U bent hier

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, we vernamen in de media verhalen van leerkrachten die in de klas zaken hadden opgemerkt, die niet goed wisten hoe ze daarmee moesten omgaan, of die het hebben gemeld aan de directie of inspectie, maar waar verder niets mee gedaan werd. Ondertussen blijkt dat een van die verklaringen niet heel betrouwbaar was, maar dat even buiten beschouwing gelaten. Ik ben zelf recent gecontacteerd door een leerkracht die iets merkte, met de vraag wat ze moest doen.

Dat sterkt me in de overtuiging dat ik deze vraag aan u moet stellen: is er nood aan een specifiek meldpunt enkel voor onderwijs, voor leerkrachten, zodat ze weten wat er moet gebeuren als ze merken dat een leerling kenmerken vertoont van radicalisering? Vindt u het opportuun om een telefoonlijn op te zetten? Er is een meldpunt via een e-mailadres, maar mijn vraag gaat specifiek over een telefoonlijn. Bestaat er een mogelijkheid om op korte termijn zo een anonieme telefoonlijn op te zetten? Dat is een belangrijke nuance, dat het anoniem kan gebeuren. Als u denkt dat dat niet mogelijk of niet opportuun is, waarom denkt u dat dan? Als het wel mogelijk is, op welke termijn kan het operationeel zijn?

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, mijn vraag heeft betrekking op de rol van het onderwijs in de preventie en detectie van radicalisering. In de resolutie die het Vlaams Parlement breed goedkeurde, werd er op vijf domeinen naar onderwijs gekeken inzake de aanpak van radicalisering: de ontwikkeling van interlevensbeschouwelijke competenties, opleiding en nascholing van leerkrachten op het vlak van religieuze of politieke radicalisering van jongeren, de ontwikkeling van een ondersteunend netwerk van islamexperten die een tegendiscours kunnen ontwikkelen, de organisatie van overleg tussen relevante partners waarbij de ouderbetrokkenheid niet mag worden vergeten, en de time-outprojecten. Bij de rapportage hebben we vernomen dat al die acties in ontwikkeling zijn. In de praktijk zijn de problemen vandaag al aan de orde; leerkrachten kunnen niet wachten tot alles effectief is uitgewerkt, vandaar de dringende vraag om werk te maken van de uitvoering van de resolutie.

Eén incident heeft de aandacht van iedereen getrokken. Het was een Brusselse leerkracht die ook op televisie heeft getuigd. Ze was lerares van een van de terroristen die zichzelf opblies aan het Stade de France. Ze getuigde dat ze effectief problematisch gedrag vaststelde bij Bilal Hadfi. Ze heeft dit herhaaldelijk gesignaleerd. Sinds het begin van dit jaar weten we dat we korter op de bal moeten spelen. We moeten signalen meteen oppikken en daar meteen gevolg aan geven.

Minister, hoe verklaart u dat er kennelijk geen gehoor werd gegeven aan de Brusselse leerkracht? Zijzelf is er kapot van. Dat moeten we vermijden. Dat was het opzet van de resolutie: kort op de bal spelen.

Minister, er zijn al meerdere keren vragen over deze case gesteld. Hoe verklaart u dit incident?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, er zijn krachtige vragen gesteld, vragen die ik zelf ook heb gesteld in de nasleep van Parijs.

Ik wil in de eerste plaats nog eens onderstrepen dat wij zeer zwaar inzetten – ook vanuit de administratie – op ondersteuning aan scholen, leraars en begeleiders door tal van initiatieven. Ik zal er een paar noemen om te proberen u te overtuigen. Hier hoort geen polemiek bij, we moeten vooral proberen maximale ondersteuning te bieden en signalen op te pikken.

In januari hadden we al een precedent, de aanslag op Charlie Hebdo. Daarna hebben we onmiddellijk ingezet op het aanbod van handvatten voor eerstelijnswerkers die in de praktijk geconfronteerd worden met radicalisering. We hebben ook een heel actieplan, maar daar zal ik nu niet op ingaan.

