderschrijven. Tot nu toe was er een discrepantie tussen beide systemen. Ik dank de Vlaamse Woonraad dan ook nogmaals hartelijk voor de zeer goede suggestie.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Mevrouw Taeldeman, het was helemaal niet mijn bedoeling om u in de war te brengen. Ik dacht dat ik in mijn vraag duidelijk het onderscheid had gemaakt tussen de tijdelijke huurcontracten die eraan komen en de zittende huurders. Ik weet niet of dat een afdoend antwoord is op uw vraag.

Zonder dat we ingrijpen in de bestaande huurmarkt moeten we zoeken naar meer rechtvaardigheid. Ik hoop dat dit voor u voldoende verduidelijkt.

Valerie Taeldeman (CD&V)

Mijnheer Anseeuw, ik dacht dat u na het lezen van het advies van de Vlaamse Woonraad een pleidooi wilde houden om de tijdelijke huurcontracten niet in te voeren en voor een solidariteitsbijdrage.

Björn Anseeuw (N-VA)

Zodra die ontwerpen hier op de agenda staan, zal ik u heel duidelijk maken wat ik vind van het advies over het tijdelijke huurcontract en welke kromme redeneringen daar eigenlijk in staan. De tijdelijke huurcontracten stel ik niet in vraag maar ik ben wel altijd op zoek naar meer billijkheid, ook ten aanzien van mensen met een tijdelijk huurcontract en van mensen met een contract van onbepaalde duur. Ik ben alleen maar op zoek naar rechtvaardigheid.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.