U bent hier

Commissievergadering

donderdag 28 januari 2016, 14.09u

Voorzitter
De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Mijn haiku luidt als volgt:

het kind ziet de dauw
op elk blad als een parel
leest wat een ander niet merkt

Voorzitter, minister, collega’s, om ervoor te zorgen dat elke leerling ook een plaats kan krijgen in het Vlaamse onderwijs wordt al geruime tijd via de zogenaamde capaciteitsdossiers geld beschikbaar gemaakt voor infrastructuur in steden en gemeenten met capaciteitsproblemen. Tot op heden werd elk jaar aan de lokale taskforces capaciteit gevraagd om een lijst van capaciteitsproblemen in te dienen. Vervolgens kregen de lokale taskforces, zodra de middelen per capaciteitsgemeente werden toegekend, de opdracht om een definitieve selectie te maken van capaciteitsprojecten in functie van het dat jaar toegekende beschikbare budget.

Om ervoor te zorgen dat elke leerling ook een plaats kan krijgen in het Vlaamse onderwijs, worden al geruime tijd via de zogenaamde capaciteitsdossiers gelden beschikbaar gemaakt voor infrastructuur in steden en gemeenten met capaciteitsproblemen. Tot op heden werd er elk jaar aan de lokale taskforces capaciteit gevraagd om een lijst van capaciteitsproblemen in te dienen. Vervolgens kreeg de lokale taskforce, zodra de middelen per capaciteitsgemeente werden toegekend, de opdracht om een definitieve selectie te maken van capaciteitsprojecten in functie van het dat jaar toegekende beschikbare budget.

We vernemen dat in de toekomst een nieuwe procedure gevolgd zal worden. De steden en gemeenten waarin zich scholen bevinden die recht hebben op subsidies zouden daarvan op de hoogte gebracht worden via een schrijven waarin zou worden meegedeeld op welk bedrag ze recht hebben.

Minister, op basis van welke criteria worden de middelen verdeeld tussen de verschillende rechthebbende steden en gemeenten? Welk criterium bepaalt of een gemeente rechthebbend is? Hoe moeten de steden en gemeenten die middelen verdelen tussen de verschillende scholen op hun grondgebied? Moeten de steden en gemeenten bij de verdeling van de middelen tussen de scholen rekening houden met de bepalingen van Onderwijsdecreet (OD) II? Kunt u in een overzicht aangeven hoe de verdeling voor 2016 eruitziet?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega De Meyer, het is nog een beetje vroeg om te zeggen hoe de verdeling er precies uitziet, maar ik kan wel proberen u de meest accurate stand van zaken te geven.

We weten allen dat we de capaciteitsmonitor hebben opgeleverd. Die brengt voor de beide onderwijsniveaus een vrij nauwkeurige prognose van de verwachte vraag aan plaatsen, samen met het verwachte toekomstige aanbod. Het is de allereerste keer dat we zo een gedetailleerd wetenschappelijk onderzoek hebben gedaan naar de capaciteitsbehoeften tot in 2030, en het is ook de eerste keer dat we op die manier een min of meer verfijnde prognose kunnen maken.

Om nu een aantal steden en gemeenten met een negatieve capaciteitsmarge – dat is dus een capaciteitstekort – te selecteren met het oog op de toekenning van nieuwe capaciteitsmiddelen en daarnaast ook onderling te kunnen vergelijken moeten we een vergelijking kunnen maken tussen de vraagzijde en de aanbodzijde: met andere woorden, hoeveel stoeltjes heb ik nodig, bijvoorbeeld in 2020, en hoeveel stoeltjes zullen er effectief zijn in 2020? De uitkomst van die vergelijking geeft aan of er in de nabije toekomst een capaciteitstekort zal zijn of net niet. Op die manier kunnen we de precieze capaciteitsmarge of capaciteitsdruk in een gemeente of in een fusiegemeente berekenen.