In januari hebben we een extra editie van de nieuwsbrief Schooldirect gewijd aan het thema radicalisering. Daar stond bij vermeld waar en bij wie men terechtkon, lokaal of bovenlokaal met vragen of problemen. De nieuwsbrief is verstuurd naar 14.300 abonnees, waaronder alle directeurs van alle onderwijsniveaus over heel Vlaanderen, inclusief de CLB’s, uitgezonderd de hogescholen. Ook in januari vond een ‘Klasse live’ plaats waar leerkrachten en CLB-medewerkers live vragen konden stellen aan twee deskundigen.

Er werd al naar verwezen, binnen Onderwijs is een centraal aanspreekpunt gelanceerd waar scholen en CLB’s met vragen terechtkunnen. In de twee weken volgend op de aanslagen in Parijs werd het aanspreekpunt tweehonderd keer geconsulteerd. Dat betekent dat het gekend is. Het wordt steeds vaker geconsulteerd.

Via het onlineplatform voor leerkrachten KlasCement is er een specifieke oproep gelanceerd voor het binnensturen van educatief materiaal rond radicalisering. Aan de hand van dat materiaal kunnen leerkrachten elkaar inspireren en materiaal delen voor leerlingen van alle leeftijden. Er is ook één multimediaal dossier waar leerkrachten een beroep op kunnen doen en dat getuigenissen bevat, goedepraktijkvoorbeelden, en tips rond signaalherkenning, aanpak, preventie en hulpkanalen. Het installeren van één telefoonnummer voor onderwijs kan misschien nuttig zijn, maar we moeten vooral zorgen dat alle hulp gebundeld wordt en dat men op één plaats terechtkan om alle informatie te vinden. Daar werken we volop aan.

In oktober ging ons Netwerk Tegendiscours van start waar duiding gegeven wordt over de islam en de islamitische normen en waarden aan jongeren, klasgroepen en eerstelijnswerkers. Dat zijn leerkrachten, CLB-medewerkers en time-outbegeleiders.

Daar zijn tot vandaag 90 vragen tot interventie en 20 telefonische oproepen binnengekomen. Het gaat over vragen tot interventie waarbij altijd is gezocht naar een antwoord op maat om eerstelijnswerkers en scholen maximaal te steunen. De overgrote meerderheid van de aanvragen tot interventie zijn gesteld na de recente aanslagen in Parijs en zijn preventief van aard.

Belangrijk is ook dat binnen elk onderwijs en binnen elke CLB-koepel en het GO! een referentiepersoon radicalisering is aangeduid. Op die manier heeft het centrale aanspreekpunt duidelijke contactpersonen voor overleg en informatiedoorstroming en kunnen die mensen expertise opbouwen rond het thema in functie van de interne ondersteuning van collega’s.

De namen van die personen zijn onmiddellijk na de aanslagen verspreid naar alle scholen via onze centrale nieuwsbrief en via de nieuwsbrieven van de koepels en de netten zelf. Ook nadien bij de verandering van het dreigingsniveau is de informatiedoorstroming heel goed verlopen. Op elke nieuwsbrief stonden de referentiepersonen van de koepels en de netten.

Dat waren ook voor mij moeilijke beslissingen omdat ik afhankelijk was van informatie die van elders komt. Maar we hebben de krachten daar gebundeld. Ik heb een overzicht mee van al die nieuwsbrieven voor wie dat wenst.

Het is cruciaal om al die informatie op te nemen in de communicatie omdat de bestaande kanalen wel goed werken en we ook een aantal initiatieven die op microniveau goed werken, niet willen vervangen. Het is de bedoeling te versterken wat er op het terrein bestaat. We moeten vooral zorgen voor een netwerk dichtbij de leerkrachten: dat is soms de lokale politie, soms het CLB maar het centrale aanspreekpunt is in het leven geroepen voor die extra vragen.

