U bent hier

De voorzitter

Het antwoord wordt gegeven door minister-president Bourgeois.

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister-president, ik ben blij u te zien en u een vraag om uitleg te kunnen stellen over een noodkreet van de sectororganisatie van de windenergie in Vlaanderen, waarvan wij midden september, een kleine twee maanden geleden, kennis hebben genomen. Het is een noodkreet inzake diverse beroepsprocedures tegen vergunningen die volgens de sector vrij lang kunnen aanslepen.

Bij concrete dossiers die de sector aanhaalde, ging het over duurtijden van twee tot vier jaar of langer voor de helft van de dossiers waarbij beroepen werden aangespannen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

De sectororganisatie stelde dat procedures bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen lang aanslepen. Dat werd met concreet cijfermateriaal bevestigd. Het gaat over 46 projecten van de laatste 5 jaar met in totaal 137 windturbines of een totaal vermogen van 373,7 megawatt. Die bevraging lijkt ons vrij representatief te zijn voor Vlaanderen.

Voor 60 procent van deze projecten is nog geen uitspraak gebeurd. Het betekent een totaal vermogen van 229,3 megawatt of tachtig windturbines die reeds vele jaren geblokkeerd zijn. De sectororganisatie dringt daarom ook aan op een beslissingstermijn van de raad binnen de zes maanden.

Deze lang aanslepende procedures zijn natuurlijk bijzonder nefast voor het maatschappelijk draagvlak. Doordat omwonenden erg lang in onwetendheid worden gehouden, wordt het draagvlak voor nieuwe projecten sterk ondermijnd, aldus de sectororganisatie. Ook voor de uitbaters van de windparken heeft deze jarenlange rechtsonzekerheid verstrekkende gevolgen. Zowat 343 miljoen euro – een niet onaardig bedrag – aan investeringswaarde bevindt zich al jaren in onzekerheid. De sector vraagt dan ook naar het goed werken van bestaande regels en procedures in plaats van steeds maar nieuwe regels en planningsinitiatieven. Dergelijke aanpak is volgens de sector cruciaal om de doelstellingen inzake hernieuwbare energie te behalen.

Minister-president, ik heb met veel belangstelling kennisgenomen van de noodkreet van de sector. Toen ik die noodkreet hoorde, dacht ik terug aan de vele vragen die ik in dit parlement al heb gesteld sinds het ontstaan van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Ik heb u een vraag om uitleg gesteld omdat ik – toen nog – dacht dat dat sneller gaat dan een schriftelijke vraag. Maar goed, beter laat dan nooit. Twee maanden later kan ik u die vraag om uitleg dan toch stellen. In opvolging van mijn jaarlijks terugkerende vragen over de Raad voor Vergunningsbetwistingen had ik dan ook een aantal vragen voor u. Sommige van die vragen zijn ondertussen behandeld, doordat ondertussen het jaarverslag van de Dienst van de Bestuursrechtcolleges (DBRC) er is. Toch zal ik ze u stellen. Een aantal van mijn vragen zijn niet beantwoord in het jaarverslag. Misschien kunt u daar verder op ingaan.

Minister-president, waarom slepen de procedures toch zo lang aan bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen? Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen? Die vraag wordt nog pertinenter na het lezen van het jaarverslag. Daarin lees ik namelijk dat de looptijd van die procedures de laatste drie jaar zelfs is verdubbeld. Wat wilt u ondernemen om de beslissingstermijn terug te brengen?

Kunnen de oplossingsgerichte nieuwe rechtstechnieken nu al worden geëvalueerd, en wat leert ons dat? Hebben ze een impact op de rechtspraak? Welke voorstellen worden door de raadsheren zelf gedaan om tot een betere rechtsbehandeling te komen? Jammer genoeg moet ik in het jaarverslag ondertussen lezen dat er nog maar twee dossiers voor bemiddeling zijn ingeleid. Dat lijkt mij heel erg weinig.

Wordt er nieuwe achterstand opgebouwd of worden er nu, na alle ingrepen van de vorige jaren, meer dossiers afgesloten dan opgestart? Volgens het jaarverslag zouden er alleszins meer worden afgesloten dan opgestart.

Hoe staat het met het ‘stuwmeer’ aan oude dossiers uit de eerste drie werkjaren? Ik lees in het jaarverslag dat het niet is opgelost. Wat daarin vooral ontbreekt, is dat er geen enkel perspectief wordt gegeven over wanneer het wel is opgelost. Ik zou toch heel erg willen aandringen bij u dat er een duidelijk perspectief wordt gesteld over wanneer dat stuwmeer eindelijk zal zijn weggewerkt.

Hoe wordt de werking van de aanvullende rechters geëvalueerd?

Welke zijn de verschillen in dossierbehandelingstermijnen sinds de oprichting van de DBRC?

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

Minister-president, in navolging van de heer Ceyssens en de voorzitter ben ik uiteraard ook blij om u hier vandaag te zien.

Mijn vraag om uitleg is gelijkluidend met die van de heer Ceyssens, en ik denk ook met die van de heer Ronse. Ik zal dus niet in herhaling vallen.

Wij hebben ook de noodkreet gehoord van de Vlaamse Windenergie Associatie (VWEA) over de lange termijnen vooraleer men volledige rechtszekerheid heeft dat de windturbine die men wil bouwen, daar ook effectief zal mogen blijven staan.

Minister-president, de Vlaamse Regering heeft enkele maanden geleden al een aantal structurele maatregelen geïnitieerd, met onder andere de wijziging van de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.

