U bent hier

Commissievergadering

donderdag 25 februari 2016, 14.15u

van Kathleen Helsen aan minister Hilde Crevits
1024 (2015-2016)

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, we hebben hier allemaal samen het dossier van duaal leren opgevolgd. We hebben daarover heel wat hoorzittingen georganiseerd. Nu bereiden we de proefprojecten voor. Die zullen een tijdje lopen. Daaruit zal een decretaal kader voortvloeien. Naast de proefprojecten, waaruit op basis van een evaluatie conclusies zullen worden getrokken in de aanloop naar het decretale kader, is er ook nog het stelsel leren en werken. Wij mogen niet uit het oog verliezen dat ook daar een evaluatie is opgestart. Dat was ook decretaal verankerd. Die evaluatie moet uitwijzen hoe het nieuwe decreet met betrekking tot het stelsel leren en werken nu wordt geïmplementeerd, wat er de resultaten van zijn, en op welke manier we het stelsel kunnen optimaliseren. Wij moeten veel oog hebben voor de jongeren die vandaag in het stelsel terechtkomen en die al dan niet tewerkgesteld zijn. Een grote groep is echter nog niet arbeidsrijp. Wij moeten weten hoe wij hun een plaats geven, zowel binnen het onderwijs als op de arbeidsmarkt als in het welzijnsveld.

In het verleden zijn al een aantal knelpunten naar voren gekomen. Er zijn onvoldoende werkplekken. De oriëntering en de toeleiding gebeuren niet altijd optimaal. De schakels tussen de verschillende trajecten gebeuren niet daar waar dat aanvankelijk, bij het opmaken van het decreet, de bedoeling was. Daarom is het goed om bij de evaluatie, die al lang loopt, te bekijken wat daar precies als resultaat naar voren komt en hoe het beleid daarmee omgaat. Welke onvolkomenheden zijn er en welke stappen worden er nog gezet?

Minister, het is al een tijd geleden dat ik de vraag heb opgesteld. Mijn eerste vraag was of het evaluatierapport ‘Leren en werken’ openbaar kon worden gemaakt. Ik heb vorige week het rapport in mijn bezit gekregen. Het is dus openbaar. Die vraag vervalt dus. Het is nu interessant om te weten wat we leren uit de elementen die uit het rapport naar voren komen. Hoe werken we daarmee verder? Ik heb het zo goed mogelijk bekeken. De knelpunten die we kennen, komen daarin ook naar voren. Het is cruciaal om te bekijken hoe we daar verder mee omgaan.

Naar aanleiding van het dossier ‘Duaal leren’ en de projecten die worden opgezet, vraagt de sector – de leerkrachten en de trajectbegeleiders die momenteel actief zijn in de Centra voor Leren en Werken (CLW’s) – zich af: ‘Wat nu met ons?’ Zij horen natuurlijk over allerlei pistes die in de toekomst kunnen worden bewandeld. Zij maken zich zorgen. Daarom vind ik het belangrijk om deze vraag hier duidelijk te stellen. Wij moeten voor hen duidelijk maken of het de bedoeling is dat zij de volgende jaren binnen de CLW’s voortwerken of niet. Zij vernemen her en der dat de CLW’s mogelijk verdwijnen en opnieuw zullen worden geïntegreerd in het voltijds secundair onderwijs, waar dan wel kan worden bekeken op welke manier met die jongeren aan de slag kan worden gegaan. Maar vandaag hebben wij aparte CLW’s en de SYNTRA’s. Daarom is het goed om deze mensen zo vlug mogelijk duidelijk te maken hoe wij hun toekomst zien. Zij geven aan dat zij met een heel specifieke groep van leerlingen werken. Als zij het dossier ‘Duaal leren’ bekijken, geven zij te kennen dat het toch wel om een totaal andere doelgroep gaat, die veel meer begeleiding nodig heeft en die veel meer zorgen heeft, en die niet zozeer in het concept ‘duaal leren’ thuishoort. Die groep heeft een aparte aanpak nodig. Vandaag zijn die aanpak en die expertise niet aanwezig in het voltijds secundair onderwijs.

