U bent hier

Commissievergadering

maandag 9 november 2015, 14.30u

Voorzitter
van Joris Poschet aan minister Liesbeth Homans
283 (2015-2016)
15 (2015-2016)
Externe sprekers
Liesbeth Homans (Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding), Jo Vandeurzen (Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin) en Hilde Crevits (viceminister-president van de Vlaamse Regering)
16 (2015-2016)
Externe sprekers
Liesbeth Homans (Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding), Jo Vandeurzen (Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin) en Hilde Crevits (viceminister-president van de Vlaamse Regering)

Collega’s, ik heb de drie ministers uitgenodigd die het meest betrokken zijn bij dit thema. Ze zullen elk een presentatie geven over hun beleid en actieplan vanaf de goedkeuring van de resolutie tot vandaag. Nadien kunnen we debatteren.

De ministers zullen tijdens hun betoog al antwoord geven op de vragen om uitleg. Daarna krijgen de vraagstellers het woord zodat ze kunnen repliceren.

Coördinerend minister Homans heeft het woord.

Collega’s, we hebben een powerpointpresentatie gemaakt en die hebt u allemaal ontvangen. Ik wil nog eens benadrukken, ook voor de media hier aanwezig, dat ik deze coördinerende functie op mij heb genomen, niet vanuit mijn bevoegdheid Inburgering, maar vanuit Binnenlands Bestuur. Ik vind dat heel belangrijk omdat ik het redelijk stigmatiserend zou vinden om dat vanuit Inburgering te doen en omdat we voor een deel te maken hebben met geradicaliseerde jongeren die bekeerd zijn. Die hebben niets met Inburgering te maken.

Ik geef een algemene situering, de afstemming en de coördinatie. Dan geef ik de concrete stand van zaken van de acties die betrekking hebben op mijn bevoegdheden, zijnde Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Integratie en Inburgering. Daarna zal minister Vandeurzen een stand van zaken geven op het terrein Welzijn en vervolgens zal minister Crevits de acties betreffende Onderwijs toelichten.

Op 3 april 2015 heeft de Vlaamse Regering het actieplan goedgekeurd. Daarmee gaf zij een concrete invulling aan een conceptnota van 16 januari 2015. Dat werd vertaald in veertig acties onder elf actiedomeinen. De eerste signalen dat mensen, jammer genoeg, naar Syrië vertrokken, dateren al van begin 2012. Ik vind het belangrijk om dat nog eens te benadrukken.

We moeten en kunnen vanuit Vlaanderen enkel focussen op preventie; repressie is compleet en uitsluitend een federale bevoegdheid. Preventie is natuurlijk belangrijk want repressie betekent dat het eigenlijk al te laat is.

We hebben beloofd om halfjaarlijks te rapporteren aan het Vlaams Parlement, vandaar dat we hier allemaal braaf aanwezig zijn om die belofte na te komen. Graag gedaan, voorzitter. Nu gaan we de eerste tussentijdse rapportage bespreken. Die rapportage is bezorgd aan het parlement, ruim op tijd, onmiddellijk nadat ze door de Vlaamse Regering is goedgekeurd. Ik neem aan dat iedereen die al heeft doorgenomen.

Voor ik begin aan mijn toelichting: ik maak een koppeling met uw resolutie omdat er heel veel zaken overlappen. Ik zal bij de acties aangeven aan welke punten van uw resolutie ik dan ben tegemoetgekomen.

Dan hebben we informatiedeling, afstemming en coördinatie. U ziet over welke concrete acties het gaat. Ik ga de nummers niet telkens opsommen, als u het niet erg vindt. In de media is daar een beetje cynisch over gedaan, er stond toch wel heel veel in over overleg en afstemming. Voor mij zijn overleg en afstemming, en vooral doorstroming en coördinatie absoluut noodzakelijk, zeker in ons land, met zijn versnipperde bevoegdheden en bestuursniveaus.