Destijds heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen ook al aan de Vlaamse Regering gevraagd om er zeker voor te zorgen dat de Dienst van de Bestuursrechtscolleges (DBRC) efficiënt en doelgericht wordt bemand. Het is de bedoeling dat het allemaal efficiënt kan verlopen en er zodoende meer rechtszekerheid is zowel voor de omwonenden als voor de firma’s die instaan voor het bouwen en plaatsen van de windturbines.

Minister-president, ik vermoed dat u op de hoogte bent van het cijfermateriaal van de VWEA? Wat is uw reactie erop? Denkt u eraan om naast de bestuurlijke lus, extra maatregelen te nemen om de achterstand weg te werken en de beslissingstermijn te herleiden tot een aanvaardbare termijn voor zowel omwonenden als voor de uitbaters?

Het was de verzuchting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de DBRC voldoende ondersteund zou worden door de Vlaamse Regering zodat hij niet met dezelfde problemen te kampen zou krijgen als de raad bij zijn inwerkingtreding. Hoe evalueert u de opstart van de DBRC? Blijkt de ondersteuning momenteel voldoende of zal een uitbreiding van personeel en budget noodzakelijk zijn?

Het is de taak van de eerste voorzitter van de DBRC om de hangende dossiers goed op te volgen. Conform artikel 5 van het DBRC-decreet is het aan de voorzitter om te bepalen of er al dan niet bestuursrechters dienen te worden ingeschakeld om een en ander vlotter te laten verlopen. Gebeurt dit op dit ogenblik? Hebt u reeds het beleidsplan van de eerste voorzitter ontvangen met betrekking tot de werking van de DBRC?

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag om uitleg heeft een hele weg afgelegd. In eerste instantie was ik daar niet zo gelukkig mee. De vraag kwam op de agenda van de commissie Ruimtelijke Ordening, maar vloog er ook weer af: ik mocht mijn vraag niet in die commissie stellen. Toen ik hoorde dat ik mijn vraag dan aan de minister-president zelf mocht stellen, in deze commissie, was ik toch wel gelukkig …

Minister-president, zoals de collega’s aangeven, is deze vraag eigenlijk al voor een stukje achterhaald. Er zijn ondertussen al een aantal zaken duidelijk gemaakt. We hebben al een beperkt zicht gehad op het verslag, we hebben er minstens al echo’s van gehoord. Er is ook de openingszitting geweest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. En wat het verhaal van de conceptnota over Fast Lane betreft en de specifieke aanpak voor de windenergieprojecten, daarover heeft de heer Lantmeeters ondertussen al de nodige vragen gesteld aan minister Turtelboom.

Ik wil toch van deze gelegenheid gebruikmaken. Het hele debat over de Raad voor Vergunningsbetwistingen zal de komende weken naar jaarlijkse traditie opnieuw op de agenda komen van de commissie Ruimtelijke Ordening. Er is al een gedachtewisseling met de voorzitter geagendeerd. Daarnet werd deze discussie eigenlijk al voor een stukje gevoerd in de commissie Binnenlands Bestuur, waar het verslag van het paritair comité over decentralisatie en specifiek over de aspecten van Ruimtelijke Ordening, aan bod kwam. Er werd al wat gedebatteerd over de rol van de deputatie bij het behartigen van de beroepen, over de impact ervan op de doorstroming naar de raad zelf en over de optimalisatie.

Ik meen dat het de eerste keer is in de geschiedenis van die raad dat we een verslag over een gedachtewisseling met een positieve noot kunnen aanvatten. Ik wil u daarvoor toch feliciteren. We merken nu al de eerste vruchten van de aanstelling van de extra rechters. Dat bleek uit de openingszitting. Het voorbije jaar is de uitstroom van dossiers – ik meen dat het er 1069 zijn – groter dan de instroom van dossiers. In het eerste werkjaar waren er nog 54 dossiers, in het tweede 127 en in het derde nog 141. Het heeft er alle schijn van dat de raad zich kan houden aan het ritme dat hij zichzelf oplegt, hier in het parlement, om de dossiers weg te werken. Dit zijn twee positieve zaken, ik kijk ernaar uit tijdens de bespreking.

Wat het hele verhaal van de windturbineprojecten betreft, minister-president, heb ik voor u de specifieke vraag of u kunt bekijken in welke mate er al dan niet een specifieke problematiek verbonden is aan dat soort projecten. Ik denk aan een specifieke problematiek die zou kunnen zorgen voor langere doorlooptijden van dit soort projecten bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zijn het dermate moeilijke, complexe projecten die andere competenties en expertise vergen? Hebben de rechters of de voorzitters u daar ooit al iets over gesignaleerd? Of is het iets dat we in de gedachtewisseling over de verslaggeving over de werking van de raad moeten bekijken?    

Tot hier, voorzitter, de eerste vraag die ik hier in dit huis mocht stellen aan de minister-president.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, twee collega’s die enkel vanwege mijn verschijning blij zijn en één die gelukkig is: deze namiddag begint goed!

Iets minder blij zal ik u maken met het antwoord op de eerste vraag. De Vlaamse Windenergie Associatie vraagt om binnen de zes maanden tot een uitspraak te komen. Een optelsom van de termijnen die in het decreet staan, laat dat niet toe. Alleen al met die optelsom voor de termijnen voor een zuivere vernietigingsprocedure, zitten we aan een termijn die iets langer is dan zes maanden. Dan mag er natuurlijk geen schorsingsprocedure zijn, geen opschorting van de procedures wegens bijvoorbeeld een hangende strafzaak of een milieuvergunningsbetwisting die erdoor loopt, en geen samenhang met andere zaken. Voor een pure vernietigingsprocedure zonder schorsingsprocedure zit je boven die termijn van zes maanden.