Minister, hebt u gegevens met betrekking tot het voltijds engagement en de tewerkstelling van leerlingen in het kader van het stelsel leren en werken in hun traject in het secundair onderwijs?

Zijn daaruit resultaten af te leiden van uw inspanningen in het kader van uw doelstelling om aan jongeren die vandaag in het stelsel leren en werken zitten voldoende werkplekken te garanderen, zonder daarbij te wachten op de volledige uitrol van het decreet Leren en Werken?

Kunt u daarbij in het bijzonder focussen op de bijkomende ondersteuning via intensieve begeleiding in de eerste maanden van tewerkstelling waarin u hebt voorzien in het kader van het nieuwe project ‘intensieve begeleiding alternerend leren’, dat kadert in de nieuwe overeenkomst met het Europees Sociaal Fonds?

Plant u mogelijk nog nieuwe initiatieven ten aanzien van de onderwijspartners en economische sectoren om te komen tot een grotere garantie op tewerkstelling en een voltijds engagement van meer leerlingen dan vandaag?

Lopen er of voorziet u in initiatieven die inzetten op een optimalisatie van de oriëntering en toeleiding naar de diverse sporen die in het stelsel leren en werken bestaan? Uit die evaluatie blijkt dat daar toch wel een knelpunt bestaat.

In het persbericht van 29 januari las ik: “Op korte termijn zullen de ministers Crevits en Muyters een voorstel aan de regering voorleggen dat het statuut voor de jongere op de werkplek en de overeenkomst tussen jongere, leeronderneming en school regelt en de erkenning van de leerondernemingen. Verder volgt nog een besluit dat dergelijke proefstudierichtingen ook in de leertijd mogelijk maakt.” Is het uw bedoeling aan dit statuut, dat van toepassing is op de leerlingen die vandaag in het stelsel leren en werken schoollopen, te sleutelen?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het rapport ‘Leren en werken’ staat op de website. U vindt het op de pagina www.ond.vlaanderen.be/obpwo/rapporten.

Het onderzoek ging in op verschillende elementen: de complexiteit van het stelsel, het voltijdse engagement, de volwaardige certificering, de afstemming tussen verschillende actoren, het maatwerk, de financiering, de modularisering, de werking van het regionaal overlegplatform (ROP) en de gegevensverzameling. Een heel positief element uit de evaluatie is dat aangetoond wordt dat het aantal kwalificaties sinds de invoering van het decreet Leren en Werken significant is verhoogd en dat men daarbij een positief effect vaststelt van de modularisering, zoals ik daarnet al bij de vraag van mevrouw Brusseel heb gezegd. Dit toont dat een aantal jongeren, door de succeservaring die ze hebben, in dat modulair systeem stappen, en dat dat voor hen het beste is.

Anderzijds zien we in die data-analyses ook een aantal knelpunten met betrekking tot de invulling van het voltijds engagement en het realiseren van maatwerk. Zo geeft het onderzoek aan dat het voltijds engagement in minder dan de helft van de trajecten gerealiseerd wordt. Dat is veel te weinig. Mogelijke redenen zouden kunnen zijn dat er geen logische overstap is, dat ze niet direct kunnen starten in een traject, dat er een contract afloopt en dat ze niet onmiddellijk opnieuw aan de slag kunnen, dat ze niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.

Het onderzoek wijst er ook op dat de intake- en screeningsprocedure ertoe moest bijdragen dat elke jongere ingeschaald wordt in de gepaste fase, maar dat uit de analyses blijkt dat één op de vijf leerlingen nooit in een van deze fases terechtkomt. Er zitten bovendien ook veel grote ‘gaten’ tussen twee fases. Soms gebeurt de toewijzing in functie van het beschikbare aanbod. Dat is geen goede zaak, want we moeten juist een plaats zoeken op maat van de noden van de jongere. Dat is dus een beetje spijtig. Heel wat van de analyses uit de evaluatiestudie zijn niet nieuw.

