U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, ik trap een open deur in wanneer ik zeg dat Vlaanderen een superdiverse samenleving is. In mijn eigen stad, Mechelen, hebben een op twee 10-jarigen ouders met een migratieachtergrond. In Brussel bedraagt het aandeel zelfs 70 procent. Aan samenleven in diversiteit ontsnappen we in dit land niet meer. Dat plaatst ons natuurlijk voor uitdagingen. Enerzijds moet de vrijheid van godsdienst 100 procent worden gewaarborgd, anderzijds moet in het onderwijs aan jongeren de nodige tools worden gegeven om de gemeenschapszin te versterken. Samenleven in diversiteit kan maar werken als we actief pluralisme in de praktijk brengen. We moeten daarvan doordrongen zijn én daar actief uiting aan geven.

De jongste tijd gaan er stemmen op – onder meer in het federale parlement – om het debat over secularisme in de samenleving te voeren. Uiteraard heeft dit debat gevolgen over de plaats van levensbeschouwingen in verschillende sectoren in onze samenleving, niet het minst in ons Vlaams onderwijs. Als sp.a zijn we sterk overtuigd van het belang van het onderwijs als de belangrijkste motor van maatschappelijke vooruitgang en emancipatie.

In artikel 24 van de Grondwet staat heel duidelijk hoe dat onderwijs moet worden georganiseerd. Het is goed om dat artikel in herinnering te brengen. In dat artikel staat dat het onderwijs vrij is en dat de gemeenschap is gehouden om de keuzevrijheid van de ouders te waarborgen. Voorts bepaalt de Grondwet dat de gemeenschap neutraal onderwijs moet inrichten en dat de neutraliteit onder meer inhoudt dat “de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van ouders en leerlingen” moet worden gerespecteerd. “De scholen ingericht door openbare besturen bieden tot het einde van de leerplicht de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.” Dat is de grondslag waarop ons onderwijsmodel is opgetrokken: er zijn verschillende netten, en de officiële netten zijn gehouden aan de inrichting van neutraal onderwijs en het aanbieden van de verschillende levensbeschouwingen.

In de praktijk stellen we vast dat in het Vlaams onderwijs ongeveer 80 procent van de leerlingen katholieke godsdienst volgt. 10 procent van de leerlingen in het basisonderwijs en 13 procent in het secundair onderwijs volgen niet-confessionele zedenleer. 6,5 procent van de leerlingen in het Vlaams basisonderwijs volgt islamlessen, terwijl dat in Brussel oploopt tot bijna 30 procent. De kleinere levensbeschouwingen zoals de joodse godsdienst, het protestantisme en het anglicanisme worden door minder dan 1 procent van de Vlaamse  jongeren gevolgd. Het is niet altijd gemakkelijk om die verschillende levensbeschouwingen aan te bieden. Zeker het aanbieden van de kleintjes is duur en organisatorisch niet altijd evident, want men moet leerkrachten vinden, lesroosters opstellen en lokalen ter beschikking stellen om slechts enkele leerlingen te onderwijzen.

De praktijk, de cijfers, de resultaten van de bevraging van het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) en wat het Rekenhof zegt over de besteding van de werkingsmiddelen door de scholen leren ons dat veel directies – tot 60 procent – zeggen dat dit systeem veel te complex is. Ze hebben er geen probleem mee om het debat over een wijziging van het systeem te voeren, met het oog op een aanpassing aan de maatschappelijke realiteit van vandaag, die er een is van superdiversiteit. Dat is niet alleen een zaak van het onderwijs. Er gaat geen dag voorbij of we zien onze scholen worstelen met die superdiversiteit.

De afgelopen weken zagen we daarvan de neerslag in onze kranten en andere media. Het katholiek onderwijs zegt bij de organisatie van examens rekening te willen houden met de ramadan. Ik vind dat er echt niets mis is met een net dat maximaal rekening wil houden met de diversiteit van de scholenpopulatie, met respect voor de autonomie van de scholen. Dat is een goede, volwassen houding. Anderzijds geldt er een algemeen hoofddoekenverbod in het Vlaams onderwijs. Veel jonge meisjes en hun ouders voelen zich daardoor niet meer thuis in de scholen.

Dit brengt risico’s met zich mee. Ons onderwijs is van goede kwaliteit, heeft absoluut niet de doelstelling om gesegregeerd te zijn, maar ook vandaag weer wordt een ultrakatholieke school erkend die door het bestaande katholieke net als té katholiek wordt omschreven. Het wordt allemaal wel wat ingewikkeld en het is ook niet meer in lijn met de samenleving van vandaag: het is in lijn met de samenleving van zeventig jaar geleden.