Er is een positieve kentering, de heer Ronse heeft erop gewezen, maar u weet, collega’s, dat er helaas in de loop van de tijden een serieuze achterstand is ontstaan. U hebt kennisgenomen van het jaarverslag, dus ik hoef er niet in detail op in te gaan.

Samenvattend: uit het jaarverslag blijkt dat de gemiddelde termijn voor procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid 12 kalenderdagen bedraagt, met inbegrip van de betekening van het arrest. Dat lijkt me een zeer vlotte afhandeling. De gemiddelde doorloop- en behandelingstermijn in de schorsingsprocedure bedraagt 5,5 maanden, waarna de uitspraak gemiddeld valt na 28 dagen. Dat zijn 4 weken, waar het decreet een ordetermijn verleent van 60 dagen. Die uitspraken vallen dus sneller dan decretaal toegelaten. Voor de vernietigingsprocedures stelt het jaarverslag dat de huidige doorlooptermijn omgerekend ongeveer 18 maanden is.

U kent de achtergrond van het dossier. U weet waarom de achterstand is opgebouwd. U weet dat we maatregelen hebben genomen om daaraan een einde te maken. Heel recent hebben we vijf bijkomende rechters benoemd, twee bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en drie bij het Milieuhandhavingscollege. U weet dat de voorzitter van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges (DBRC) op grond van artikel 5 van het decreet de bestuursrechters ter beschikking kan stellen van het andere rechtscollege, want er zijn er twee.

Ik heb van bij het begin gezegd dat het niet opgaat dat er magistraten en rechters zijn met bijzonder weinig werklast – en ik druk me voorzichtig uit – en andere die een heel grote werklast hebben. Er moet multi-inzetbaarheid zijn. Een modern rechtscollege werkt met magistraten die alle zaken behandelen. Het komt erop aan dat je goede referendarissen hebt.

Daarvoor nemen we bijkomende maatregelen. In de begroting 2016, die we straks behandelen, trekken we 1 miljoen euro extra uit: 800.000 euro voor loonkosten en 200.000 euro voor werkingskosten. De loonkosten gaan hoofdzakelijk naar referendarissen: 11 vte’s komen erbij en nog eens 2,7 vte’s griffiemedewerkers. De 200.000 euro weringskosten dienen om het apparaat dat groeit naar behoren te kunnen laten werken, onder andere om ICT uit te bouwen, zodat er een goede digitalisering kan gebeuren.

De bestuurlijke lus is een van de zaken die behoren tot de nieuwe rechtstechnieken. U weet dat we hebben geanticipeerd op het Grondwettelijk Hof dat in het decreet Ruimtelijke Ordening de bestuurlijke lus had vernietigd. Wij gingen ervan uit dat ons decreet hetzelfde lot beschoren was, wat ook is uitgekomen. Maar we hebben erop geanticipeerd door een nieuw decreet al het hele traject te laten doorlopen. Dat is bekrachtigd en treedt in werking op 1 januari 2016. Dan zal de bestuurlijke lus kunnen worden toegepast.

De bemiddeling kent inderdaad een heel bescheiden start, mijnheer Ceyssens. Er is tot nu toe maar twee keer met succes van gebruikgemaakt. Ik heb gevraagd om een benchmark, om te kijken of bemiddelingsprocedures in administratieve zaken gemiddeld betere resultaten boeken in andere rechtscolleges, ook in het buitenland, dan bijvoorbeeld in burgerlijke en handelszaken. Ik weet dat er in een aantal burgerlijke rechtbanken bemiddelingskamers zijn die uitstekend werk verrichten, die een heel hoge score van bemiddelingsresultaat halen. Daardoor boek je natuurlijk een formidabele winst, omdat de procedure niet moet worden voortgezet, er moet geen vonnis worden geveld, er volgt geen cassatieberoep enzovoort.

Het is natuurlijk vroeg om het allemaal te evalueren, want het zijn nieuwe middelen. We gaan de procedureregels in 2016 een eerste keer evalueren, maar dat moet je doen met de nodige nuance. Het is heel nieuw. De evaluatie van de bestuurlijke lus zal helemaal moeilijk vallen, want die begint pas in werking te treden vanaf 1 januari eerstkomend.

De cijfergegevens van het jaarverslag bevestigen dat de raad nu meer dossiers afsluit dan er nieuwe worden ingediend. In het voorbije werkjaar waren er 790 nieuwe zaken en werden er 823 zaken afgesloten door middel van een einduitspraak. Het detail vindt u in het jaarverslag. Het is een voortzetting van de tendens van 2013-2014, toen 792 dossiers werden ingediend maar er ook al 917 werden afgesloten met een einduitspraak.

Op 31 augustus 2015 was 94 procent van de dossiers uit het eerste werkjaar afgesloten door de raad. Voor de dossiers uit het tweede werkjaar was dat 88 procent en voor het derde werkjaar 84 procent. U hebt waarschijnlijk net als ik kennisgenomen van het persbericht dat de DBSC uitgerekend deze ochtend heeft verspreid en waarin wordt meegedeeld dat in alle hangende dossiers voor het werkjaar 2009-2010, het oudste werkjaar dus, uitspraken zullen vallen vóór 15 januari 2016, voor het werkjaar 2010-2011 vóór 31 maart 2016 en voor 2011-2012 vóór 31 augustus 2016. De historische achterstand zal eindelijk zijn weggewerkt.