In het regeerakkoord staat dat we het stelsel leren en werken willen vernieuwen met de vernieuwing van het duale leren. Doelstelling van deze vernieuwing is het stelsel leren en werken op te waarderen en het opnieuw een positieve vibe te geven, zodat de jongeren daar niet enkel als gevolg van het watervalsysteem of van schoolse vertraging in komen.

Dat is een goede zaak voor jongeren die arbeidsrijp of bijna arbeidsrijp zijn. Wij zijn volop stappen aan het zetten om het duaal leren te implementeren. Ook op korte termijn kunnen een aantal zaken worden gedaan. Er zijn de proefprojecten in de pilootfase van het duaal leren. Het is zeker de bedoeling om het dbso en de leertijd te betrekken bij deze pilootstudierichtingen. Er was gisteren nog een overleg met de stakeholders. Het is de bedoeling om, naar aanleiding van de overgang van het industriële leerlingwezen naar de gemeenschappen, een nieuw kaderdecreet te maken dat het vereenvoudigd statuut van de jongeren in leren en werken zal regelen: één statuut voor alle vormen van leren en werken, dat is dan zowel de leertijd als het dbso als het industrieel leerlingwezen. Het is de bedoeling dat we dat eengemaakte statuut in september hebben.

We bereiden een studiedag voor om de studie, die nu op de website staat, te bespreken en om onder andere de CLW’s daar heel nauw bij te betrekken, om concrete bijsturingen te bekijken.

Duaal leren wordt vanaf volgend schooljaar eerst via een proefproject uitgetest in een aantal scholen. Deze proefprojecten zullen ons verder inzicht geven over wat de rol van de CLW’s kan zijn. Uiteraard is het de bedoeling dat zij ook duaal leren kunnen aanbieden, dat is de logica zelf. Maar uiteraard hebben zij ook meer dan alleen maar jongeren die geschikt zijn om in het stelsel van duaal leren te komen. Een grote groep jongeren in de voortrajecten is niet arbeidsrijp of bijna niet. Voor deze groep hebben we de conceptnota ‘Samen tegen schooluitval’. Daar zitten onder andere de programmatorische overheidsdiensten (POD’s) in de naadloze flexibele trajecten. Het is niet de bedoeling dat die alleen in het voltijdse onderwijs worden aangeboden. Ze kunnen ook op deeltijdse basis of in de CLW’s aangeboden worden.

Misschien kan een deel van de zorg van de CLW’s weggenomen worden als we altijd synchroon zouden communiceren over leren en werken en ‘Samen tegen schooluitval’. Nu ontstaat de indruk dat het enkel nog zal gaan over duaal leren en voltijds onderwijs, en dat er daartussen niets is. Dat is niet zo fijn voor de CLW’s omdat er een groep jongeren is die niet in het duaal leren kan, en die ook niet in het voltijds onderwijs zit, en die we onmogelijk kunnen ‘brainwashen’ om ze naar het een of het ander te doen gaan. Er zal een groep kwetsbare jongeren blijven voor wie we de flexibele trajecten – de time-ins en de time-outs, tijdelijk of voor een langere periode – moeten organiseren.

Mevrouw Helsen, ik kom bij de tewerkstellingsbegeleiding. Wij krijgen van het departement regelmatig cijfers over het voltijdse engagement. De meest recentste zijn deze van 1 februari 2016. Het gaat hier over het voltijdse engagement binnen leren en werken, zoals het vandaag bestaat.

Voor 63,2 procent van het aantal jongeren in het dbso wordt het voltijds engagement gerealiseerd. Dat is bijna een status quo ten opzichte van vorig schooljaar. Het totaal aantal jongeren in het normale economisch circuit is ten opzichte van vorig schooljaar gestegen. Daar waar vorig schooljaar 29,5 procent van de jongeren in een normaal economisch circuit draaide, is dat nu 32 procent. Dat cijfer is gestegen, maar nog veel te weinig. De doelstelling van het project ‘intensieve begeleiding alternerend leren’ was net het verduurzamen van de tewerkstelling. Je kunt wel zeggen dat het project een effect heeft, want het aantal jongeren is gestegen.