Zowel in die nieuwsbrieven al in het multimediale dossier van Klasse is er ook gecommuniceerd over dat centrale e-mailadres dat fungeert als aanspreekpunt bij vragen. Het feit dat daar in de eerste weken na de aanslagen al 200 vragen zijn gesteld en 90 vragen tot interventie zijn binnengekomen bij ons netwerk van islamexperten doet mij concluderen dat het aanspreekpunt bekend is. Men kan niet zeggen dat men niet weet waar men moet zijn.

Zoals aangekondigd in ons actieplan ter preventie van radicaliseringsprocessen werken ook de collega-ministers zoals de minister van Welzijn en de minister van Binnenlands Bestuur aan die helpdesk en aan een theologische infolijn. Het lijkt me niet goed om allerlei telefoonnummers voor informatie naast elkaar te plaatsen. Ik wil dan ook liefst mijn huidige e-mailadres behouden. Het is de bedoeling alles goed op elkaar af te stemmen en samen te werken.

Wat de vragen over Brussel betreft, heb ik aangegeven waar men terechtkan.

Ik heb een heel grote appreciatie voor alle leerkrachten die zich dagelijks inzetten voor de leerlingen en voor hun betrokkenheid. We mogen niet onderschatten welke inspanningen zij hebben geleverd ook na de aanslagen. Toen beslist werd dat de scholen zouden sluiten, waren de leerkrachten en directies daar geen vragende partij voor. Zij hebben wel meegewerkt omdat die beslissing extern werd genomen. Op zulke momenten zien we dat leerkrachten willen werken en dat zij hun kinderen onderwijs willen verschaffen, wat op zich een schitterende zaak is.

Het is belangrijk dat de leerkracht in kwestie niet het gevoel heeft gefaald te hebben. Ik kan nu niet op de details van het dossier ingaan. Ik wil er wel op wijzen dat de directie en de inrichtende macht met de signalen aan de slag zijn gegaan. Het is niet zo dat er niets is gedaan met de oproep van die leerkracht. De signalen zijn opgepikt en de politie is gewaarschuwd. Het klopt dus niet als men zegt dat er niets is gebeurd.

In de nasleep van de aanslagen van 13 november hebben wij er bij de scholen op aangedrongen dat ze zich goed zouden voorbereiden om met signalen die ze opmerken en met situaties te kunnen omgaan. We hebben daartoe ook een draaiboek uitgewerkt. We hebben er ook op aangedrongen om de aanspreekpunten bij de lokale politie in het kader van omzendbrief 41 op te frissen en zeer alert te reageren. We moeten die lokale netwerken absoluut versterken. Ik vind dat belangrijker dan alles te centraliseren zoals sommige Franstalige collega’s wensen. Dat lijkt me niet de juiste aanpak. We moeten het fijnmazige netwerk dat bestaat versterken, het is daar dat de signalen het best worden opgepikt. We moeten er dan wel op kunnen rekenen dat ze worden opgepikt bij de vervolgstappen in de ketting.

Het is essentieel dat lerarenteams, directies en besturen weten welke mogelijkheden er zijn. We bieden daarbij maximaal ondersteuning.

Er is nu al een meer gericht aanbod van individuele trajecten die jongeren kunnen ondersteunen die het op school moeilijk hebben of die op school voor moeilijkheden zorgen. Ik verwijs daarbij naar het aanbod van time-outtrajecten en van de persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Tijdens de bespreking van de beleidsbrief Onderwijs heb ik al aangegeven dat het onze bedoeling is om in de toekomst veel meer te kunnen inspelen op die flexibele trajecten. Wij faciliteren zo’n project in een Mechelse school waarbij men leertrajecten op maat binnen de schoolmuren aanbiedt om te voorkomen dat jongeren worden uitgesloten. Ik wil daar nog een stap verder in gaan. In samenwerking met Arktos lanceren wij het project ‘Connect’ dat scholen waarvan draagkracht ernstig wordt aangetast door jongeren met een extreem risicogedrag, wil ondersteunen door gerichte expertise in te brengen. Het gaat dan over de begeleiding van leerlingen, leerkrachten en klasgroepen. Het doel is de draagkracht te versterken.