Een eerste concreet punt in deze acties is een overkoepelende coördinatie door een centrale verbindingspersoon/aanspreekpunt binnen het Agentschap Binnenlands Bestuur. Zij is de ondersteuning voor alle collega-ambtenaren, ze is een aanspreekpunt voor andere overheden en organisaties, ze pleegt bilateraal en ad-hocoverleg. Ze beantwoordt of dispatcht vragen van overheden of organisaties, telefonisch en per mail. Ze is met al deze zaken meer dan voltijds bezig. Ze doet dat zeer goed. Ze neemt deel aan permanente overlegstructuren. Ze is de voorzitter van het Vlaams Platform Radicalisering. Daar ga ik nog verder op in. Ze maakt deel uit van interne werkgroepen bij andere beleidsdomeinen en van de intervisiegroep ‘radicalisering’ met lokale ambtenaren bij de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). Ze staat in voor het overleg met radicaliseringsambtenaren van pilootsteden. Ze woont de coördinatievergadering met Binnenlandse Zaken, Dienst Preventie en Veiligheid bij. Ze is lid van de technische werkgroep van Binnenlandse Zaken, Dienst Preventie en Veiligheid met de centrale aanspreekpunten radicalisering van de regionale overheden. Ze probeert zo zoveel mogelijk uitwisseling en afstemming te bereiken.

Een tweede punt is de interne afstemming via het Vlaams Platform Radicalisering. Dit is een ambtelijk platform, geen politiek. Dat zijn de verbindingspersonen/aanspreekpunten binnen de betrokken departementen en agentschappen over alle bevoegdheidsdomeinen van de Vlaamse Regering heen die hierbij betrokken zijn. Er zijn al heel veel overlegmomenten geweest, u kunt de data daar terugvinden. De volgende vergadering is gepland op 18 november.

Zij staat ook in voor de informatie- en expertise-uitwisseling, de opmaak en voortgang van het actieplan, en de voorbereiding van gezamenlijke acties.

De externe afstemming via een centraal aanspreekpunt met de veiligheidsdiensten, de inlichtingendiensten, de politie en het parket is hier natuurlijk zeer belangrijk. Er zijn regelmatig bilaterale en informele contacten, al was het maar om concrete actuele cijfers op te vragen. De externe afstemming gebeurt ook via permanente overlegstructuren: een politiek-ambtelijke werkgroep vervolgingsbeleid is belast met de opmaak van de kadernota ‘Integrale veiligheid’; en er zijn een Nationale Task Force en de werkgroepen Preventie en Communicatie binnen het vernieuwde Plan R, met onder meer de uitvoering van de federale omzendbrief ‘Foreign Terrorist Fighters’. Op vraag van Vlaanderen, als ik mij niet vergis van mevrouw Kherbache, zijn ook de deelstaten vertegenwoordigd in deze nationale taskforce.

Het Platform Radicalisering en Terrorisme, met de kabinetten van de federale en de deelstaatministers, werd opgericht naar aanleiding van een vergadering van het Overlegcomité. Ook daarin zijn wij als regionale overheid betrokken.

Dan komen wij bij de ondersteuning van de lokale besturen. Dit is zeer belangrijk. Ik merk dat de lokale besturen deze actie zeer appreciëren. Een eerste concrete actie is hier dat er een projectsubsidie van 114.000 euro werd gegeven aan de VVSG voor de ondersteuning van het lokale preventiebeleid inzake radicalisering. Er zijn een voltijdse projectmedewerker, een helpdeskfunctie en een webpagina. Er was ook een onlinebevraging bij alle Vlaamse burgemeesters om te peilen naar de situatie en de noden in de Vlaamse gemeenten. Ze hebben jammer genoeg niet allemaal geantwoord. 119 burgemeesters hebben geantwoord. Bijkomend was er een apart overleg met de steden Vilvoorde, Mechelen, Antwerpen en Maaseik. Op 23 maart 2015 was er een eerste infosessie met 80 deelnemers vanuit lokale besturen. Op 26 mei 2015 was er in Mechelen de studiedag ‘Een integrale kijk op radicalisering: lokale antwoorden op een globale uitdaging’, met 21 praktijkgerichte workshops en 280 deelnemers. Netwerking en ervaringsuitwisseling tussen de steden, door die helpdesk en die persoon bij de VVSG, worden gefaciliteerd en versterkt door middel van, onder meer, intervisiegroepen en de bestaande VVSG-werkgroepen en -commissies. Er is ook een lokale ondersteuning ter plaatse door middel van presentaties en toelichtingen in verschillende gemeenten en door middel van deelname aan het lokale overleg.