Anderzijds hoor ik echter dat het project een trage opstart kent en dat een aantal actoren nog de weg moeten vinden naar deze trajecten en overtuigd moeten worden van de meerwaarde. Zulke trage opstart is niet nieuw en zien we ook bij andere projecten. Het zou echter wel zeer spijtig zijn mochten de voorziene trajecten aan het eind van het jaar onbenut blijven.

Op 4 maart is er een overlegplatform met de ROP-voorzitters. Ik wil dan bekijken hoe we het gebruik van deze IBAL-trajecten (intensieve begeleiding alternerend leren) zeker kunnen stimuleren, zodat alles wat beschikbaar is, kan worden gebruikt.

In verband met extra initiatieven, wil ik in de eerste plaats focussen op de nieuwe ESF-projecten (Europees Sociaal Fonds) voor volgend schooljaar. Dat is na de paasvakantie. De projecten hebben een looptijd van één jaar. We hebben de mogelijkheid om jaarlijks in te spelen op nieuwe behoeften. Ik kan bijvoorbeeld het project ‘intensieve begeleiding alternerend leren’ voor volgend schooljaar bijsturen op basis van de aanbevelingen die ik heb gevraagd aan de ROP’s. Voorts informeer ik de sociale partners structureel over de stand van zaken.

Voor de toeleiding naar de diverse sporen in leren en werken, vertrekken wij vanuit het vertrouwen in de goede inschatting van trajectbegeleiders dat de fase waarin de jongere zich bevindt op dat moment, de meest zinvolle invulling is van dat voltijdse engagement. Ik vind trajectbegeleiding enorm belangrijk in het licht van het duale leren. Het zal een zaak zijn van Werk om in de toekomst in de professionalisering van de begeleiders te voorzien. De VDAB voorziet nu al in sessies ‘loopbaandenken’ voor trajectbegeleiders en leerkrachten. De eerste signalen zijn positief.

Een van de elementen uit de evaluatie gaf aan dat het huidig stelsel heel complex is, onder meer op het vlak van de mogelijke contracten die gesloten kunnen worden. Het nieuwe statuut zou daarover al duidelijkheid moeten verschaffen. Als er één statuut is, dat voor iedereen gelijk is, lost dat het probleem van de complexiteit van al die verschillende contracten op. We moeten er natuurlijk voor zorgen dat niemand uit de boot valt. Ik denk bijvoorbeeld aan de zorgtrajecten, want daar heeft het statuut ook iets te maken met de sociale Maribel die kan worden toegepast. Als we dat afschaffen, dan is er een groep jongeren die misschien niet meer in het traject zal stappen, en dat is ook niet de bedoeling. Ook het eengemaakte statuut is geen evidente kwestie, gelet op de verscheidenheid aan trajecten en zaken die op dit ogenblik bestaan in Vlaanderen.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Voorzitter, minister, het is dus niet de intentie om te raken aan de huidige centra voor leren en werken. U zegt dat ze vandaag hun plaats hebben en dat het de bedoeling is om te bekijken hoe we de werking kunnen optimaliseren.

U geeft aan dat het voltijds engagement vandaag, waarschijnlijk naar aanleiding van die intensieve begeleiding, gestegen is, dat het positieve effecten heeft, maar dat het nog onvoldoende is. Dat is ook een grote bezorgdheid van het werkveld zelf: hoe kunnen we erin slagen om, natuurlijk rekening houdend met de ontwikkeling van het duaal leren, toch meer werkplekken te vinden voor deze jongeren dan we vandaag hebben? Het betreft niet alleen plekken binnen het normale arbeidscircuit, maar ook binnen de brugprojecten, binnen de voortrajecten en de persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Ook daar blijven we met de vraag zitten hoe we ervoor kunnen zorgen dat er echt voldoende aanbod is, want vandaag is er een tekort.

