U bent hier

Commissievergadering

donderdag 12 november 2015, 10.05u

Voorzitter
De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, op de website van de hogeschool VIVES staat sinds kort onder de rubriek ‘Aanrekening van forfaitaire en extra-studiekosten’ het volgende te lezen: “Specifieke en in omvang beperkte kosten voor het gebruik van goederen en de organisatie van specifieke evenementen kunnen worden doorgerekend aan de student voor zover zij rechtstreeks verband houden met de organisatie van de opleiding. Indien dit het geval is, wordt daarover in de mate van het mogelijke in de programmagids van de opleiding voor aanvang van het academiejaar duidelijkheid verschaft.” Verder staat er: “Bepaalde kosten worden op forfaitaire basis aangerekend. Voor academiejaar 2015-2016 bedraagt dit 80 euro.”

Dit resulteert voor studenten die meer dan halftijds zijn ingeschreven, in extra kosten van 80 euro boven op het hoger inschrijvingsgeld van 890 euro. Ook voor voltijdse beursstudenten betekent die 80 euro bijna een verdubbeling van hun inschrijvingsgeld, dat 105 euro bedraagt. Voor studenten met minder dan een halftijdse studiebelasting komt het op 40 euro.

Volgens VIVES dient dit bedrag voor het gebruik van computers, de beschikbaarheid van de gemeenschappelijke ruimtes en het gebruik van het wifinetwerk. Het voorleggen van deze forfaitaire factuur behoort tot de autonomie van de instellingen, zegt de voorzitter van de Associatie KU Leuven, de heer Oosterlinck.

In het onderwijs- en examenreglement van VIVES staat er te lezen dat bij het uitblijven van betaling van het studiegeld de student in kwestie kan worden geschorst als wanbetaler. Een wanbetaler kan niet deelnemen aan examens en er wordt ook geen studieattest of creditbewijs afgeleverd.

De vraag is wat er kan gebeuren als een student weigert die extra forfaitaire factuur te betalen terwijl het studiegeld bijvoorbeeld wel al werd betaald. Er zijn reeds juridische uitspraken geweest in het leerplichtonderwijs dat scholen het diploma van een leerling niet mochten achterhouden omdat die na het afstuderen nog openstaande facturen had. Het kan een gevaarlijk precedent betekenen indien andere hogeronderwijsinstellingen een gelijkaardige redenering gaan maken voor hun nutsvoorzieningen. Denken we bijvoorbeeld aan het gebruik van het sanitair of de refter. De vraag is dan ook of dit tot 80 euro beperkt zal blijven. Voor ons staat dit echt haaks op de democratisering van ons hoger onderwijs. Het jaagt jongeren, zeker de beursstudenten, en hun ouders nog maar eens op kosten.

Minister, hoe staat u tegenover het aanrekenen van die forfaitaire kosten voor nutsvoorzieningen, boven op het verhoogde inschrijvingsgeld? Wat gebeurt er indien een student weigert dat te betalen? Hebt u weet van andere instellingen die hetzelfde doen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Mevrouw Soens, ik dank u voor deze zeer interessante vraag. Ik wil wel eerst een opmerking maken. Ik heb uw persbericht gelezen. Erin zegt u dat de hogere factuur bewijst dat mijn besparingen het onderwijs treffen. Ik wil u wel melden dat die 80 euro ook vorig academiejaar bestond, en ook de jaren daarvoor. We hebben speciaal contact opgenomen met de school om te vragen hoe dat nu precies in elkaar zit. Ik lees het sms’je voor: “Vorig jaar eveneens 80 euro voor een voltijds student. De jaren ervoor kon het enkele euro’s verschillen per studiegebied.” Ik betreur de link die u maakt met de gestegen kosten dus enorm, los van het feit dat ik uw vraag inhoudelijk zeer interessant vind. Ik vind echter niet dat u zo’n link kunt maken als het iets is dat eigenlijk al een aantal jaren bestaat.

Nu ga ik in op het dossier zelf. Het studiegeld moet de toegang tot het onderwijs dekken, inclusief het afleggen van de examens. U weet waarschijnlijk dat er vroeger een onderscheid was tussen collegegeld en examengeld. Persoonlijk studiemateriaal is daarbij niet inbegrepen. De student betaalt cursussen, draagt bij voor eventuele studiereizen, moet naargelang de opleiding ook over eigen audiovisueel materiaal beschikken enzovoort. Die kosten vallen buiten het decretaal vastgelegde studiegeld. Een instelling kan die kosten dus aanrekenen, maar – en dat is de belangrijkste kanttekening – het moet wel gaan om specifieke uitgaven, niet om de toegang tot het onderwijs zelf of tot de examens. Een louter forfaitaire aanrekening zonder specifieke verantwoording kan dus niet. Daar ben ik echt wel zeer duidelijk over. Dat kan niet.