Het bestuursrechtscollege deelt ook mee dat, om geen nieuwe achterstand te creëren, de dossiers van de daaropvolgende werkjaren stelselmatig behandeld worden en dat er uitspraken volgen binnen de voorgeschreven termijnen.

De aanvullende raadsleden hebben zeker een meerwaarde gevormd bij het wegwerken van de achterstand. Ondertussen zijn drie van die aanvullende raadsleden ook effectief benoemd tot bestuursrechter bij de raad of bij het milieuhandhavingscollege. Dat mag, gelet op hun expertise en hun ervaring met die raad, doen verhopen dat zij ook onmiddellijk volop zullen renderen als het op een afhandeling binnen redelijke termijnen aankomt.

De bepalingen van het DBRC-decreet, werking hebbend op de dienst van de bestuursrechtscolleges als organisatie, zijn in werking getreden op 1 november 2014. De procedurele bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2015. Het is nog te vroeg om over te gaan tot een evaluatie daarvan. Om goed te kunnen evalueren, moet je toch minstens twee à drie jaar hebben.

Ik antwoord hier ook namens collega Schauvliege, mevrouw Peeters. Collega Schauvliege is op de hoogte van de cijfers die door de VWEA bekendgemaakt zijn in de interdepartementale windwerkgroep. Het is onmogelijk om die te verifiëren. De Raad voor Vergunningsbetwistingen beschikt op dit ogenblik niet over een databank die toelaat gegevens daaromtrent te verstrekken. Ik zal, in het licht van de bijkomende werkingsmiddelen die ik ter beschikking stel voor de informatisering, vragen of het mogelijk is om ook dit soort zaken in te brengen en te inventariseren, zodat in het jaarverslag ook een meer gedetailleerde verslaggeving kan gebeuren en het parlement en elke belangstellende kan zien wat de specifieke evolutie op dit vlak is. Collega Schauvliege beschikt over materiaal, en ik kan uit de gegevens van de Raad voor Vergunningsbetwistingen helaas geen bevestiging of ontkenning van die cijfers halen.

Ik heb u de stand van zaken met betrekking tot de achterstand al meegedeeld, alsook de inspanningen die geleverd zijn en het resultaat dat daarbij geboekt is en dat ook heel binnenkort geboekt zal worden.

Ik heb het beleidsplan van de eerste voorzitter nog niet ontvangen. Ik heb daar herhaaldelijk op aangedrongen. U hebt in het jaarverslag gelezen dat de eerste voorzitter de redenen geeft waarom hij tijdens het werkjaar 2014-2015 geen formeel beleidsplan ter goedkeuring heeft voorgelegd aan de algemene vergadering. Hij verwijst daarvoor naar de onzekerheid omtrent de samenstelling en bijgevolg ook de werking van de algemene vergadering. Dat vloeide voort uit het feit dat twee effectieve rechters de pensioengerechtigde leeftijd zouden bereiken in 2015 en dat er onzekerheid was over de verlenging van het mandaat van resterende effectieve bestuursrechters.

Ik begrijp dat de eerste voorzitter nu het voornemen heeft om zijn beleidsplan ter goedkeuring voor te leggen aan de nieuw samengestelde algemene vergadering. Het voordeel is dan dat de vijf nieuw benoemde rechters betrokken zullen zijn bij de goedkeuring ervan. Ik reken er ook op dat ik dat beleidsplan krijg. Het is ook een manier om hier controle te hebben op dit onafhankelijke orgaan aan de hand van een beleidsplan: hoe gaat men om met de achterstand, welke werklast is er, a rato van welk tempo van aantal zaken per magistraat, aan welk tempo wordt er gewerkt, wat is de graad van afhandeling binnen redelijke termijn? Dan kun je aan benchmarking doen. De Raad van State is een mogelijke binnenlandse benchmark, maar er zijn er wellicht nog andere.

De vraag of er een specifiek probleem verbonden is met de windturbineprojecten, moet ik negatief beantwoorden. In beginsel behandelt de raad de dossiers in volgorde zoals ze binnenkomen, natuurlijk met mededeling van het feit dat er schorsingsprocedures bestaan en dat er een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bestaat, maar voor de rest is het in principe zoals altijd in volgorde van het op de rol brengen van de zaken.

Op de vraag naar de stand van zaken met betrekking tot de ‘fast lane’ antwoordt collega Schauvliege dat de conceptnota momenteel binnen de verschillende werkgroepen verder wordt uitgewerkt en dat er een operationeel kernteam opgericht is, dat samengesteld is uit vertegenwoordigers van de diensten van collega’s Turtelboom en Schauvliege, meer bepaald het Vlaams Energieagentschap, het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE), het Departement Ruimte Vlaanderen. Er is een startnota opgesteld. Daarna volgen de diverse vooropgestelde stappen.