U geeft zelf aan dat de juiste trajecten niet altijd voorhanden zijn. Daardoor worden jongeren wel geplaatst, maar niet altijd op de juiste plaats. Ze krijgen eigenlijk geen gepast aanbod. Hoe kunnen wij er toch voor zorgen dat er voor deze kwetsbare jongeren wel een voldoende groot aanbod is, zodat ze optimale ontwikkelingskansen krijgen? Het is voor mij nog niet duidelijk hoe we daar op korte termijn werk van kunnen maken. We doen heel duidelijk een oproep naar sectoren om plekken te creëren voor leerlingen die kiezen voor duaal leren, voor de nieuwe proefprojecten. De sector van het stelsel leren en werken vreest echter dat dit een negatieve impact kan hebben op hun jongeren. Het is een bekommernis die leeft. Vandaar de vraag om te bekijken hoe we het aanbod voor de jongeren in het stelsel leren en werken kunnen vergroten binnen de verschillende trajecten die ze kunnen doorlopen, zodat ze niet uit de boot dreigen te vallen. Het is goed dat de specifieke aanpak mogelijk blijft in het stelsel leren en werken. Het gaat om jongeren die het ook effectief nodig hebben.

U zegt dat u de trajectbegeleiding heel belangrijk vindt. Cruciaal is dat de professionalisering van de trajectbegeleiders kansen krijgt. Ook in de aanbevelingen van het evaluatierapport wordt gesteld dat het heel belangrijk is om een gevalideerd screeningsinstrument te hebben. Daar zit een knelpunt met betrekking tot de toeleiding en de oriëntering. Is het de bedoeling om ook daar werk van te maken zodat het niet alleen gaat over de professionalisering van mensen op het terrein, maar ook over een verbetering van de kwaliteit van de instrumenten die worden gebruikt? Dit zou kunnen leiden tot een betere toewijzing in de trajecten.

Een ander knelpunt hebben we al ingebracht toen het decreet Leren en Werken hier werd behandeld: het is niet vanzelfsprekend om te schakelen van het ene traject naar het andere. We zien nu ook in de evaluatie dat die doorstroom onvoldoende gerealiseerd wordt, dat jongeren langer dan gehoopt in een bepaald traject blijven zitten. Het is echter net de bedoeling om de jongeren binnen dat traject te versterken om te kunnen doorschakelen naar een volgend traject. We slagen daar niet in. Op welke manier zal dat geremedieerd worden? Het gaat natuurlijk niet alleen over trajectbegeleiders, maar over alle mensen die actief zijn binnen het stelsel. Zij moeten dat trachten te realiseren samen met de partner die een tewerkstelling aanbiedt. Ook daar vraag ik u om te bekijken op welke manier we dat kunnen verbeteren opdat we stappen vooruit kunnen zetten in het stelsel leren en werken.

Ik heb begrepen dat het nieuwe statuut ook op hen van toepassing zal zijn. Dat was nog onduidelijk. U hebt heel duidelijk gesteld dat het nieuwe statuut dat van toepassing zal zijn voor duaal leren, ook van kracht zal zijn voor de jongeren die niet in duaal leren zitten, maar in het stelsel leren en werken. Ook dat is interessant om weten voor de mensen op de werkvloer.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Voorzitter, minister, bedankt voor uw antwoorden op de vele vragen. Ik had dezelfde bekommernissen.

Uit cijfers blijkt dat zich een aantal problemen voordoen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) en meer bepaald inzake het tekort aan werkplekken. Dat staat in contrast met het aanbod aan werkplekken binnen de leertijd. Ik vroeg me af of u samen met minister Muyters zult bekijken wat u hieraan kunt doen. Het is jammer dat in een systeem geen werkplekken worden gevonden en dat er tegelijk in een ander systeem geen leerlingen worden gevonden. Hoe kan dit probleem worden opgelost?

De evaluatie van leren en werken staat nu online. De effecten zijn meestal positief. Er is sprake van een centraal registratiesysteem om de evoluties in kaart te brengen en het beleid op te volgen en te evalueren. Ik vroeg me af hoe u daartegenover staat.