Minister, er is gelukkig één ding waar er consensus over is – over de partijgrenzen heen – namelijk dat het niet wenselijk is dat scholen segregeren. Er is een inschrijvingsdecreet. We proberen in extra omkadering te voorzien om leerlingen op basis van leerlingenkenmerken toch gelijke kansen te bieden aan de start. Segregatie is niet wenselijk, niet vandaag en ook niet morgen.

In Mechelen neemt het stadsbestuur, met alle partijen behalve sp.a en Vlaams Belang, zeer uitdrukkelijk afstand van een initiatief van de moslimgemeenschap om een islamitische school op te richten. Ik kan begrip hebben voor dat standpunt maar waar is de vrijheid van onderwijs dan? We botsen voortdurend op de organisatie van het onderwijs en de samenleving zoals ze vandaag is. Eigenlijk accorderen die twee onvoldoende. Ik zou deze commissie en de minister willen oproepen om toch na te denken over het grondmodel, maar vooral heel pragmatisch om te gaan met de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken.

De sp.a is er erg van overtuigd dat het niet de opdracht is van scholen om kinderen te leren geloven, te socialiseren in een religie, om hen op te voeden tot goede katholieken, tot goede vrijzinnigen, tot goede moslims. Uiteraard is dat de volledige vrijheid van de ouders om hun kinderen op die manier op te voeden en uiteraard kan het ook in het pedagogisch project van een school zijn vertaald dat men vanuit die inspiratie onderwijs organiseert en kan religie een plek krijgen op school. De vraag is wel of dat moet in het curriculum.

Ik zou er erg voor willen pleiten en erop willen aandringen dat we alle jongeren en kinderen opvoeden tot kritische burgers die eerder kunnen denken, dialogeren en samenleven dan te geloven. Daarom is het voor ons zeer belangrijk dat de scholen vanuit hun autonomie en een sterk pedagogisch project, gedragen door alle stakeholders van onderuit, bij voorkeur als afspiegeling van de buurt, alle kinderen hetzelfde recht geven op eenzelfde basisvorming inzake levensbeschouwing, ethiek en filosofie, ongeacht het net en de school. We zouden de twee uur die men vandaag aan levensbeschouwelijk spendeert, graag vervangen door levensbeschouwing, ethiek en filosofie (LEF). We zijn daarmee niet bijzonder origineel. In andere landen, bijvoorbeeld in het Groothertogdom Luxemburg, experimenteert men daarmee voluit. Ook in de Franse Gemeenschap is men daarrond aan het nadenken. In Canada bestaat het al. Wij denken dat LEF in het curriculum het samenleven in diversiteit kan versterken evenals de dialoog tussen jongeren vanuit hun overtuiging, vanuit hun thuissituatie, vanuit hun geloof, maar wel samen en niet gesegregeerd naar religie. Wil men in een plek voorzien voor religie of andere levensbeschouwingen op school, dan zullen wij dat zeker niet tegenhouden. Een basisvereiste voor ons is wel dat het LEF wordt ingevoerd in alle netten, waar dan ook in Vlaanderen. Op die manier geeft men kinderen de boodschap mee dat we samen in de boot zitten, dat we respect hebben voor ieders geloof, achtergrond, opvoeding maar dat als er gemeenschap moet worden gemaakt, we dat ook doen op school met kritische zin en vanuit één bepaald vak, naast uiteraard de vakoverschrijdende eindtermen die we niet in vraag stellen. Dit kan een aanvulling zijn om levensbeschouwing, vrijheid van godsdienst, thuis en op school, te versterken.

Minister, kunt u een traject uitzetten om ook in het Vlaams onderwijs te evolueren naar een schools curriculum met een gegarandeerd vak levensbeschouwing, ethiek en filosofie of burgerzin en burgerschap voor elke leerling, ongeacht de school of het net? 

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, ik dank u voor uw uiteenzetting. Ik heb vorige week al voor een deel mijn gedacht hierover gezegd tijdens het debat over seksuele voorlichting.

Mevrouw Gennez, we bevinden ons hiermee op een snijpunt van zaken waar wij van mening verschillen. Dat is perfect gerechtvaardigd.

U weet dat binnenkort in deze commissie het debat over de eindtermen van start zal gaan. Ik sta er uiteraard voor open om in het kader van dit debat ethiek, levensbeschouwing, burgerwaarden een plaats te geven.

Dit staat een beetje los van wat in de Grondwet staat en ook van het feit dat het recht om levensbeschouwelijk geëngageerd onderwijs in te richten, rechtstreeks uit de Grondwet komt. In de Grondwet staat dat openbare besturen die onderwijs inrichten, een van de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer moeten aanbieden. Ik vind dat een goede zaak. Ik vind het niet nodig om de Grondwet te wijzigen. Daarin verschillen wij van mening. Ik ben er ook absoluut van overtuigd dat een levensbeschouwing geen rem is om op een goede manier onderwijs te verstrekken. Voor veel jongeren is die levensbeschouwing ook vrij cruciaal. Ze kunnen die niet zomaar opzij schuiven. Voor mij is het ook vrij elementair dat iemand die een levensbeschouwing onderricht – bijvoorbeeld godsdienst –, die levensbeschouwing ook beleeft. Ik geloof persoonlijk niet in een neutrale persoon die uitleg komt geven over de verschillende levensbeschouwingen die er zijn. Wat mij betreft, mag die Grondwet blijven zoals ze is omdat ze ons niet tegenhoudt om op een goede manier burgerschapswaarden aan jongeren te geven. De lessen levensbeschouwing kunnen versterkend zijn, maar de burgerschapswaarden worden ook nog in een aantal andere vakken meegegeven.