Een draaiboek voor gemeenten is in ontwikkeling. Het gaat niet zozeer over wat radicalisering is, maar wel over wat lokale besturen moeten doen, welk nummer zij moeten bellen en welke diensten zij moeten contacteren wanneer zij met een radicaliserende jongere te maken krijgen. Er is ook een databank met goede lokale praktijkvoorbeelden in ontwikkeling. Op 14 december 2015 zullen draaiboek en database worden voorgesteld op een toonmoment. Gezien de positieve reacties van vele lokale besturen en de aantoonbare meerwaarde van deze actie, heb ik al beslist om dit project met minstens een jaar te verlengen. Zo zullen zij de expertise verder kunnen uitbouwen.

Een tweede belangrijke actie in de ondersteuning van de lokale besturen is het versterken van de lokale regie met een projectsubsidie. De lokale besturen moeten in dezen een regierol opnemen. Zo moet één aanspreekpunt in de gemeente alle partners die bezig zijn met deze problematiek, rond de tafel brengen. Het gaat dan vaak om een personeelslid dat bijkomend wordt aangeworven. De projectoproep werd gelanceerd in juni 2015. De indiendatum was 18 september 2015. U kunt zich nu afvragen of dit allemaal niet lang duurt. Ik denk dat het essentieel is dat er goede projecten worden ingediend. Het voorbereiden van een goed project vergt enige tijd. We moesten de lokale besturen toch genoeg tijd geven om kwaliteitsvolle projecten te kunnen indienen. Er is een budget van 500.000 euro voor het versterken van het lokale beleid inzake de preventie van radicalisering. De focus zal liggen op lokale regie en partnertafels met Vlaamse actoren. De selectie zal uiterlijk op 30 november 2015 gebeuren. Zo kunnen al deze projecten ten laatste begin 2016 van start gaan.

Een derde belangrijk actiepunt in de ondersteuning van de lokale besturen is dat het Agentschap Integratie en Inburgering (AII) zijn expertise inzake interculturaliteit prioritair ter beschikking stelt van lokale actoren in gemeenten met een radicaliseringsproblematiek. Dat is zeer belangrijk. Zo zorgde het AII al voor vorming, ondersteuning, trajecten, intervisie en dergelijke in Kortrijk, Oostende, Vilvoorde, Maaseik, Maasmechelen, Leuven en Turnhout.

Onderzoek was ook een concrete actie. Bij het Agentschap Integratie en Inburgering loopt het onderzoeksproject ‘Positieve identiteitsontwikkeling van jongeren met een migratieachtergrond ondersteunen’, het betreft een bevraging van professionals uit verschillende sectoren.

De dienst Preventie en Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wil een ‘Denktank radicalisme, gewelddadig extremisme en terrorisme’ opstarten. Ook de deelstaten zullen er gebruik van kunnen maken. Dat is dus ook heel goed.

Ook in een interdisciplinaire werkgroep van academici en onderzoekers, georganiseerd door de federale dienst Preventie en Veiligheid, worden de regio’s in de toekomst uitgenodigd. In deze commissie werd meermaals gezegd bij andere vragen om uitleg dat er heel veel bij de federale overheid zit en dat het goed zou zijn dat Vlaanderen meer betrokken is. Aan die terechte verzuchting is dus meer dan tegemoetgekomen.

Er is ook de opvolging van goede praktijkvoorbeelden zoals het ‘Radicalisation Awareness Network’ (RAN) van de Europese Commissie. Ze hebben een webstek en een nieuwsbrief. 

Er is ook de vorming voor eerstelijnswerkers. Een eerste concrete actie is de vorming voor eerstelijnswerkers in zes pilootsteden. Vzw Motief zorgde voor de vorming ‘Identiteitsontwikkeling bij moslimjongeren’. Aan dit project hebben we 40.000 euro gegeven. Het behelsde een vierdaagse vorming voor leerkrachten, hulpverleners en jeugdwerkers. U ziet op de slides in welke steden de vormingssessies plaatsvonden. Ik zal ze niet opsommen. U ziet dat staan.

Op de volgende slide ziet u wat de inhoud was van die vorming door vzw Motief. Ook die punten zal ik niet allemaal opsommen, dat zou ons te ver leiden.