De kwestie van het statuut is ondertussen voor mij duidelijk: er komt één statuut vanaf 1 september.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Helsen, het onderzoek staat nog maar sinds vorige week op de website. Wij moeten dat nu eerst rustig kunnen bespreken met de centra voor deeltijds leren. Ik wil in verband met dit dossier geen onrust op het veld. Ik wil zeker niet de boodschap verspreiden dat die centra moeten verdwijnen. Waarom zouden ze? Ze leveren goed werk. Het is niet hun schuld dat er een groep kwetsbare jongeren is. Ze gaan er op een goede manier mee aan de slag.

U zegt dat ze onzeker zijn over wat er te gebeuren staat. In feite moeten ze assertief zijn. Een paar maanden geleden was ik in Hasselt in een heel groot centrum voor deeltijds leren. De directrice zei dat ze ernaar snakt om in het stelsel van duaal leren te kunnen stappen. Het is voor haar van belang dat ze de arbeidsrijpe jongeren hebben en houden, dat ze geen centrum hebben met alleen maar niet-arbeidsrijpe jongeren. Ze hebben de succesvoorbeelden zeker nodig. Dus, ja, ze kunnen dit inrichten, allemaal onder hetzelfde statuut.

En ja, er is een groep jongeren die er niet in kan. U vraagt hoe ze worden gescreend. De bedoeling is dat samen met de VDAB in het licht van het stelsel duaal leren en werken een screeningsinstrument wordt ontwikkeld. Dat is er nog niet, het is nog in de maak. We willen ermee bekijken of een jongere al dan niet bijna arbeidsrijp is en dus naar een werkplek kan gaan. Veel van uw vragen zullen we samen met de sector bekijken.

Voor de werkplekken zelf kan het feit dat er één statuut is helpen om misschien wat meer openheid te krijgen. Als een jongere gescreend is op arbeidsrijpheid en een gesprek heeft gehad, zal men ook sneller een jongere willen nemen. De sector klaagt aan dat er nu een oerwoud aan statuten is en vraagt eenduidigheid. Er is de leertijd, er is het industrieel leerlingenwezen, er is leren en werken. Het is te veel, het is belangrijk om dit transparant te maken.

Voor de bedrijfswereld, die luid staat te roepen dat ze wil dat het duaal leren en werken slaagt, is het ook een grote verantwoordelijkheid om sectoraal de bedrijven, de grotere en kleinere, te stimuleren om in het systeem te stappen. Wij sluiten niet uit dat twee kleine kmo’s de handen in elkaar slaan om samen een jongere op te leiden in het licht van duaal leren. Dat is een taak voor de overheid, maar uiteraard ook voor de bedrijven zelf. Ik weet dat minister Muyters alle hefbomen zal gebruiken die hij bezit om bedrijven daartoe te stimuleren.

Veel zal afhangen van het succes van de proefprojecten. Het is niet te onderschatten wat we op dit ogenblik aan het doen zijn. De beroepskwalificatie, die goedgekeurd is door de Vlaamse Regering, moet vertaald kunnen worden in een onderwijskwalificatie. Het is niet evident om jongeren aan een diploma te helpen of om ze naar een traject te leiden. De beroepskwalificaties zijn gemaakt op basis van een ervaren beroepsbeoefenaar. Als je onderwijs geeft, kun je natuurlijk niet onmiddellijk van iedereen ervaren beroepsbeoefenaars maken. We moeten dit nu doen voor elk van de zeven proefprojecten. Dat is een enorme klus. Als die slaagt, als we die succeservaring hebben, zal het veld zich volgens mij ook goed organiseren.

Ik herhaal, mevrouw Helsen, dat ik nog niet op al uw bijkomende vragen kan ingaan. De studie is er nog maar net, we moeten die eerst rustig met het veld kunnen bespreken.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik wil u bedanken voor de aanvullende antwoorden. Het is positief dat op heel korte termijn in overleg wordt gegaan met de sector zelf om samen te bekijken hoe de knelpunten kunnen worden aangepakt. Er is heel veel enthousiasme bij de mensen op de werkvloer om echt te bekijken hoe ze stappen vooruit kunnen zetten. Ik heb er heel veel vertrouwen in dat we ook voor deze groep jongeren een goed aanbod zullen kunnen realiseren.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.