Het onderwijs- en examenreglement van de hogeschool in kwestie stelt dat specifieke kosten kunnen worden doorgerekend aan de student, en dat daarover zo duidelijk mogelijk moet worden gecommuniceerd via de programmagids die vóór de aanvang van het academiejaar beschikbaar is. Het reglement stelt dat bepaalde kosten op forfaitaire basis kunnen worden aangerekend. Er is dus sprake van specifieke kosten, en die zouden ook via de programmagids nader worden omschreven. Men hanteert echter een forfaitair bedrag. Mevrouw Soens, dat staat inderdaad ook op de website. Het kan dat de kosten waarover het gaat, voor kopieën, software, materiaal in labo’s en ateliers, voor alle studenten ongeveer gelijk zijn. Dan zou het hanteren van één bedrag een pragmatische en billijke oplossing kunnen zijn. Ik moet echter duidelijk zijn. Mevrouw Soens, u hebt een punt. Mijn eerste opmerking is helemaal anders dan mijn tweede. Ik vind dat zomaar forfaitair kosten aanrekenen, zonder daar duidelijk over te zijn, niet kan.

Ik zal de regeringscommissaris dus vragen te bekijken op welke manier die zaken worden berekend, om een onderzoek te verrichten. Ik zal bovendien ook eens bekijken hoe we in kaart kunnen brengen op welke manier andere hogescholen en universiteiten omgaan met het aanrekenen van kosten naast het studiegeld zelf. Voor mij is het immers echt wel cruciaal dat alles transparant is. We vragen dat trouwens ook in het secundair onderwijs, in het schoolreglement. Men mag kosten aanrekenen, maar het moet wel duidelijk zijn waarover het gaat. Men mag niet zomaar forfaitair een bedrag per student aanrekenen. Wel moet ik zeggen dat dit niet zomaar out of the blue komt. Daarom vond ik het van belang om de eerste opmerking te maken. Ik heb geen signalen van studenten gekregen die wanpraktijken ter zake aanklagen. Het is dus niet zo dat dit wijdverspreid is, maar we zullen bekijken hoe dat aanrekenen van een forfaitair bedrag door die ene hogeschool wordt gemotiveerd, en ik zal dat wel uitbreiden tot iedereen. Ik zal bekijken hoe dat elders gebeurt.

Wat gebeurt er als een student weigert die factuur te betalen? Ook wat dat betreft, wil ik proberen wat duidelijkheid te scheppen. Een student die zich inschrijft, gaat een contract aan met de instelling. Hij is verplicht om de bepalingen van het onderwijs- en examenreglement te respecteren. Een sanctie mag nooit in wanverhouding staan tot de overtreding. De toegang tot de examens weigeren of het diploma niet verstrekken staat uiteraard compleet in wanverhouding tot een achterstallig bedrag van 80 euro. Instellingen zijn ook verplicht om een sociaal beleid te voeren. Ze krijgen daar van de Vlaamse overheid ook middelen voor. Ze begeleiden ook proactief studenten die problemen hebben met het betalen van hun studies, of het nu gaat om studiegeld, kosten voor studiemateriaal of kosten voor het levensonderhoud. Naar aanleiding van uw vraag hebben we ook eens bekeken op welke manier de hogeschool in kwestie daarmee omgaat. Ik vind dat ook wel een interessante oefening. De manier waarop ze omgaan met studenten en sociaal beleid is wel oké. Het is echter duidelijk dat men op deze basis de toegang tot de examens niet kan weigeren. Wat mij betreft, kan dat niet.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat u bevestigt dat forfaitaire kosten niet kunnen en dat u dit verder wilt onderzoeken, ook in de andere instellingen. Dat was ook mijn derde vraag.

Wat uw eerste opmerking betreft, het is maar het tweede jaar op rij dat er in die hogeschool een forfaitaire kostprijs wordt aangerekend. De kosten die verschillend zijn per studiegebied, zijn natuurlijk de extra studiekosten. Dat is een heel andere kwestie dan een forfaitaire kostprijs, die eigenlijk niet met een bepaalde opleiding wordt gelinkt.

U zegt dat het al langer aan de gang is, maar vorig jaar waren er natuurlijk ook al besparingen op het hoger onderwijs. Het is dus niet zo vreemd dat ik de opmerking maak dat sinds vorig jaar de forfaitaire kosten worden aangerekend in die bepaalde hogeschool.

Ik kijk uit naar het onderzoek dat u zult voeren, ook bij de andere instellingen, om te zien hoe dit verder kan.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Bedankt voor uw toelichting, minister, want ik was ook wel een beetje nieuwsgierig geworden. Ik vroeg mij onder andere af of het vragen van bijkomende kosten met verantwoording in beide soorten hogescholen mag, de publiekrechtelijke en de privaatrechtelijke. Of wordt daar een onderscheid in gemaakt, zoals je er in het leerplichtonderwijs ook van uit kunt gaan dat bijvoorbeeld het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap niet zo gemakkelijk bijkomende kosten kan aanrekenen als een vrije school?