Wat het ruimtelijke spoor betreft, heeft collega Schauvliege vastgesteld dat de noodzakelijke gegevens om goed onderbouwde uitspraken te kunnen doen, heel erg verspreid zitten. Bovendien heeft een grondige analyse nood aan een aantal ondersteunende instrumenten, instrumenten die vandaag nog niet voorhanden zijn. Er zijn dan ook twee studies opgestart om instrumenten te ontwikkelen die de potentiële inschatting kunnen ondersteunen met plaatsingsalgoritmes aan de ene kant en algoritmes voor het voeren van de impactanalyse aan de andere kant. De bedoeling is om de eerste versies van die instrumenten in het voorjaar van 2016 te kunnen testen en vervolgens te verfijnen.

In opdracht van Ruimte Vlaanderen ontwikkelt de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) een tool voor de potentie-inschatting van windturbines. Die tool is maar beperkt bruikbaar, vandaar de twee verdere verfijningen, om samen met de tool in te zetten. Ten eerste is er een instrument dat vertrekt vanuit de locaties die de VITO-tool naar voren schuift. Met een beter plaatsingsalgoritme wordt een realistische inschatting gemaakt van de inplanting en het aantal mogelijke windturbines. Die tool wordt aangestuurd door het operationele kernteam, maar op de begroting van LNE. Tegen woensdag 11 november, morgen dus, moeten de offertes binnen zijn. Het tweede instrument geeft een uitspraak over het hinderaspect. Die tool wordt intern ontwikkeld binnen LNE.

Er wordt ook een databank opgericht met alle gegevens over windturbines, stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning, informatie over de netaansluiting, groenestroomcertificaten. Die databank zou begin 2016 klaar moeten zijn.

Voor het juridische spoor is gestart met de analyse van de situatie op basis van de stedenbouwkundige vergunningen die een antwoord moeten bieden op de vraag wat het huidige beleid en de huidige juridische omkadering kwalitatief en kwantitatief hebben opgebracht aan windturbines op land. De resultaten zullen eind dit jaar beschikbaar zijn. Daarnaast is gestart met een tenderingstudie waarvan de resultaten eind dit jaar worden verwacht.

De centrale vraag van de conceptnota Fast Lane draait niet zozeer rond de aanduiding van positieve zones, aldus minister Schauvliege. De centrale vraag is wel welke consequenties verbonden zijn aan de steeds toenemende ambitieniveaus voor windenergie op land en hoe we die ambities kunnen realiseren. De te ontwikkelen instrumenten zullen onder andere helpen bij het beantwoorden van die vraag. Uit de eerste resultaten van de planningswerkgroep op basis van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen blijkt alvast dat momenteel 690 megawattuur aan windenergie is opgesteld op locaties conform de omzendbrief. Bijkomend werd ook al meer dan 1000 megawattuur stedenbouwkundig vergund op locaties die ondersteund worden door de huidige regelgeving. Enige nuance is daarbij nodig, want het cijfer houdt geen rekening met de koppeling met de milieuvergunning en eventueel lopende beroepsprocedures. Als die gegevens beschikbaar zijn, kan het cijfer lager uitvallen. Pas dan zal er zicht zijn op het aantal definitief vergunde windturbines.

Minister Schauvliege merkt op basis van de eerste analyses ook op dat er nog veel geschikte locaties zijn zoals havengebieden en industriegebieden die niet optimaal worden benut en waarvan we vaststellen dat de ontwikkeling aan de gang is. Blijkbaar worden in Gent en Antwerpen bijvoorbeeld veel vergunningen verleend door de constructieve opstelling van de havenbedrijven.

De knelpunten zitten in eerste instantie dus niet zozeer in het vinden van geschikte locaties, uit een analyse van de geweigerde stedenbouwkundige vergunningen blijkt het vaak veeleer te gaan om een niet-optimale ruimtelijke invulling van het gebied. Vanuit het aspect van de milieuvergunning blijkt dat ook de milieutechnische aspecten zoals geluid, slagschaduw en natuur een rol spelen bij de inplanting van de windturbines.

Een kaart met aanduiding van positieve zones is bijgevolg niet de oplossing om de plaatsing te versnellen, de oplossing moet veeleer worden gezocht in het instrumentarium. De juridische werkgroep richt zich daar vooral op. Een aanduiding van de positieve zones is niet direct aan de orde. Uit ervaring in binnen- en buitenland blijkt dat het vinden van dergelijke zones voor windturbines bijvoorbeeld in Wallonië geen evidente oefening is. De bedoeling is te zoeken naar een maatschappelijk aanvaardbaar potentieel in zones waar de hinder het laagst is. Hoe dat snel en effectief kan worden gerealiseerd, is de taak van de werkgroepen. Het onderzoek naar de mogelijkheden van tendering loopt.

Minister Schauvliege is volop bezig met de realisatie van de omgevingsvergunning met integratie van beide vergunningen. Dat impliceert één aanvraag, één openbaar onderzoek en finaal één beslissing. Dit zal dus zorgen voor heel wat voordelen en vereenvoudigingen, ook op het vlak van opvolging. Ook het decreet complexe projecten waarbij planning en vergunning beter met elkaar sporen, zal wellicht een gunstige invloed hebben. Het is aan de werkgroepen om uit te zoeken of er bijkomende instrumenten nodig zijn.

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister-president, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord. Ik wil duidelijk zijn. We zijn vandaag optimistischer dan in het verleden, toen we de Raad voor Vergunningsbetwistingen startten in september 2009. Daar waren ook redenen voor: de raad was onderbemand en had nooit zo’n toevloed aan dossiers verwacht. Gedurende jaren groeide het aantal achterstallige dossiers aan.

We hebben mee gepleit voor de oprichting van een dienst van de bestuursrechtscolleges, ook voor de polyvalente inzetbaarheid van die rechters. Die is er vandaag.