We moeten veel verder kijken dan naar het individuele dossier, we moeten de fijnmazige netwerken versterken. Door het nieuwe project Connect zal het eenvoudiger zijn om jongeren die nog in de preventiefase zitten, gepaste en flexibele trajecten op maat aan te bieden.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. U hebt het gehad over het aantal meldingen na de aanslagen. U had het over 200 meldingen. U hebt voor de aanslagen een toelichting gegeven bij het actieplan, toen waren er 20 à 25 meldingen. U zei dat de aard van die meldingen veeleer informatief was. Het ging vooral over leerkrachten en directies die vragen stelden naar informatie en begeleiding. Het waren niet zozeer signalen over jongeren die aan het radicaliseren waren. Minister, kunnen wij een zicht krijgen op de inhoud van die recentere meldingen? Ik kan daar ook een schriftelijke vraag over stellen indien u daar nu niet op kunt antwoorden. Komen er via die centrale aanspreekpunten concrete meldingen over jongeren die aan het radicaliseren zijn?

Het klopt dat er al veel gebeurd is om leerkrachten en directies te informeren, maar toch denk ik dat er nood is aan een soort stappenplan. Nog steeds word ik gecontacteerd door leerkrachten die me vragen wat ze moeten doen.

Ik heb u ook horen zeggen dat er een draaiboek opgesteld is. Kunt u daar wat meer informatie over geven? Kunnen wij daar inzage in krijgen? Dat interesseert mij heel erg.

Wat mijn vraag naar de oprichting van een anonieme hulplijn betreft, stelt u dat het misschien niet opportuun is om nog een aparte hulplijn op te starten naast de hulplijn die uw collega Vandeurzen zal oprichten. Misschien klopt dat wel, maar het feit is dat die hulplijn er nog altijd niet is, vandaar dat ik de vraag nu aan u stel. Waar kunnen leerkrachten, ouders en anderen die ermee te maken krijgen, op een anonieme manier terecht? Of u het bent die die hulplijn lanceert of uw collega Vandeurzen, dat kan mij eigenlijk niet schelen. Volgens het actieplan ligt het in de lade van minister Vandeurzen, maar goed. Komt ze er? En zo ja, wanneer komt ze er?

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, bedankt voor uw uitgebreide antwoord. Ik heb nog twee aanvullende vragen. De eerste heeft betrekking op de Brusselse case. Ik vraag geen persoonlijke gegevens, maar als u zegt dat er gevolg is gegeven aan de signalen, kunt u ook aangeven welk gevolg daaraan werd gegeven? Wat is daar aangeboden qua begeleiding of sociale opvolging? Het preventieve luik heeft natuurlijk op een bepaald moment zijn beperkingen en dan zit je meer bij het politionele, maar wat moeten wij ons voorstellen bij het concrete gevolg dat aan die signalen werd gegeven?

Mijn tweede vraag heeft te maken met de meldingen die bij het ondersteunende netwerk van islamexperten terechtkomen. Op een studiedag in de Kamer, een tweetal weken geleden, heeft imam Khalid Benhaddou toelichting gegeven bij zijn acties in opdracht van de Vlaamse overheid. Hij vertelde dat hij geregeld wordt aangesproken en veel meldingen krijgt, ook van families die vragen om met hun zoon of dochter te praten, op een manier waarbij je connecteert, wat zeer belangrijk is om nog greep te kunnen hebben op die jongeren. Wat mij wel verraste, is dat hij vertelde dat zijn team enkel uit vrijwilligers bestaat. Is het de bedoeling om dat verder uit te bouwen met professionele omkadering? Of rekent men hier op de puur vrijwillige aanpak?