Ik wil ook nog zeggen dat mijn voorganger Pascal Smet grote inspanningen heeft gedaan om met de verschillende erkende levensbeschouwingen te komen tot een pact inzake de interlevensbeschouwelijke dialoog. Ik vond dat een goede zaak, maar niet sterk genoeg. Er was trouwens wat rumoer bij de onderwijsverstrekkers over de implementatie. Er was wat rumoer bij de levensbeschouwingen. We hebben de voorbije maanden intens overleg gehad met zowel de onderwijsverstrekkers als de erkende levensbeschouwingen. We zijn tot een ‘pact bis’ gekomen. Het is nog niet getekend. Het wordt gefinaliseerd. Ik ben een voorstander van ruimte op school voor een interlevensbeschouwelijke dialoog. We zullen versterken wat in de vorige legislatuur ondertekend is.

We verschillen van mening, maar ik deel wel een aantal van uw bezorgdheden. Ik deel niet uw oproep om hiervoor Grondwetsaanpassingen te doen. Er staat trouwens ook niet in de Grondwet dat er twee uur per week levensbeschouwing moet worden gegeven. Dat is op andere plaatsen geregeld. Ik vind het wel cruciaal dat die zaken kunnen blijven bestaan.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het verrast me niet, maar ik ben wel een beetje ontgoocheld. We zien inderdaad dat we geconfronteerd worden met nieuwe fenomenen, als een islamitische school, een ultrakatholieke school, of een joodse school die niet altijd op dezelfde wijze geïnspecteerd worden als andere scholen. Ik ben daar bezorgd over als burger, als ouder en als jongere vrouw die toch een aantal dingen rond haar ziet gebeuren, ook met betrekking tot de impact van religie op jongeren in deze samenleving. We mogen daar niet blind voor zijn en we kunnen dat alleen maar overstijgen als we jongeren permanent met elkaar laten botsen en dialogeren om op die manier de samenleving en de gemeenschap te versterken. Bovendien probeer ik dat debat altijd met respect voor alle levensbeschouwingen te voeren. Ik ken niemand die een vak neutraal geeft. Geen enkele persoon is neutraal. Aardrijkskunde of wiskunde kun je misschien iets neutraler geven dan levensbeschouwing, ethiek en filosofie, maar ook daar bestaan cursussen en richtlijnen. Ook daar is een maatschappelijk debat mogelijk over wat we precies onderwijzen, met respect voor de joods-christelijke traditie van gisteren en vandaag, maar ook met de superdiversiteit van vandaag en morgen in onze samenleving in het achterhoofd.

De Grondwet is al vaker gewijzigd, we sleutelen vaak aan onze instellingen. Soms waarborgt de Grondwet belangrijke rechten waar niemand aan wil tornen. Het moet ook een document zijn dat de samenleving weerspiegelt. Ik heb het gevoel dat dit vandaag onvoldoende het geval is in het onderwijs.

Tot slot wil ik nog zeggen dat geloof, zingeving of levensbeschouwing wat mij betreft niet aan een kapstok hoeft. In samenlevingen of dictaturen waar men dat geprobeerd heeft, is de vrijheid van godsdienst al lang overboord gegooid. Daar zie je dat als de dictatuur een einde neemt, de religiositeit, en soms zelfs de afgoderij, het sterkst is dan waar ook ter wereld. Ik zou daar dus absoluut nooit voor durven pleiten. Maar als we eerlijk zijn en aan honderd Vlamingen vragen of ze daar voorstander van zijn, dan zouden we een grote meerderheid van de mensen hebben die dit vaak als evidentie laten zien. Daarnaast vind ik dat elke school ook andere religies kan aanbieden, los van het curriculum. Het heeft geen zin om religie in achterkamers te duwen, integendeel. Een interlevensbeschouwelijke dialoog op school is een begin, maar zal niet volstaan om jongeren zich echt te laten thuis voelen op elke school. Het zal ook niet volstaan om nieuwe fenomenen als islamitische scholen of ultrakatholieke scholen te voorkomen. Ik denk dat het de ambitie van ons en van ons Vlaams onderwijs moet zijn om minder segregatie te hebben eerder dan meer.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik treed de minister bij op een aantal vlakken, en ik wil enkele aspecten duidelijk stellen. Omdat we geconfronteerd worden met een veranderlijke maatschappij, is dit debat en de vraag hoe we daar in de toekomst mee zullen omgaan, erg belangrijk. 