Ik ben ook bijzonder verheugd over de uitspraken in het persbericht van vanmorgen waarin wel degelijk perspectieven worden gegeven. Toevallig vandaag, de dag dat we die vragen stellen, verschijnt dat persbericht. Het is blijkbaar zo snel moeten gaan dat het bericht zelfs niet op de site van DBRC staat. Maar het is goed nieuws en dat juichen wij uitermate toe.

We mogen onze aandacht echter niet laten verslappen. De omgevingsvergunning komt eraan en tegen die tijd moet dit instrument op poten staan. Dat beleidsplan had er eigenlijk al moeten zijn, minister-president, en ik zie u instemmend knikken. Ik reken dan ook op u dat u erop aandringt dat dit beleidsplan er zo snel mogelijk komt.

Wat de doorlooptijd van de procedures betreft, ben ik het met u eens dat zes maanden niet haalbaar is. Maar de doorlooptijd van de procedure hoeft ook niet noodzakelijk de optelsom te zijn van de maximumperiodes van de verschillende procedures. Sommige stappen in de procedures kunnen sneller gaan waardoor de doorlooptijd niet per se de optelsom moet zijn van de maximale doorlooptijd.

Wat de bemiddelingsprocedures betreft, is het goed dat u nagaat hoe dat op andere plaatsen gebeurt. Wanneer kunnen wij de resultaten van die benchmark verwachten?

Wij pleiten vandaag voor een maximale voorbereiding op het invoeren van de omgevingsvergunning. Onze gemeentelijke ambtenaren moeten daarop voorbereid zijn. Ook de ambtenaren op andere beleidsniveaus moeten daarop voorbereid zijn. Diegenen die ermee zullen moeten werken, moeten daarop voorbereid zijn. Ook de DBRC moet daarop voorbereid zijn. Er mag een duidelijk signaal die richting uitgaan dat men zich daar klaar moet houden.

De heer Ronse verwees naar de gedachtewisseling. Ik ga ervan uit dat die er nog komt. Ik denk dat die hier in deze commissie hoort te gebeuren. Dit valt onder de bevoegdheid van de minister-president. Het is zeker nuttig om mensen uit te nodigen om nog eens grondig van gedachten te wisselen.

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

Mijnheer Ceyssens, we juichen toe dat de gedachtewisseling er weer staat aan te komen. Of die nu hier of in de commissie Leefmilieu moet plaatsvinden, laat ik in het midden.

Minister-president, u geeft een aantal positieve berichten. Niet alleen de sector van de windturbines heeft zich geërgerd aan de achterstanden. Iedereen die bouwaanvragen indient, ergert zich continu aan het feit dat het allemaal veel te lang duurt, ondanks de positieve intenties bij de installatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Ik hoop dat de achterstand nu definitief weggewerkt wordt. Ik vind het positief dat u hoopt dat tegen augustus 2016 een heel deel van de historisch gegroeide achterstand zal zijn weggewerkt.

Het is ook positief dat u in 2016 1 miljoen euro extra middelen uitgeeft om te zorgen voor de werking, meer bepaald het digitale verloop, en voor extra personeelskosten. Op die manier kunnen we vermijden dat er in de toekomst een nieuwe achterstand ontstaat.

Wat betreft de bestuurlijke lus hebben we de besluitvorming van de Vlaamse Regering gezien die begin oktober 2015 is genomen. We hopen dat er geen valse start meer zal zijn en dat de bestuurlijke lus definitief voor iedereen die erom vraagt, de nodige rechtszekerheid kan geven en dat de langere termijnen daardoor worden uitgeschakeld.

Inzake de positieve zones heb ik me in de commissie Leefmilieu ook al de bedenking gemaakt dat er bepaalde provinciebesturen, naast de omzendbrief en de bestaande regelgeving over waar windturbines kunnen komen, gestart zijn met het uittekenen van provinciale plannen. Ik bekijk dat met argusogen, want dat maakt het complexer. Als de regelgeving duidelijk is, moeten we niet nog expliciet komen met positieve zones of provinciale plannen. Ik hoop dat we op dat elan verder kunnen gaan en dat we verder kunnen inzetten op windenergie die we nodig hebben om te voldoen aan de klimaatdoelstellingen.

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Minister-president, het is zeer positief dat u extra middelen investeert in de werking van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Die komen ook goed op tijd. Ik verwacht elk moment de finale beslissing van de Vlaamse Regering over de uitvoeringbesluiten Omgevingsvergunningen. Minister Schauvliege heeft aangekondigd dat die voor elk moment zijn. Dan hebben ze nog een jaar vooraleer ze up and running zijn. De Raad voor Vergunningsbetwistingen zal dan extra workload krijgen. Zeker voor het milieuaspect wordt dat een grote uitdaging. De extra investering is dan ook een goede zaak om enerzijds de pijnpunten uit het verleden weg te werken en anderzijds tegemoet te komen aan de uitdagingen die op ons afkomen.

Mijnheer Ceyssens, ik vrees dat we ons als niet-vaste leden van deze commissie niet bijzonder populair maken als we de gedachtewisseling over de Raad voor Vergunningsbetwistingen hier willen houden. Ik zag al enkele collega’s kijken die zich afvroegen waarom deze vraag over ruimtelijke ordening wordt gesteld aan de minister-president. Het dossier van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is dermate gekoppeld aan de manier waarop het hele systeem van het verlenen van vergunningen werkt, dat de gedachtewisseling volgens mij eerder thuishoort in de commissie Ruimtelijke Ordening.