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, in mijn eigen stad zijn er de dagen na de aanslagen in Parijs een twintigtal vragen rechtstreeks aan de radicaliseringsambtenaar gesteld. Van daaruit vertrekkend wilde ik kijken wat het verschil is tussen een aantal steden waar we dat netwerk hebben van radicaliseringsambtenaren die zeer dicht bij onderwijs staan, en een school in een buurgemeente.

Het is heel belangrijk dat elke koepel zo’n referentiepersoon heeft en dat het centrale meldpunt bij het ministerie er gekomen is, maar dat is pas fase één. Mensen zijn verontrust doordat iemand niet deelneemt aan een minuut stilte, of doordat een kleutertje zegt: bij ons was er niemand verdrietig, maar was het groot feest om wat er daar gebeurd is. Dat soort dingen verontrusten leerkrachten, en dan treden die in actie. In Mechelen, Vilvoorde en Antwerpen is men zeer vertrouwd met dat netwerk en belt men naar de radicaliseringsambtenaar of de cel radicalisering. En daar doet men dan een soort triage op het terrein.

Ik zal niet in detail treden, maar bij ons gaan zeer ernstige feiten naar de politie. Mensen die dat melden, weten dat ook. Ze doen dat telefoongesprek in vertrouwen. Dat is de volgende stap. Maar dan zijn er een aantal twijfelgevallen, waarbij de politie zelf niet optreedt, maar het netwerk in gang schiet: iemand van de sociale dienst, iemand van de dienst gelijke kansen, iemand van de cel radicalisering, die ter plekke gaat, contact zoekt met zowel de jongere als ouders en oudere broers of zussen. Dat is maatwerk. En dan is er het geruststellen van leerkrachten, dat er niets aan de hand is. Dat is de derde soort van gevallen.

Maar wat doe je in de eerste twee gevallen als je leerkracht bent in een gemeente waar nog geen dergelijk netwerk is? Dan bel je, bijvoorbeeld voor het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, naar Chris Wyns. En wat dan? Misschien kan hij mij geruststellen of kan hij mij ondersteunen in de aanpak van een moeilijk gesprek, maar wat als er een moeilijke vraag is, als er een ernstige of een dwingende of dringende case is? Wat gebeurt er dan?

We hebben in een aantal steden het voordeel van een voorsprong te hebben – al zou ik die liever niet gehad hebben. Maar nu ben ik vooral geïnteresseerd in wat er, buiten die bekende radicaliseringscentra, gebeurt als leerkrachten en directies dingen melden. Is er dan contact met de politie, met de staatsveiligheid, met het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD)? Wat moet ik mij daarbij voorstellen?

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Minister, bedankt voor het uitgebreide antwoord. Ik ben het met u eens dat dit geen thema’s zijn waarover we polemisch moeten handelen. Bestaande instrumenten bewijzen inderdaad hun nut, en het is een goede zaak dat de nieuwe instrumenten opgericht en operationeel zijn. We moeten er absoluut voor zorgen dat de vragen van de leerkrachten kunnen worden opgevangen en dat we het personeel kunnen ondersteunen.