Een tweede concrete actie is ‘train-the-trainer’. Dit is eigenlijk het vervolg van de vorming die vzw Motief dit jaar gaf. Train-the-trainer is een efficiënte en duurzame manier om nog meer eerstelijnswerkers te kunnen bereiken. We vormen immers vormingsmedewerkers die vervolgens ook eerstelijnswerkers kunnen vormen. Het is een basisvorming radicalisering die bestaat uit draaiboek, lesmateriaal en een cursus voor de eindgebruikers.

Ook voor deze vorming staat vzw Motief in, in samenwerking met andere organisaties. We willen immers een zo compleet mogelijk vormingspakket. Er zal ook een opvolging gebeuren door een stuurgroep met onder meer expertise van radicaliseringsambtenaren. Daardoor zal er ook een goede aansluiting zijn op lokale noden. Het budget hiervoor zal ongeveer het dubbele zijn dan dat voor het project van dit jaar: dit jaar 40.000 euro, volgend jaar 80.000 euro.

Een volgende concrete actie is het ontwikkelen van een aanbod maatschappelijke oriëntatie (MO) en Nederlands als tweede taal (NT2) op maat van imams. Daar staat 50.000 euro tegenover. Zowel het Agentschap Integratie en Inburgering, overkoepelend, als Antwerpen start een pilootproject waarbij MO en NT2 aangeboden worden op maat van imams. We hebben dit absoluut gedaan in overleg met de Moslimexecutieve. Dat was heel belangrijk. We mikken ook op het bereiken van imams van niet-erkende moskeeën. We kunnen hen weliswaar niet verplichten, maar we willen hen er graag bij betrekken. Een nauw overleg met moslimgemeenschappen is heel belangrijk opdat ze ook mee kunnen zorgen voor een optimale toeleiding, ook van de imams die we niet kunnen verplichten om een traject te volgen, dat is nog iets anders dan imams van niet-erkende moskeeën. U weet allemaal wanneer een imam verplicht is om een inburgeringstraject te volgen en wanneer niet. Het gaat begin 2016 van start.

Ik herhaal dat we enig overleg hebben gepleegd met de moslimgemeenschappen. Dat is belangrijk. Dat we begin 2016 met deze actie van start kunnen gaan, is een heel goede zaak. Ik heb liever een gedragen project, ook gedragen door de organisaties die het moeten bekendmaken en promoten bij imams, dan een project dat niet gedragen is. Er zal een pilootproject zijn in Antwerpen en in Vlaams-Brabant, in de stad Vilvoorde.

Een andere concrete actie is dat we de Moslimexecutieve ondersteunen bij de oprichting van een infolijn. Concreet gaat het over een infolijn waar jongeren vragen kunnen stellen over de interpretatie van de Koran en de islam. Dit is goed voor 60.000 euro. De vacature voor de projectmedewerker zal worden uitgeschreven door de Moslimexecutieve. Er zal dus een projectmedewerker worden aangesteld die zowel telefonisch als per mail en ook via een webstek kan antwoorden op al die vragen. Er is ook ondersteuning door een website met informatie over de islam vandaag in Vlaanderen en er zijn beschikbare methodieken om in gesprek te gaan met jongeren over de islam.

Het opzet van deze actie is tweeledig. Enerzijds dient de actie om theologische ondersteuning te bieden aan jongeren die zoekende zijn naar hun moslimidentiteit en anderzijds om ondersteuning te bieden aan eerstelijnswerkers rond theologische vraagstukken. Ook deze actie start begin 2016. Het vergde heel wat overleg, maar alles is nu rond. Dat is goed en ook redelijk snel.

Hoe zal dit gepromoot worden? Het is natuurlijk één zaak om een actie op te zetten, maar we moeten ervoor zorgen dat die actie dan ook voldoende bijval krijgt en voldoende gepromoot wordt. Dat zal in eerste instantie gebeuren door de moslimgemeenschappen zelf, ook binnen het Vlaams Platform Radicalisering. Zo zal elk relevant beleidsdomein de juiste kanalen kennen.

Positieve identiteitsontwikkeling bij jongeren ondersteunen is een volgende concrete actie. Er is een projectoproep gelanceerd in juni 2015. De indiendatum was 6 september 2015. Er zijn 79 projecten ingediend: onder andere projecten van een individuele sportclub of een individuele jeugdvereniging, maar bijvoorbeeld ook door koepelorganisaties als Scouts en Gidsen Vlaanderen.