In het voorstel van LEF zit het idee vervat om levensbeschouwelijke vakken facultatief te maken en in plaats daarvan een verplicht vak in te stellen waarin levensbeschouwing, ethiek en filosofie aan bod komen. Dit vak moet dan georganiseerd worden in een school en gegeven worden door een leerkracht die is opgeleid om daar kritisch en onpartijdig over te oordelen en die onpartijdigheid te waarborgen.

Onze fractie vindt het belangrijk om een bepaalde vrijheid in dezen te waarborgen. Ouders moeten zelf kunnen beslissen met welk confessioneel of niet-confessioneel vak ze hun kinderen willen opvoeden.

We zijn dan ook van mening dat de vrije keuze voor een al dan niet confessioneel vak de basis is van het ontwikkelen van eigen waarden en eigen visies. Dat gaat dus eigenlijk bottom up: de benadering waarbij elke leerling vanuit zijn eigen kader naar de wereld kijkt. We vinden dit echt een heel belangrijk gegeven. Het vak LEF beoogt een universeel kader als vertrekpunt te nemen. Dat is een belangrijk verschil. We stellen dat in vraag omdat de component levensbeschouwing en ethiek eigenlijk vertrekt vanuit een eigen kader. Je moet een eigen kader hebben om daar een bepaalde visie over te kunnen vormen. We denken dat het streven naar een universele moraal niet ten koste mag gaan van die individuele verschillen.

Het eenheidsvak LEF ambieert een aantal zaken te realiseren, zoals levensbeschouwelijke geletterdheid, morele vorming, burgerschapseducatie, filosofie, kritisch denken. Deze onderwijsitems komen – uiteraard terecht – onder de aandacht omdat ze in de huidige pluralistische samenleving heel erg belangrijk geworden zijn. Nadenken over religieuze diversiteit en burgerschap in een pluralistische context behoort nu ook al tot de kern van al dan niet confessioneel onderricht. Dat is niet nieuw. Zeer veel scholen besteden zowel in de lessen levensbeschouwing als in projecten aandacht aan die LEF-kenmerken. Dat komt al aan bod in levensbeschouwelijke vakken, in projecten, of in vakken als maatschappelijke vorming. Onze fractie denkt dat het geen goed idee is om deze items te extrapoleren of te generaliseren en in één vak te steken en dat dan decretaal te betonneren. We denken dat daar een bepaalde openheid rond moet blijven. De aandacht voor diversiteit zal veel beter opgenomen worden in heel het debat over de eindtermen en waarover mijn collega straks meer duiding zal geven.

In dit debat mogen we de voordelen van levensbeschouwelijk onderricht niet vergeten: onderzoeken duiden aan dat mensen die levensbeschouwelijk onverschillig zijn, veel minder participeren in de maatschappij en ook vaak minder tevreden zijn met het leven dat ze leiden of met het toekomstbeeld dat ze hebben. Vaak kijken deze mensen negatiever naar de toekomst en ik denk dat dit te wijten is aan het ontbreken van een eigen kader van waaruit ze een eigen visie hebben kunnen ontwikkelen.

We mogen ook niet vergeten dat de lessen confessionele en niet-confessionele zedenleer gaan over het begeleiden van leerlingen en het vormen van die eigen persoonlijkheid. Interculturele communicatie veronderstelt een gevorderde staat van de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid. Heel enge of achterhaalde visies daaromtrent zijn in dit debat uit den boze.

Tot slot wil ik in dit debat pleiten voor het maken van een onderscheid tussen de organisatorische en de inhoudelijke problematiek.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik heb aandachtig geluisterd naar de vorige betogen. Het is al enige tijd bekend dat de liberalen voorstander zijn van het vak LEF. Minister, we zeggen dat in alle vriendschap, maar af en toe moeten we dat onderstrepen wanneer die discussie gevoerd wordt. Mevrouw Gennez, u weet ook dat wij daar al langer achter staan dan de sp.a. We zijn evenwel niet zomaar voorstander van LEF in om het even welke vorm.

Laten we de voorwaarden eens van naderbij bekijken. Voor Open Vld zou LEF geen vak moeten zijn dat naast de levensbeschouwingen aangeboden wordt, maar in plaats daarvan. Dan hebben we het effectief over een grondwetswijziging.

We zien ook wel dat dit niet voor morgen is. Maar daar lig ik niet echt van wakker. Het is inderdaad belangrijk het debat te voeren. Het is een moeilijk debat. Het is nodig er de tijd voor te nemen. Het is inderdaad wel een zeer actuele kwestie. We zien dat de diversiteit ons voor uitdagingen plaatst. Daarom is dit een belangrijk debat. Daarom gaan we er ook elke keer op in wanneer de vragen gesteld worden.