Het gaat niet alleen over de rentabiliteit van de windenergiesector, maar ook over de competitiviteit van de bedrijven. Ik ben recent op bezoek geweest bij enkele spelers uit de diepvriesgroentesector. Ze geven aan dat de energiekost hoger is dan de loonkost. Windturbines zijn voor hen hypernoodzakelijk, willen ze opnieuw wat rentabiliteit genereren. In die zin zijn alle initiatieven die u noemt, positief. Ze moeten met de nodige vastberadenheid worden voortgezet.

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Ik sluit mij aan bij de vraag over de fastlane, om windenergie een juridisch solider kader te geven. Het was inderdaad de bedoeling om het technisch, economisch en maatschappelijk aanvaarde potentieel in Vlaanderen precies in kaart te brengen, en om diverse manieren te onderzoeken om voor zones waar zo’n potentieel aanwezig is, de inplanting van windturbines te faciliteren. De cruciale vraag hierbij is of dit op een zodanige manier gaat gebeuren dat de situatie in juridisch opzicht solider en meer sluitend wordt gemaakt, zodat er ook minder kans is op langdurige procedures. Als een regelgeving van die aard zal zijn, zal het weinig zin hebben om met allerhande procedures af te komen. Op die manier zul je minder procedures hebben.

Mijn vraag is klaar en duidelijk: minister-president, hoe denkt u om, binnen het plan, deze positieve zones, waarop u zegt de nadruk te leggen, juridisch te verankeren, om op die manier het aantal procedures achteraf te verminderen?

Jan Hofkens (N-VA)

We hebben die gedachtewisseling vorig jaar in de commissie Leefmilieu gehad. Maar vanaf 1 januari 2015 is de Raad voor Vergunningsbetwistingen een bevoegdheid van het Algemeen Beleid onder de minister-president. Hoewel het daarstraks, toen ik het hoorde, wat tegennatuurlijk klonk, zou ik dan toch verwachten dat die gedachtewisseling eerder hier zou thuishoren. Maar die werd, tot op vandaag, niet geagendeerd.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Er zijn hier twee soorten vragen. De ene gaan over de DBRC, de andere gaan over hernieuwbare energie, de fastlane en de positieve zones.

Mijnheer Danen, ik heb misschien onvoldoende duidelijk gezegd wat minister Schauvliege ook al zei, maar ik meen toch een paar keer te hebben gezegd dat zij niet zozeer inzet op die positieve zones. Zij werd daarin ook bijgetreden door specialisten die zeggen dat het er veeleer op aankomt om de instrumenten en procedures te versnellen en efficiënter te maken, op zo veel mogelijk daartoe geschikte plaatsen. Daarbij moet natuurlijk zo veel mogelijk rekening worden gehouden met alle omstandigheden, omgevingsfactoren en bezwarende factoren zoals geluid, slagschaduw, visuele hinder en dergelijke. Er moet zo veel mogelijk worden ingezet op hernieuwbare energie, die alsmaar goedkoper wordt. Windenergie wordt goedkoper. We moeten het nog altijd subsidiëren, maar het wordt goedkoper. De molens worden efficiënter. Ik wil u uitnodigen om die discussies in het vervolg verder ten gronde te voeren in de daartoe geëigende commissie.

Tot spijt van wie het benijdt, zal de discussie over de DBRC hier worden gevoerd. We hebben niet voor niets de twee rechtscolleges samengebracht. We hebben ook nog de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Die komt maar om de zoveel jaar samen, tenzij er met Linkebeek tussendoor een verkiezingsbetwisting zou zijn. De verkiezingsbetwisting toegewezen aan deze DBRC, valt inderdaad onder mijn bevoegdheid.

Collega’s, ik betreur met u dat er nog geen beleidsplan is. Ik kan natuurlijk de pen niet vasthouden. Ik heb de eerste voorzitter herhaaldelijk gevraagd om dat te doen. Hij zegt in zijn jaarverslag waarom hij het niet heeft gedaan. Ik ga er nu van uit dat er een beleidsplan komt dat door de nieuw samengestelde algemene vergadering wordt goedgekeurd en dat effectief een plan bevat dat zegt hoe er moet worden omgegaan met het wegwerken van de historische achterstand en vooral hoe we ertoe moeten komen dat er in de toekomst binnen redelijke termijnen uitspraken kunnen worden geveld. Het is belangrijk dat iedereen in een rechtsstaat, ook los van de windenergieproblematiek, bij elke betwisting een uitspraak binnen redelijke termijn kan krijgen.

We hebben daar heel veel inspanningen voor gedaan. De eerste stap die ik zette, was het oprichten van die ene dienst. We mochten het geen rechtscollege noemen. Die dienst verzekert de polyvalente inzetbaarheid van de rechters. Er was een afschuwelijke discrepantie in de werklast bij de Raad voor Milieuhandhaving, in vergelijking met de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Bovendien moeten we bevestigen dat er van bij de start destijds, nog onder toenmalig minister Van Mechelen, een onderschatting was van het aantal zaken. Dat aantal was veel groter dan waar men aanvankelijk van uit is gegaan. Er zaten van meet af aan flessenhalzen en moeilijkheden in. We hebben die achterstand alsmaar zien oplopen. Daarom hebben we aanvullende rechters benoemd. Ik hoop dat de twee aanvullende bestuursrechters die daarvoor nog in aanmerking komen, nog tijdelijk worden ingezet. Dat is een eigen, zelfstandige beslissing van de DBRC. Het kan omdat de werkingsmiddelen worden verhoogd. Men zou een beroep kunnen doen op die aanvullende rechters om de historische achterstand weg te werken, zodat men de toevloed op een behoorlijke manier zal kunnen opvangen en van goede uitspraken voorzien, want die toevloed zal inderdaad groter worden zodra we met de omgevingsvergunningen zitten.