Het gaat hier om een complexere realiteit dan in één vraag om uitleg gevat kan worden. Daarom is het ook interessant dat we ook eens kijken naar de aanwending van de STUVO-middelen (studentenvoorzieningen). Dan kunnen we begrijpen waarom voor bepaalde zaken nog bijkomende kosten kunnen worden aangerekend, en wat het beleid is van de diverse hogescholen en universiteiten. Ik denk dat dat interessant is om als informatie mee te geven aan de studenten, zodat men op voorhand weet wat men kan verwachten. Men denkt er soms goed aan te doen om dicht bij huis een school te kiezen, denkende dat dat goedkoper is, maar het lijkt mij nuttig om aan alle studenten het correcte plaatje mee te geven.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw toelichting en voor de opdracht die u aan de regeringscommissaris gaat geven om in die hogeschool uit te zoeken hoe dat bedrag tot stand is gekomen en om ook te kijken of er in de rest van Vlaanderen nog plaatsen zijn waar er op die manier kosten worden aangerekend. Met het feit dat er kosten worden aangerekend, is op zich niets mis. Als een student een cursus koopt, is dat ook een onderdeel van zijn studiekosten. We moeten opletten dat we het ene niet met het andere verwarren. Dat lijkt mij zeer belangrijk.

Wat de aanrekening van de kosten betreft, verwijs ik naar het basis- en secundair onderwijs, waar de kosten worden aangerekend per leerling, a rato van de kosten die hij werkelijk heeft gemaakt. Dat wordt natuurlijk gevat door alles wat betreft zorgvuldig bestuur, kosteloosheid en dergelijke meer. In het hoger onderwijs is dat iets anders, maar als een hogeschool of een instelling tot zoiets wil overgaan, moeten we kijken of ze meer specifiek kan aangeven waarvoor het dient, want forfaitair is ook maar forfaitair. We kijken uit naar het onderzoek dat u hebt aangekondigd, minister.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, kunt u nog eens herhalen sinds wanneer deze studenten de facturen voor forfaitaire en extra studiekosten precies krijgen? Mevrouw Soens zei dat het sinds vorig jaar was, maar ik heb uw antwoord anders begrepen.

De voorzitter

Mevrouw Crevits heeft het woord.

Collega’s, als je aan een hogeschool of universiteit studeert, is het evident dat je extra zaken moet betalen, zoals je boeken en dergelijke meer, maar er moet wel een verantwoording zijn. En op dat punt, collega Brusseel, is het voor hogescholen of universiteiten niet anders. Het forfaitair aanrekenen van kosten kan niet. Er zijn bijvoorbeeld faculteiten die cursussen ter beschikking stellen, en dan betaal je daarvoor. Er moet dus wel een band zijn tussen wat je betaalt en waarvoor het dient.

Het kan voor mij niet duidelijk genoeg zijn: je moet het kunnen verantwoorden. Dat is in het secundair onderwijs niet anders. Dat moet met de ouders doorgesproken worden, dat moet in het schoolreglement staan, en je moet dat verantwoorden. Wat mij betreft, is er in het hoger onderwijs geen enkele argumentatie mogelijk om dat op een andere manier toe te passen. Daar ben ik duidelijk in.

Mevrouw Soens, ik heb er het reglement van VIVES even bij genomen. Artikel 14 zegt dat een student enkel bij het niet-betalen van studiegeld als wanbetaler aangeduid wordt. Dus ook volgens een intern reglement kan het niet-betalen van die forfaitaire kosten daar nooit aanleiding toe geven.

Mijnheer De Meyer, men heeft mij gemeld dat het nu twee jaar zo is dat het bedrag voor iedereen 80 euro is en dat er in de jaren daarvoor ook een bedrag aangerekend werd, maar verschillend per studierichting. Men is vorig jaar overgeschakeld naar een globaal bedrag, gelijk voor alle studierichtingen. De traditie om iets aan te rekenen, bestaat al langer. De bedragen varieerden tussen 60 en 90 euro, maar wel forfaitair aangerekend.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, bedankt voor uw bijkomende antwoord. De vraag is dan natuurlijk of het vroeger echt forfaitair was, aangezien het per studiegebied was, en nu echt gelijk voor iedereen. Er is ook wel een verschil tussen een cursus kopen voor een bepaalde opleiding, waarbij je bijvoorbeeld ook kunt kiezen voor een tweedehands in de plaats van een nieuw boek, en forfaitaire kosten voor het gebruik van de wifi of van een gemeenschappelijke ruimte, waar je als student misschien nooit gebruik van maakt, maar toch 80 euro voor moet betalen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.