Een andere voorwaarde is dat er een akkoord moet zijn over de afschaffing van alle levensbeschouwelijke vakken. U hebt de factuur genoemd, voor wie nog wil discussiëren over de minimumpakketten. Vergelijk.

Een andere voorwaarde is dat het vak de verschillende elementen, dus ook ethiek en filosofie, even sterk onder de aandacht moet brengen. Want waarover wordt heel veel gediscussieerd? Over het aspect levensbeschouwing en religie. Zelfs in die mate dat toen professor Loobuyck op het radioprogramma Hautekiet zijn visie mocht komen uiteenzetten, de journalist in kwestie het meteen ‘religiekunde’ noemde. Dat is een veel te enge benadering. Daarmee – en dat zeg ik hier heel duidelijk – zouden wij nooit akkoord gaan. Het moet veel breder zijn. Het mag niet confessioneel zijn. Dat houdt natuurlijk niet in dat de persoon die daar staat neutraal is. Het houdt wel in dat je geen visie of geloof oplegt aan kinderen.

Dat zijn voor ons de voorwaarden. Dat is wat volgens Open Vld LEF moet inhouden.

Over de LEF-bevoegdheid zou ik het nu nog niet willen hebben. Wij krijgen daar soms wel vragen over van leerkrachten die zich zorgen maken. Ik denk dat we dan de kar voor het paard spannen. Dat lijkt mij niet nodig.

Minister, ik wil het nog even hebben over wat u zei over de interlevensbeschouwelijke dialoog. Dat is inderdaad een zeer goede zaak. Er zijn scholen die daar zeer goed aan werken. Het kan interessant zijn om de best practices bekend te maken. Het Atheneum van Antwerpen heeft daarrond al lange tijd een zeer solide werking. Zij boeken ook resultaten. Voor mij is het in dezen een heel belangrijk signaal dat scholen zoals het Atheneum van Antwerpen komaf hebben gemaakt met een relativistische houding. Dat wil ik hier nog benadrukken. Ik ben het alvast op dat punt niet eens met mevrouw Gennez. Als het gaat om wat men redelijke aanpassingen noemt aan religieuze druk of religieuze eisen, en als men zegt, zoals ik ook van collega’s van Groen uit het Gentse hoor, dat dit getuigt van een moderne visie, dan ben ik het daar absoluut niet mee eens. Wilt u de waarden van de verlichting blijven verdedigen – zoals het in andere discussies wel eens aan bod blijkt te komen en nodig blijkt te zijn –, dan denk ik dat het helemaal niet wenselijk is om op vragen van imams in te gaan. We moeten veeleer bekijken wat je als samenleving nodig hebt.

Mevrouw Gennez, uw collega’s van de Parti Socialiste zijn daar ondertussen helemaal van teruggekomen. Misschien is dat een interessante case die ik u eens kan doorgeven: die van de stad Brussel zijn daar helemaal van teruggekomen. Zij hebben vastgesteld dat ingaan op bepaalde eisen niet zorgt voor een soort van pacificatie of het tevredenstellen van een bepaalde groep en dus het dichter bij elkaar brengen van mensen. Neen, integendeel. Dat zorgt er enkel voor dat er steeds meer eisen worden geformuleerd, en dat er niet minder wordt geradicaliseerd, maar meer. Dat kan absoluut niet de bedoeling zijn.

Ik denk dat we nog enige tijd nodig hebben om dat debat helemaal te doorgronden. Het zal vandaag niet afgerond zijn. We moeten er ook op letten dat we niet alles op een hoopje gooien wanneer het over levensbeschouwingen gaat.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ik wil de vraag van mevrouw Gennez om een vak LEF zeker bijtreden. Ik maak mij ook grote zorgen over de toenemende polarisering tussen de verschillende bevolkingsgroepen en levensbeschouwingen in ons land. We voelen allemaal dat in deze tijden de democratische waarden onder druk komen te staan. Er is absoluut een grote nood aan meer burgerschap, aan meer democratisch begrip, aan meer begrip en verdraagzaamheid tout court.

Ik erken dat sommige scholen daar zeer goed mee omgaan. Je ziet dat levensbeschouwingen daar uit de hokjes treden en gaan samenwerken. Maar de huidige losse samenwerkingen zijn onvoldoende om een antwoord te bieden op de uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd. De Vlaamse overheid kan dan deradicaliseringsprojecten lanceren, maar het zou veel fundamenteler en efficiënter zijn om dat op structurele wijze aan te pakken via het onderwijs, dat op dat vlak een bijzonder grote verantwoordelijkheid heeft en een rol te vervullen heeft.

Ik hoop dan ook dat we het debat grondig zullen voeren wanneer we discussiëren over de eindtermen. Voor mij is dat een cruciaal element daarin. We zullen dat onder ogen moeten zien.