Het budget is 650.000 euro. Het is een cofinanciering met de minister van Jeugd. Ik leg 400.000 euro op tafel en minister Gatz 250.000 euro. De selectie zal uiterlijk op 30 november plaatsvinden, zodat we onmiddellijk kunnen starten.

Een andere concrete actie is dat de lokale taskforces een beroep kunnen doen op het Vlaamse instrumentarium in het kader van deradicalisering. De federale omzendbrief over de informatie-uitwisseling over en de opvolging van Foreign Terrorist Fighters (FTF) afkomstig uit België van 21 augustus 2015, bepaalt dat er een lokale integrale veiligheidscel moet worden ingericht voor uitwisseling tussen veiligheids-, bestuurlijke en sociale actoren in functie van de opvolging van de FTF. Zo wordt een brug gemaakt tussen het repressieve en het preventieve, wat goed is. Dat was ook een zeer expliciete vraag van de Vlaamse Regering en van het Vlaams Parlement. De uitwerking wordt verder opgenomen binnen de nationale taskforce.

Kennisopbouw en kennisdeling tussen Vlaanderen en andere landen was ook een concrete actie. De Algemeen Afgevaardigden van de Vlaamse Regering – samengevat: het Vlaams diplomatiek netwerk – hebben de opdracht gekregen informatie te inventariseren in die landen en steden waar ze actief zijn. Ze berichten ook over acties met betrekking tot radicalisering in het land van hun post en rapporteren hierover aan een centraal aanspreekpunt.

Een andere actie is het opvolgen van good practices via het RAN via de website en de nieuwsbrief en de uitwisseling van expertise met andere landen. Dat gebeurt ambtelijk door een centraal aanspreekpunt en leden van het Vlaams Platform Radicalisering, bijvoorbeeld in Nederland, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken. Er zijn verschillende conferenties, bijvoorbeeld in Oslo – waar ik zelf ben geweest –, in Parijs en Nederland. Volgende week ben ik uitgenodigd op een conferentie in Aarhus in Denemarken. Ze vonden ons actieplan qua preventie een goed voorbeeld en willen er graag meer over te weten komen.

Er is op regelmatige basis een uitwisseling met ambassades. De ambassadeurs van Denemarken, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Duitsland heb ik persoonlijk al meermaals gezien, en dat waren zeer nuttige overlegmomenten. Je merkt dan een evolutie in hoeveel vordering een bepaald land of een bepaalde stad al heeft geboekt. Je kunt er ook informatie uitwisselen, zodat je goed van elkaar kunt leren.

Ik heb toelichting gegeven over mijn concrete acties en een stand van zaken. Al mijn acties zijn uitgevoerd, of toch minstens in uitvoering. Ze zijn heel concreet, de budgetten zijn duidelijk. De volgende tussentijdse rapportage aan het parlement zal eind april 2016 zijn.

Voor we voortgaan, wil ik een verslaggever aanduiden. Mevrouw Krekels en mevrouw Meuleman zijn kandidaat.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ter aanvulling van wat minister Homans zei, wil ik enkele algemene bredere bewegingen schetsen die ons beleidsdomein impliceren. Ik wil hierbij ingaan op de gecoördineerde aanpak specifiek voor het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en stilstaan bij een aantal zaken die misschien al wat geëvolueerd zijn ten opzichte van het moment dat de foto van de ambtelijke werkgroep is gemaakt. Tot slot wil ik een aantal zaken voor de komende periode in beeld brengen.

Het mag gezegd – en dat werd ook bevestigd door de VN-waarnemers die ik, samen met minister Homans, op 14 oktober ontving – dat we in Vlaanderen heel wat acties op het terrein opzetten naar aanleiding van het actieplan van de Vlaamse Regering en in het kader van de resolutie van dit parlement. Dat sommige hiervan wat concreter en al gerealiseerd zijn, zoals vormingsinitiatieven en sensibilisering van professionelen op het terrein, het aanduiden van referentiepersonen en het versnellen van good practices als versterking van een breed bewustzijn van de problematiek, dat zult u uit mijn uiteenzetting kunnen afleiden.