Voor de vraagzijde rijst er geen probleem. Op basis van de driejarige bevolkingsprognoses en op basis van de inschrijvingsgegevens binnen de onderwijsadministratie hebben we in de capaciteitsmonitor een wetenschappelijk onderbouwde vraagprognose kunnen aanmaken. De ramingen zijn gebaseerd op de demografische verwachtingen én de schoolpendelbewegingen – wie woont waar en gaat waar naar school. De capaciteitsmonitor houdt ook rekening met slaagkansen, dus ook met de zittenblijvers, de nieuwe instroom – de immigratie, enzovoort.

Dat resulteert voor het eerst in een vrij natuurgetrouwe simulatie van de vraagzijde. Die hebben we dus. Voor de aanbodzijde is het een beetje moeilijker. Het is minder evident omdat we correcte concrete data moeten hebben. We hebben dus nog nood aan bijkomende data over het concrete aantal beschikbare plaatsen in een gemeente. Collega De Meyer, u weet dat schoolbesturen er niet zo happig op zijn om het aantal effectieve plaatsen in hun school vrij te geven.

We moeten bovendien een onderscheid maken tussen de bestaande reeds erkende capaciteitsgemeenten. Dat zijn er zeventien in totaal, en alle andere gemeenten in Vlaanderen. Voor de capaciteitsgemeenten zijn de concrete aanboddata door de lokale taskforces capaciteit reeds in het voorjaar van 2015 verzameld in het onderzoek rond de capaciteitsmonitor. Dat hebben we dus. Voor alle andere Vlaamse gemeenten beschikken we niet over de concrete aanboddata. Voor al die gemeenten is in de capaciteitsmonitor gebruik gemaakt van een theoretische paramater, een soort ‘default waarde’, met name de hoogste leerlingenpopulatie van de voorbije vijf jaar verhoogd met 30 procent. We hebben dus een theoretisch model gebouwd.

Wat hebben we gedaan? Om een correcte rangorde te kunnen maken tussen alle gemeenten met een bepaalde capaciteitsmarge heeft het departement Onderwijs alle Vlaamse gemeenten de mogelijkheid geboden om tegen 1 februari 2016 hun aanbodzijde concreet in kaart te brengen zodat de default waarde als theoretische raming kan worden vervangen door de resultaten van de concrete capaciteitsmeting op lokaal vlak. Van theorie naar praktijk dus. We zijn nog geen 1 februari, dus de termijn loopt nog.

Die oefening loopt op zijn einde. Al dertig gemeenten hebben een ingevuld bevragingssjabloon teruggezonden. We hebben dus al heel wat extra data gekregen. Het is de bedoeling om te bekijken hoe we concrete berekeningen kunnen maken.

In een volgende fase kunnen we dan een rangorde opstellen van alle gemeenten die in de toekomst met een negatieve capaciteitsmarge te kampen zullen hebben, met andere woorden waar de vraag in de toekomst groter zal zijn dan het effectieve aanbod. Op basis van die rangorde én de onderlinge verhouding kunnen we dan nieuwe capaciteitsmiddelen toekennen aan die gemeenten. Als algemeen principe geldt uiteraard dat de capaciteitsmiddelen daar moeten worden ingezet waar de noden het grootst zijn.

Naast het hebben van een negatieve capaciteitsmarge is het logisch, collega’s, dat een gemeente die capaciteitsmiddelen wil ontvangen, ook over operationele lokale taskforces capaciteit moet kunnen beschikken. We hebben in de commissie duidelijk afgesproken dat gemeenten die na overleg met de scholen op hun grondgebied geen of niet tijdig concrete aanboddata in kaart willen of kunnen brengen, in casu vóór 1 februari 2016, geen capaciteitsmiddelen ontvangen. Voor wat hoort wat. Dat lijkt me evident. Het aanleveren van concrete aanboddata is cruciaal om de werkelijke capaciteitsmarges te kunnen berekenen.

Hoe moeten de steden en gemeenten die middelen verdelen? Moeten ze daarbij rekening houden met de voorschriften van OD II? Collega’s, er blijft uiteraard een belangrijke rol weggelegd voor het lokale niveau, voor de lokale taskforces, om te bekijken hoe de lokale opportuniteiten het best kunnen worden ingevuld. Het is uiteraard niet de bedoeling om de evenwichten die er zijn te verstoren. We hebben dat vorig jaar vrij goed kunnen oplossen. Het zal in de toekomst ook weer gebeuren. Het is een totaal nieuwe situatie dat we nu voor het eerst op lange termijn kunnen kijken wat er in de toekomst nog nodig zal zijn. Voor mij is het van belang dat we werken met die gemeenten die zo vriendelijk zijn om de gegevens te bezorgen, zodat we goed weten wat de spanning is en hoe we die kunnen opvangen.