Het standpunt van mijn partij is om zo’n vak LEF – en daaronder verstaan wij ook filosofie, burgerschap en dergelijke aspecten – twee uur per week in te voeren voor het gehele leerplichtonderwijs. Maar dat hoeft niet de afschaffing van de levensbeschouwelijke vakken te betekenen. Die kunnen nog steeds worden aangeboden binnen het curriculum. Er is dan misschien geen grondwetswijziging nodig om alvast zo’n vak LEF in te voeren.

Uit de laatste studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die een doorlichting maakt van de besteding van de middelen in het Vlaamse onderwijs, blijkt dat we op de grenzen van de houdbaarheid van het huidige systeem te botsen. Er zijn zodanig veel erkende religies dat je in sommige scholen klasjes krijgt met één of twee leerlingen. De OESO raadt de Vlaamse Gemeenschap aan om in eerste instantie te bekijken of er bij het aanbieden van levensbeschouwingen niet meer samenwerking tussen scholen mogelijk is. Het is op dit moment een bijzonder duur en misschien niet het meest efficiënte systeem. We kunnen die samenwerking alleen maar aanmoedigen. De OESO raadt de Vlaamse Gemeenschap ook aan om het huidige systeem grondig door te lichten, om te onderzoeken hoe meer efficiëntie mogelijk zou zijn. We moeten die aanbevelingen van de OESO ter harte nemen. Los van het ideologische botsen we op een aantal praktische grenzen. We moeten, los daarvan, zeker niet aarzelen om het vak LEF in te voeren. Dat is alvast het standpunt van mijn partij.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, ik hoor zeer interessante zaken. Hier wordt een aantal keren gezegd dat we het debat moeten voeren. Maar ik heb van een aantal collega’s al meteen de uitkomst van dat debat gehoord. Als jullie al weten wat de uitkomst is, moeten we dat debat niet meer doen.

Is dit, zoals mevrouw Krekels zei, een belangrijk debat? Ja, absoluut. Moeten we het voeren? Ja. Maar weten wij al eenduidig wat de absolute uitkomst moet zijn met uren en bekwaamheidsbewijzen erbij? We kunnen zeggen dat we een debat moeten voeren, maar weten we al hoe en wat het moet worden?

In het huidige klimaat dacht ik niet dat andere partijen over grondwetswijzigingen zouden beginnen. Wij zijn altijd bereid om daar een aantal andere artikelen aan toe te voegen, om artikel 125 niet bij naam te noemen. Maar dit louter terzijde.

Ik wil er wel voor waarschuwen dat we het hele verhaal van levensbeschouwelijke vakken, actief pluralisme, al of niet LEF en dergelijke meer, op dit moment rechtstreeks gelinkt met radicalisering invoeren. Dan zeggen we eigenlijk – en dat is niet juist – dat de huidige levensbeschouwelijke vakken in het onderwijs de schuld zijn van de radicalisering. (Opmerkingen van Ann Brusseel)

Ik ben blij dat ik dat hier iedereen hoor zeggen.

Niet iedereen, maar ik hoor hier sommigen zeggen dat, als we het debat voeren over levensbeschouwelijke vakken, het niet alleen gaat over radicalisering, deradicalisering en dergelijke meer. Ik denk dat dit duidelijk moet zijn.

Nog een punt dat ik wil inbrengen is dat neutraliteit, de invulling van de grondwettelijke neutraliteit in de schoolnetten die officieel onderwijs geven, in het GO! in een bijzonder decreet ingevuld is als actief pluralisme. Actief pluralisme is natuurlijk een bepaalde invulling van neutraliteit. Ik wil dat gewoon meegeven omdat in de discussies rond LEF die zaken wel wat op een hoopje worden gegooid. De opmerkingen die gegeven worden in het kader van organiseerbaarheid van levensbeschouwelijke vakken, zijn terechte opmerkingen. In tijden van capaciteitsproblemen, in tijden dat de capaciteitsmonitor ons aangeeft dat we in 2020 nog voor grote uitdagingen zullen staan, stellen we vast – en scholen zeggen ons dat – dat we nu hebben gezorgd dat levensbeschouwing niet lokaal in een apart levensbeschouwelijk vak moet worden gegeven om het organiseerbaar te maken. Maar ook dan zullen we in toekomst problemen hebben. Dat betekent niet dat we wegens capaciteitsproblemen levensbeschouwelijk onderwijs over de balk moeten gooien. Dat is nog iets anders, maar het is voor ons absoluut een gegeven om mee te nemen in het debat daarover.