Sommige acties zijn nog in volle ontwikkeling omdat we kiezen voor een gecoördineerde en duurzame aanpak – dat was een belangrijke conclusie van het voorbereidende werk. Dat lijkt evident, maar voor de welzijnssector is het een belangrijk punt. Als het gaat over het delen van informatie – om maar eens een belangrijk thema te noemen – moet je heel vaak samenwerkingsverbanden leggen met actoren die in het verleden misschien niet altijd vanzelfsprekend met elkaar overleg hebben gepleegd. Vaak gaat het over het delen van zachte informatie met alle randvoorwaarden die daarvoor bestaan, en waarvan het wetgevend kader niet alleen op het Vlaamse niveau wordt vastgelegd.

In het voortgangsrapport is duidelijk aangestipt dat het een momentopname is. We doen een aantal zaken op het ritme van en in aansluiting met wat op het federale niveau gebeurt. Als je op de letter en de geest van de aanbevelingen wilt ingaan, dan moet je die integrale aanpak nastreven.

Er is al terecht verwezen naar de omzendbrief inzake de Foreign Terrorist Fighters van 21 augustus 2015. Ondertussen is er een visietekst over de actualisering van het Plan Radicalisering van 27 oktober 2015. Dat is belangrijk omdat er steeds meer, ook op het federale niveau, signalen worden gegeven dat de ketenaanpak zich moet vertalen in een operationeel Plan Radicalisering. De tekst die eind vorige maand in omloop is gebracht, is daarvoor een heel belangrijke basis.

We hebben ook geprobeerd – in goed overleg met de collega’s – om de integrale aanpak in te brengen in de discussies over de opmaak van de nieuwe kadernota Integrale Veiligheid. In het verleden zijn er in ons land instrumenten gecreëerd om de integrale aanpak van veiligheidsfenomenen te kunnen realiseren. Er zijn tussen de verschillende overheden samenwerkingsstructuren gemaakt. Vanuit Vlaanderen is aangedrongen om in de kadernota een en ander te consolideren. Dat betekent dat we tegen het einde van het jaar in de kadernota, die een wettelijke basis heeft, een frame kunnen terugvinden dat ons in consensus brengt over de aanpak van veiligheidsproblemen, en dat over de verschillende bevoegdheden heen.

Informatiedeling is een van de cruciale elementen, ook informatiedeling tussen veiligheidsdiensten en de socio-preventieve sector. Daarin is tijdens de voorbije maanden behoorlijk wat tijd gestopt. Ook in onze administratie, concreet in het agentschap Jongerenwelzijn, zijn er initiatieven genomen om de overdracht van informatie mogelijk te maken. In de omzendbrief is verwezen naar de lokale integrale veiligheidscellen, en die zijn voor de welzijnssector een heel belangrijk item.

Het debat in de commissie over deze problematiek heeft nog eens het inzicht doen doordringen dat we leven in een superdiverse samenleving. Dat is voor de welzijnssector erg belangrijk omdat bij ons heel erg de overtuiging leeft dat een cultuursensitieve hulpverlening en meer bepaald jeugdhulpverlening cruciaal is, wil je op dit soort fenomenen op een goede manier inspelen. Dat gebeurt niet in één dag. Het veronderstelt een fundamentele inbreng van velen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de hulpverlening de juiste taal spreekt en de juiste mensen bereikt? In het regeerakkoord en de beleidsnota is dit thema geprioriteerd. We zijn ervan overtuigd dat het versterken van goede lokale praktijken een heel goede manier van aanpakken is. Het is heel duidelijk dat de uitdagingen voor de welzijns- en zorgsector groot zijn. Superdiversiteit veronderstelt ook dat we breed in zorg en welzijn die gevoeligheden vertalen in onze manier van werken.

Dit weekend nog heeft de Vlaamse zorgambassadeur cijfers gegeven over de instroom in de zorgberoepen, wat een heel belangrijk aspect is. Die cijfers geven ons hoop dat veranderingen mogelijk zijn. Naast de algemene stijging van de instroom in zorgberoepen zien we ook verschuivingen in het profiel van personen die kiezen voor een job in de zorg- en welzijnssector. Dat heeft enerzijds te maken met de economische realiteit, maar is anderzijds veroorzaakt door het gerichte beleid via de actieplannen ‘Werk maken van werk in de zorgsector’. Het aantal mannen actief in bepaalde domeinen, stijgt. We merken een demografische verschuiving in de keuze voor de job in de zorg- en welzijnssector.