We zullen evenwichten zo goed mogelijk proberen te respecteren en te handhaven. Het is de bedoeling, om, als dat lukt, nu al te bekijken aan welke gemeenten we die capaciteitsmiddelen kunnen toewijzen. Dan kan men onderling bekijken op welke manier die het best kunnen worden verdeeld.

Het is niet zo evident. We komen uit een oude situatie en gaan naar een nieuwe. Ik wil in elk geval zo concreet mogelijk zicht krijgen op de werkelijke noden om dan eindelijk een meerjarentraject te kunnen uitstippelen op die plaatsen en in die gemeenten waar de noden het grootst zijn.

Mijnheer De Meyer, 1 februari zal cruciaal zijn om te weten hoeveel gemeenten effectief hun aanbod in kaart hebben gebracht. Is de deur dan definitief gesloten voor de andere gemeenten? Neen, natuurlijk niet. Ik hoop dat zo veel mogelijk gemeenten, wanneer we straks de middelen moeten verdelen voor 2016, de oefening hebben gemaakt. 

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, het is logisch dat u de capaciteitsmonitor als uitgangspunt neemt, want anders moest dit voorbereidend wetenschappelijk werk niet gebeuren.

Ik begrijp ook uw oefening met vraag en aanbod. Heb ik goed begrepen dat de zeventien capaciteitsgemeenten die er vandaag zijn die oefening voor de vraagzijde niet meer opnieuw moeten invullen omdat ze het huiswerk al achter de rug hebben en dat de andere gemeenten en steden wordt gevraagd om dit af te leveren vóór 1 februari? (Minister Hilde Crevits knikt instemmend)

1 februari is natuurlijk heel kortbij. Hebben zij voldoende ruimte en tijd gekregen om die oefening te maken? Daarover kan ik minder oordelen. Is dit de datum van orde of is het een streefdatum? Misschien wordt dat nog eens bekeken.

Ik begrijp dat er nadien binnen uw administratie toch nog wel wat werk moet gebeuren alvorens u definitief de beslissing kunt nemen.

Ik onthoud uit uw antwoord ook dat het uiteraard de bedoeling is dat de decreten worden nageleefd, dus ook OD II.

Minister, ik heb nog een bijkomende vraag. U kunt de verdeling nog niet weergeven. Maar kunt u al zeggen hoeveel er zal worden verdeeld? Dat staat er wat los van. Misschien hebt u daarop wel al zicht?

Ik ga ervan uit dat we binnen een aantal weken meer zicht zullen krijgen op de concrete situatie.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mijnheer De Meyer, ik ben zelf schepen van Onderwijs. Wij hebben al weken geleden het schrijven vanuit de administratie gekregen. We hebben dus ruim voldoende de tijd gehad om het sjabloon in te vullen, door te sturen en om de scholen te bevragen.

Minister, wij hebben ons als een vriendelijke gemeente gedragen, we hebben ons huiswerk gemaakt en het ingestuurd.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Ik heb nog een heel concrete vraag. Er wordt gesproken over OD II en capaciteit. Stel dat er in een capaciteitsgemeente, een huidige capaciteitsgemeente of een gemeente die op korte of middellange termijn een capaciteitsgemeente wordt, een aanvraag is van twee scholen, die zich allebei in hetzelfde net of dezelfde koepel bevinden, om een capaciteitsuitbreiding te doen. Moet dat geld dan worden gesplitst indien OD II moet worden toegepast? Zal de ene school in plaats van twee verdiepingen dan maar één verdieping krijgen en de andere school in plaats van vier klassen maar twee? Hoe moet ik mij dat concreet voorstellen indien dat zou moeten worden toegepast?