Wat de eindtermen betreft, kwamen hier veel zaken aan bod waarop onze fractie alleen maar ja kan zeggen, zoals burgerschap, de waarde van de verlichting. Dat betekent dus niet dat we ze niet willen, maar we vragen ons af waar ze een plaats moeten krijgen. Dat lijkt me nu net het debat van de eindtermen te zijn. Laten we duidelijk zijn: we moeten opletten dat we niet alle zaken die we cruciaal vinden hierin vakoverschrijdend meenemen. Dan kunnen we immers in een situatie verzeild geraken waarin een papiertje wordt opgehangen met de melding: de laatste doet het licht uit. Dan is iedereen verantwoordelijk, maar op het einde blijft het licht branden, want iedereen dacht dat nog iemand anders het wel zou doen. Dit om sociale diffusie – het geval Kitty – nog eens onder de aandacht te brengen.

We kijken dus uit naar het debat, waar we zeker onze inbreng zullen doen. Het lijkt me echter een beetje voorbarig nu al te zeggen wat de absolute uitkomst moet zijn.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, u hebt reeds heel duidelijk gemaakt dat levensbeschouwelijk onderwijs voor onze fractie belangrijk is; het is overigens opgenomen in de Grondwet. Levensbeschouwing is voor vele mensen, en gelukkig ook voor veel jonge mensen, veelal een inspiratiebron voor hun engagement in de samenleving.

Wat de godsdienstvrijheid betreft, vinden we het altijd fundamenteel dat die vrijheid zich situeert binnen de rechtsstaat en met respect van de rechten en vrijheden die in onze samenleving gelden. Eén daarvan is ongetwijfeld verdraagzaamheid.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Mevrouw Brusseel heeft ons standpunt uitvoerig uiteengezet. In de discussie heb ik op een bepaald ogenblik de uitspraak gehoord dat mensen die geen religie of geen levensbeschouwing aanhangen maatschappelijk minder betrokken zouden zijn. Ik wil daar uitdrukkelijk afstand van nemen. Ik ken een aantal onderzoeken die stellen dat mensen die zich niet engageren in één of andere vorm van maatschappelijk engagement minder betrokken zijn. Maatschappelijk engagement is echter meer dan levensbeschouwing of religie, het kan ook een sociaal-culturele vereniging zijn, het kan een sportclub zijn, een jeugdbeweging, een ecologische beweging, een regionale beweging. Bijna opleggen dat mensen die geen levensbeschouwing of religie aanhangen, waardenloos zouden zijn, vind ik een stap te ver. Ik zeg het omdat het mij als persoon ook geregeld uitdrukkelijk wordt gezegd.

Ik wil daar ook persoonlijk over getuigen. Een kind van 6 kiest niet zelf, het volgt het vak levensbeschouwing dat zijn ouders aanduiden op het papiertje dat ze in het officieel onderwijs meekrijgen bij de inschrijving. Later is het meer een eigen keuze geworden. Ik had wel het geluk dat ik sinds ik 5 jaar was – ik zat een jaar te vroeg – het vak zedenleer kon volgen. Voor de mensen die capaciteit hoog in het vaandel voeren is het misschien raar dat er voor sommige levensbeschouwelijke vakken te weinig leerlingen zijn. Ik heb dat altijd ervaren, zowel thuis als in de les. In het lager onderwijs waren we nooit met meer dan twee die zedenleer volgden, de grote groep volgde rooms-katholieke godsdienst. Ik heb altijd ervaren dat er in het leerplan niet-confessionele zedenleer zeer veel aandacht was voor respect voor anderen. Ik merk dat de afgelopen jaren vanuit het beleid alle levensbeschouwingen uitdrukkelijk gevraagd wordt dat veel nadrukkelijker te doen. Ik zeg niet dat er een probleem was met wat aangeboden werd, maar het blijkt wel duidelijk uit een aantal standpunten die door het beleid ingenomen werden in de dialoog met de erkende levensbeschouwing, uit de vraag om meer aandacht te hebben, onder andere voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), de waarden die hier voor ons toch al meer dan 150 jaar in de Grondwet zijn vastgelegd, respect voor andere levensbeschouwingen.

Ik zeg niet dat het daar een evidentie is, want elke dag zijn er 1400 niet-confessionele leerkrachten mee bezig. Ik ben blij dat het nu doorgetrokken wordt naar alle levensbeschouwelijke vakken in het officieel onderwijs. Ik denk immers dat het effectief begint met respect voor de andere.

Die getuigenis wou ik hier brengen omdat enerzijds sommigen zich afvragen wat zo’n vak is dat geen religie is maar toch gegeven wordt en, anderzijds, gezegd wordt dat een religie of levensbeschouwing volgen een voorwaarde zou zijn om zich maatschappelijk in te zetten. Dat wordt vaak op een hoopje gegooid. Ik voel dat dit bij een aantal mensen die net niet die stelling innemen, tot frustratie leidt omdat geïnsinueerd wordt dat mensen met een stempel of een lidkaart maatschappelijk actiever of bewuster of beter zouden zijn dan anderen. Dat wil ik uitdrukkelijk tegenspreken. Er zijn ook heel veel mensen die niet per se een hogere macht moeten aanhangen om zich maatschappelijk in te zetten.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik heb met zeer veel interesse het afgelopen halfuur tot drie kwartier geluisterd naar alle betogen. Om het in één zin samen te vatten, is het een thema dat iedereen hier aanwezig beroert. Dat is al een grote verdienste op zich.