Ik heb nog één bijkomende vraag, die aansluit bij wat collega De Ro zei. Voelen jullie een verschil tussen oproepen die uit Brussel komen, waar misschien minder vlug een link kan worden gelegd naar het lokale netwerk, en oproepen uit de rest van het Vlaamse Gewest, waar de lokale structuren misschien beter op elkaar ingespeeld zijn en men beter weet bij wie men met vragen terechtkan? Ik heb het dan niet alleen over onderwijs, maar ruimer. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een deradicaliseringsambtenaar.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik heb geen overzicht bij van alle tweehonderd vragen en waarover die precies gaan. Het zou overigens ook wel sneu zijn dat als je zo’n meldpunt hebt, iedereen vervolgens in een verslag kan zien waarover het ging en wat precies gevraagd is. Het is wel een pertinente vraag, omdat er een groot verschil is tussen een informatieve vraag en een vraag om hulp. De mensen van de administratie melden mij dat ze vanuit dat centrale punt zo goed mogelijk proberen door te verwijzen naar de geëigende lokale kanalen. Het is bijvoorbeeld niet een centraal meldpunt dat in de plaats van een beller naar de politie zal stappen. Dat kan ook niet. Ik ben dan ook een grote fan van de bestaande lokale netwerken.

Er bestaat een omzendbrief waardoor elke school in Vlaanderen een contactpersoon bij de lokale politie heeft, of je nu in Brussel, Bommerskonten of Vilvoorde zit. Je moet die contactpersoon kennen. Daarom hebben wij in de weken na de aanslagen ook gezegd: fris dat op, zorg dat je weet wie je contactpersoon is, maak afspraken met de lokale politie bij grote evenementen en zo meer. Want in Torhout is dat een andere context dan in Vilvoorde of Brussel of Diksmuide of Oudenaarde. Elke stad en gemeente heeft zijn eigenheden en zijn specifieke populatie.

Er zijn ook informatieve vragen rond signaalherkenning. In dat kader hebben wij een digitaal dossier over wat signalen zijn die potentieel kunnen wijzen op risicovol gedrag. Maar dat is een subjectieve inschatting. Ook dat moet dus beoordeeld worden door mensen die het kunnen weten. Het is moeilijk om dat aan de telefoon te doen. Ook hier is het weer de bedoeling om naar het CLB-netwerk of de contactpersoon te verwijzen. Als het over radicaliseringssignalen gaat, zijn er inderdaad veel meer vragen geweest aan Khalid Benhaddou, vooral heel veel vragen van scholen om met een jongere te gaan spreken. Men gaat er immers van uit dat iemand uit de eigen leefwereld veel gemakkelijker bij jongeren kan doordringen dan iemand die niet in die leefwereld vertoeft.

U hebt gelijk, hij werkt met een netwerk van vrijwilligers. Maar hij werkt niet in dienst van de Vlaamse overheid, hij werkt bij het Centrum voor Islamitisch Onderwijs. Men vindt het heel belangrijk dat hij niet gelieerd wordt aan de overheid. Zo kan hij in alle autonomie zijn job doen. Ik wil gerust meer investeren, maar het is de eerste keer dat we zoiets doen. We moeten eens bekijken wat hij kan verwezenlijken en welke extra expertise hij precies nodig heeft. Ik vind het ook belangrijk dat de gemeenschap zelf zich vrijwillig engageert om dat tegendiscours vorm te geven. Als wij dat alleen met professionele krachten moeten doen, wat is dan onze kans om een tegenbeweging effectief te doen slagen? We vinden het dus wel belangrijk dat hij zijn netwerk zo kan vormgeven.

Elke school in Vlaanderen moet een eigen noodplanning hebben. In de nasleep van wat er is gebeurd, hebben wij de scholen gevraagd om dat draaiboek te bekijken. Misschien moet er iets worden geüpdatet. In ons elektronisch dossier hebben wij ook een draaiboek met wat je het best doet, hoe je signalen moet herkennen, wie je niet mag vergeten in te schakelen. Soms heeft men de reflex om de politie te verwittigen, maar men heeft minder de reflex om het CLB in te schakelen, waar toch ook veel expertise aanwezig is. Dat zit allemaal in het dossier, dat iedereen kan bekijken. Je kunt het ook personaliseren op je eigen school.