Jos De Meyer (CD&V)

Misschien moet u eerst eens het decreet lezen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, wat, los van OD II, voor mij ook heel relevant is, is dat de steden, de lokale platforms die actief zijn, zeer goed met elkaar afspreken. Wat ik niet wil, is dat twee scholen plots tegen elkaar op middelen proberen te genereren. Er moeten afspraken worden gemaakt om die capaciteitsmiddelen zo optimaal mogelijk te kunnen inzetten, zodat je niet gaat investeren waar de stoelen niet worden gebruikt, en daar waar ze wel nodig zijn, niet. Ik ben ervan overtuigd dat we erin zullen slagen om dat dit jaar te doen. De grote nieuwigheid dit jaar is dat we de gemeenten die nog nooit de kans hebben gehad om dossiers in te dienen, vragen om hun prognoses te verfijnen, zodat ik overal in Vlaanderen een zicht krijg op de realiteit. Er is nog werk aan de winkel.

De heer De Meyer vroeg of de datum van 1 februari niet scherp was. De brief is wel al ettelijke weken geleden verstuurd. Als een stadsbestuur echter zegt dat het onderwijs hem niet kan schelen en niet gaat samen zitten met de scholen, dan is er een probleem. Wij hebben nog geen dergelijke signalen gekregen.

We kunnen de scholen eventueel nog een mailtje of een nieuwsbrief bezorgen met de vraag of ze werden gecontacteerd door hun stadsbestuur. Het zijn namelijk wel de gemeentebesturen die het nodige moeten doen. Ik kan mij niet voorstellen dat een gemeentebestuur in Vlaanderen dat om die informatie wordt gevraagd, niet het nodige zou doen om de oefening te maken die ons zeer nuttige inzichten kan geven op het meerjarenperspectief en die ons eindelijk zal toelaten om misschien een meerjarenraming op te stellen waardoor gemeenten en ook scholen weten wanneer ze aan de beurt zijn als het gaat over de capaciteitsmiddelen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Het laatste waaraan ik twijfel, is dat gemeenten en steden niet geïnteresseerd zouden zijn in de problematiek. Dat zou veel te erg zijn. In sommige steden en gemeenten moeten ze natuurlijk heel wat schoolbesturen aanschrijven. Dat is ook gebeurd. Het gebeurt wel eens dat binnen een schoolbestuur of een school de persoon die daarvoor verantwoordelijk is, ziek of vervangen is en dat daardoor enige communicatie ontbreekt.

Minister, wat ik zeg, is geen theoretisch voorbeeld, maar het is gesteund op de praktijk op basis van een vraag van een gemeentebestuur, een stadsbestuur, aan een bepaalde school en waarbij ze heel lang hebben moeten wachten op een reactie.

Het is dus niet altijd logisch en evident dat het er onmiddellijk is. Mijn vraag is dus heel eenvoudig: is het de datum van orde of is het een richtinggevende datum? Dat maakt wel degelijk verschil uit. Als het effectief van orde is en het is niet binnen vóór die datum, is elke minuut te laat effectief te laat. Ik pleit eerder voor de tweede invalshoek.

Minister, mijn andere bijkomende vraag is u misschien even ontgaan. Hebt u al zicht op het totale bedrag dat moet worden verdeeld? Dat is misschien minder afhankelijk van de informatie die moet worden aangeleverd door de gemeentebesturen. 

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Vorig jaar hebben we een 35-15 verdeling gedaan als ik me niet vergis. De onevenwichten die erin zaten over OD II, hebben we in de 15 gecompenseerd. Ik zal dit jaar eenzelfde oefening maken om ervoor te zorgen dat de evenwichten kunnen worden bewaard. Er zal zeker niet minder naar capaciteit gaan. Ik wacht op de cijfers die we binnen krijgen om de noden goed in kaart te brengen. Ik heb er nog geen definitieve beslissing in genomen. Vorig jaar was ons streefcijfer logisch.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ik noteer dat het minimaal hetzelfde bedrag zal zijn. We hopen samen met u dat dat bedrag zelfs hoger zal zijn dan vorig jaar. Te gepasten tijde zullen we dit gesprek zeker en vast voortzetten.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.