De twee sporen blijven voor mij zeer onderscheiden. Ten eerste is er de discussie rond de eindtermen die we hier straks zullen voeren. Op dat vlak sta ik samen met velen open om goed na te denken waar burgerschap een plaats krijgt. Sommige collega’s zeggen dat wanneer iets een plaats krijgt, het ook overal zit. Dat is ook zoals met EHBO en reanimatie, dat zit overal, maar waar zit het dan uiteindelijk en waar wordt de finale verantwoordelijkheid gelegd? Ik vind het dus pertinent dat we het daar ten gronde over moeten hebben. Ik denk ook dat het in de huidige tijden waarin we leven, goed is het daarover te hebben, rekening houdend met de actuele omstandigheden.

Ten tweede, we kunnen erover van mening verschillen, maar volgens mij kan levensbeschouwing versterkend werken om een aantal waarden goed mee te nemen in scholen, in de maatschappij. Collega De Ro, ik doe daarmee helemaal geen afbreuk aan uw visie, maar ik besef wel dat u mij ook niet viseerde. Ik bedoel daarmee niet dat iemand die er niet zo over denkt, een slechter mens zou zijn. Ik ben het er totaal niet mee eens dat wat nu in de maatschappij gebeurt, de schuld is van het vak levensbeschouwing op school. Ik vind het een goede zaak hoe het gemeenschapsonderwijs vandaag omgaat met wat moet worden aangeboden en dat het zoveel aandacht heeft voor de interlevensbeschouwelijke dialoog. Ik kan daar zeker mee leven. Ik vind het ook een goede zaak dat het katholiek onderwijs vandaag een project heeft rond de katholieke dialoogschool. U moet dat ook eens lezen.

Dat toont eigenlijk ook aan dat als men onderwijs verstrekt vanuit een levensbeschouwelijke invalshoek, dit perfect kan op een manier die versterkend werkt voor de samenleving. Dat wil ik nogmaals benadrukken.

Ik heb mijn mening gegeven over het al dan niet wijzigen van de Grondwet. Ik heb respect voor de mening van anderen, maar we zullen die grondwettelijke bepalingen niet misbruiken om het niet te hebben over de noodzaak om in ons onderwijs de positie van burgerschap of democratische waarden een prominentere plaats te geven. Mevrouw Gennez, u moet zich daar geen zorgen over maken. Voor mij kan dat debat perfect worden gevoerd binnen het huidige kader. Het ene moet niet worden opgeofferd om aandacht te hebben voor het andere.

We verschillen van mening op bepaalde punten, maar ik ben zeker bereid om het eindtermendebat genuanceerd te voeren.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister en collega’s, ik dank u voor de uitvoerige en genuanceerde opmerkingen. Ik sluit me aan bij de heren De Meyer en De Ro dat verdraagzaamheid en respect voor ieders overtuiging, de basis moet zijn om het debat te voeren. Dat is evident. Zelf ben ik er heel sterk van overtuigd, hoewel ik geen religie aanhang, dat een sterk waardenkader heel sterk bepalend is voor sterk burgerschap en dus voor een hechte samenleving. Voor mensen die geen grond of wortels hebben, is het veel moeilijker om een lijn aan te houden en respect voor andere overtuigingen te hebben.

Ik hoor openheid bij alle partijen en dat stemt me tevreden, iets minder bij CD&V via de heer De Meyer. Er is wel openheid om het debat ten gronde te voeren enerzijds in het kader van de eindtermen en anderzijds in het kader van de Grondwet en het grondmodel van het Vlaamse onderwijs. Dat is een goede zaak.

Ik ben er echt van overtuigd dat we de samenleving eer aan doen als we ook in de organisatie van ons onderwijs kijken naar de sociologie van vandaag en niet naar die van gisteren. Ik lanceer dit debat absoluut niet in het kader van radicalisering of wat dan ook, maar wel vanuit een oprecht geloof in actief pluralisme en hoe daar invulling aan te geven, ook in ons onderwijs. Het standpunt van sp.a is dat we overal in het curriculum het brede vak LEF met levensbeschouwing, ethiek en filosofie moeten aanbieden in elke school in elk net. Daarnaast kan en moet er in het kader van de Brede School, los van het curriculum, voor zij die dat wensen, ruimte zijn voor levensbeschouwelijk onderricht. Ik hoop dat het debat verder wordt gevoerd en dat er resultaten worden geboekt.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.