De regering heeft alle mogelijke maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de DBRC op een performante manier werkt. Er is een juridisch en wettelijk instrumentarium aangereikt, dat toelaat om een aantal zaken sneller en efficiënter af te handelen. We hebben dat hier al uitvoerig besproken. Er zijn binnen het budget vijf bijkomende rechters benoemd. Zij zijn in dienst getreden. Vanaf 1 januari 2016 is er bijkomend budget. Dan doen we de procedure om elf referendarissen bij te benoemen. Dat is wat moderne rechtspraak vergt.

Dat zou ook in de burgerlijke rechtspraak moeten gebeuren. Ik pleit er al twintig jaar voor dat de taak van de griffier totaal anders zou zijn. Dat moet ook een beleidsvoorbereidende en ondersteunende functie zijn. De griffier zou de vonnissen moeten voorbereiden, zoals de referendarissen dat doen op een zeer goede manier in het Grondwettelijk Hof, in het Hof van Cassatie, en op andere plaatsen in het buitenland. Daar gebeurt dat op een moderne manier. Daar tikt de griffier allang niet meer het vonnis uit dat de magistraat met zijn balpen heeft uitgeschreven. Hij zou een veel modernere taak moeten hebben. Dat is wat wij hier doen met de referendarissen. Dat moet magistraten toelaten om te doen wat hun kerntaak is, namelijk rechtspreken, nadat de zaak geanalyseerd is, nadat vorige uitspraken, analyse van de wet enzovoort, aangebracht zijn door de referendarissen, waardoor je op een snelle manier tot uitspraken moet kunnen komen.

Ik neem aan dat u uitkijkt naar de gedachtewisseling die – zo neem ik aan, mijnheer Ronse – effectief in deze commissie zal plaatshebben.

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister-president, die onderschatting destijds was niet de minste. Toen werd ze geschat op 350 dossiers per jaar, ongeveer 25 procent van het werkelijke aantal dat is binnengekomen. Maar goed, we zijn blij dat de investeringen gedaan zijn zodat we nu die dossiers het hoofd kunnen bieden. Ik ben ook blij met de data die vooropgesteld zijn om de achterstand weg te werken. Ik heb nog geen antwoord gehad op mijn vraag wanneer we de resultaten van de benchmark kunnen verwachten.

Minister-president Geert Bourgeois

Ik ga de benchmark vragen aan mijn administratie. Ik ga daar geen grote, dure consultancy over laten doen. Ik denk dat de administratie in staat moet zijn om na te gaan of in een aantal buurlanden voorbeelden bestaan van bemiddeling inzake administratieve rechtscolleges en tot welk percentage van effectiviteit die leiden. Dat moet kunnen worden nagegaan zonder er een dure consultancy over te laten doen. Ik neem aan dat men mij daar in het voorjaar over kan informeren. Dat is geen grondige studie. We gaan daar geen 40.000 euro voor consultancy aan besteden.

Daarnaast moeten we het bemiddelingsinstrument, dat heel pril is, zijn kansen geven. Ook in burgerlijke zaken is er een heel groot verschil van kamer tot kamer en van rechter tot rechter. Sommige rechters treden zeer actief op en bestuderen de zaak. In Nederland is dat trouwens verplicht. Na het eerste verweer is er een comparitie, een comparitie na verweer, waar de partijen opgeroepen worden. Dat leidt tot fantastische afhandelingscijfers met tevredenheid van de partijen die een akkoord sluiten, waarna er niet verder geprocedeerd moet worden, geen uitspraak moet gebeuren en ook geen beroep moet komen. Het hangt voor een groot deel af van de rechter zelf die een actieve rol speelt en die bemiddeling ziet. Ik denk – het is gewoon intuïtie – dat je dit soort zaken, waar het gaat over privébelangen versus publieke belangen, met vaak tussenkomende partijen, niet direct over dezelfde kam mag scheren als een burgerlijke procedure tussen twee partijen, waar private belangen botsen en waar het wellicht – ik herhaal het voorzichtig – soms iets makkelijker is om tot een consensus te komen dan in dit soort zaken omdat het gaat over wettelijke bepalingen en dergelijke. Je moet altijd binnen dat kader opereren.

Ik neem aan dat u het voorjaar van 2016 bedoelt. Op het gevaar af nog onpopulairder te worden bij de vaste leden van deze commissie, wil ik afsluiten door met aandrang aan de voorzitter te vragen om die gedachtewisseling te agenderen.

De voorzitter

We waren aan het kijken of het jaarverslag al is ingediend. Blijkbaar wel. U hebt daarnaar verwezen. Het zal er inderdaad aankomen.

De heer Ronse heeft het woord.

Ik zal met zeer veel plezier naar deze commissie komen voor de gedachtewisseling. Het aandringen op een beleidsnota van de voorzitter van de raad zelf, zal een van de elementen zijn die op zijn minst in die gedachtewisseling aan bod zullen komen.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.