Mijnheer De Ro, wij starten vanuit de lokale netwerken. Wij willen toegevoegd zijn aan waarde, maar niet vervangend. Elke Vlaamse stad of gemeente heeft eigen problemen. Er bestaat geen eenheidsworst in de aanpak. Je moet, afhankelijk van de eigen populatie, flexibel kunnen werken. U hebt geen aanvullende vragen gesteld over het Connect-project. Daarmee wil ik de flexibele projecten niet zomaar toewijzen aan een grote stad. Ik wil op vraag van scholen expertise inzetten. Het is best mogelijk dat er in de komende periode een verplaatsing komt van de ene school naar de andere, of van de ene stad naar een andere. Dan moet je je projecten flexibel kunnen inzetten. Het is een behandeling op maat.

Mijnheer Poschet, de context in Brussel is anders. Er is daar Nederlandstalig en Franstalig onderwijs. Dat samenwerken in de toekomst aan de orde is, staat als een paal boven water. Ik ben positief verrast door de veerkracht en de draagkracht van ons Nederlandstalig onderwijs. Wat die leerkrachten doen, is spectaculair. Het is evident dat wij hen met onze Vlaamse instrumenten zullen blijven ondersteunen. Maar de omzendbrief 41 geldt natuurlijk ook voor hen. Zij moeten ook het recht hebben om te weten wie hun contactpersoon is bij de lokale politie en of zij daarop kunnen rekenen. Op sommige plaatsen loopt dat voortreffelijk. Op andere plaatsen loopt dat wat moelijker.

Mevrouw Kherbache, het is voor mij zeer moeilijk om mij uit te spreken over dat individuele dossier. Er loopt daarover een onderzoek. Ik geef u daarom het algemene antwoord. Als een leerkracht signalen herkent en de directie verwittigt, dan moet de directie stappen zetten om inrichtende macht en/of CLB en/of politie te verwittigen. Men kan zich afvragen of men dit in dit geval snel genoeg heeft gedaan en of alles goed is verlopen. Het is echter niet aan mij om dat te beoordelen. Ik ben daar geen rechter in. Ik heb daar geen appreciaties over uit te spreken, behalve de algemene appreciatie over de inspanningen, in vaak moeilijke omstandigheden, van de leerkrachten en de directies.

De stapsgewijze aanpak moet gevolgd worden. Het onderzoek zal uitwijzen of dat allemaal op de beste manier is gebeurd. Ik was van plan om in de kwestieuze school op bezoek te gaan. Ik had gevraagd om dat niet met en in de media te doen. Dat is fout gelopen. Iemand heeft de behoefte gevoeld om dat extern te communiceren. Ik ben dus niet gegaan om daarin alle sereniteit te bewaren. Ik zal een van de volgende weken gaan.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, ik ben het met u eens dat de leerkrachten in deze omstandigheden ongelooflijk werk verrichten. Iedereen die thuis kinderen heeft, ziet wat ze meebrengen naar huis van wat de leerkrachten hun in deze context meegeven.

Ik vroeg geen beoordeling van de individuele case. Ik weet dat u dat niet kunt doen. Ik wilde enkel weten wat de volgende stappen zijn als er een signaal wordt gegeven. Als dat een deel is van het onderzoek, dan begrijp ik dat. Maar ik hoop dat we op een bepaald ogenblik een beeld krijgen van wat er gebeurt wanneer een signaal wordt gegeven.

Ik weet dat u geen oordeel kunt geven. Ik wilde enkel weten wie het zich aantrekt als dat signaal wordt gegeven.

Minister Hilde Crevits

De inrichtende macht van de school. De stad Brussel is de inrichtende macht. Er is daar ook een CLB. Ik denk dat ik daarmee genoeg heb gezegd. Dat wordt zeker opgevolgd. Ik hoop dat dat accuraat gebeurt en van zeer kortbij.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

van Yasmine Kherbache aan minister Hilde Crevits, minister Jo Vandeurzen en minister Sven Gatz
564 (2015-2016)

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.