We moeten toegeven dat er nog werk aan de winkel is op het vlak van de instroom van personen uit de allochtone gemeenschap. Dat is de reden waarom we onderzoeken hoe we nieuwe acties kunnen ondernemen. Dat is geen issue voor de heel korte termijn, maar een fundamentele overweging die we moeten maken. We zijn ervan overtuigd dat we op basis van de onderzoeksresultaten die we verwachten en in overleg met de sociale partners en experts, daar meer werk van kunnen maken. Een diversiteitsbeleid in Welzijn, Volksgezondheid en Gezin dringt zich echt op. De interculturalisering van zorg is expliciet opgenomen in het actieplan 3.0 ‘Werk maken van werk in de zorgsector’. Op een zeer operationeel niveau investeren we bijvoorbeeld bijkomende middelen in het project ‘De Touter’ in Antwerpen. De Touter is een organisatie met zeer veel ervaring in de jeugdhulp, een partner in het deradicaliseringsbeleid van de stad Antwerpen en ontwikkelde in het verleden al een draaiboek rond interculturalisering. Wij zullen hen ook financieren om die inzichten breder uit te dragen.

Wat zijn de acties van het plan en de link met de resolutie? Eerst en vooral is er de coördinatie. Het is natuurlijk de verdienste van dat actieplan dat een gecoördineerde aanpak leidt tot het mobiliseren van verschillende agentschappen en afdelingen binnen het beleidsdomein. Zo is er niet enkel een centrale coördinerende figuur geïnstalleerd binnen het departement, maar zijn er ook aanspreekpunten binnen de diverse agentschappen, zoals de afdeling Welzijn en Samenleving voor de centra algemeen welzijnswerk (CAW’s), de afdeling Justitiehuizen en de agentschappen Zorg en Gezondheid, Jongerenwelzijn, Kind en Gezin en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH).

Dat betekent dat er voor alle geledingen binnen het beleidsdomein aanspreekpunten inzake radicalisering zijn aangeduid die rapporteren aan het departement en waarvan de coördinerende figuur participeert in het Vlaams Platform.

Daarenboven is er een vertaling gerealiseerd binnen de integrale jeugdhulp, die bijvoorbeeld ook regionale afstemming en informatie genereert. Ook daar is de link gelegd met het concept en de hervormingen die we binnen de integrale jeugdhulp voor ogen hebben.

Ik heb verwezen naar de belangrijke omzendbrief Foreign Terrorist Fighters, wat de informatiedeling en coördinatie betreft. We zijn vanuit Vlaanderen actief bezig met de uitwerking van die informatieflux zoals die ook is vastgelegd in de omzendbrief. Dat geldt zowel voor het hulpverlenend aanbod als voor de justitiehuizen, de gemandateerde voorzieningen en de sociale diensten bij de jeugdrechtbank. Het moet gaan over minderjarigen, maar ook over meerderjarigen. Het moet dus duidelijke afspraken omvatten in het kader van wat we het concept van de verontrustende situaties noemen voor de minderjarige kinderen van bijvoorbeeld ook Foreign Terrorist Fighters als dusdanig.

In september heeft er hierover een overleg plaatsgevonden. Vanuit Vlaanderen ijveren we ervoor om in de fiche radicalisering en terrorisme van de kadernota Integrale Veiligheid en de visietekst over het Plan Radicalisering op te nemen dat er een performant wettelijk kader wordt uitgewerkt voor gegevensdeling, risicotaxatie, casusoverleg en casuscoördinatie.

We hebben daarover op Vlaams niveau al initiatief genomen. Vanuit het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin is het initiatief genomen om de instrumenten van de informatie-uitwisseling te operationaliseren. We zijn bezig rond thema’s als risico-inschatting, casusoverleg en casuscoördinatie, samen met de mensen van Justitie, Binnenlandse Zaken en de Staatsveiligheid. We onderzoeken hoe dat kan worden toegepast op de problematiek van radicalisering. We hebben daar wel wat ervaring mee. We hebben een aantal goede praktijken rond informatiedeling tussen Welzijn, politie en Justitie naar aanleiding van intrafamiliaal geweld, zoals het bekende CO3-project te Antwerpen en kindermishandeling. Wat we doen en ook proberen te verankeren in alle beleidsteksten, is dat we dat soort redeneringen en concepten ook toepassen als het gaat over radicalisering.

Voor ons is het belangrijk dat het geheel van de thema’s aan bod komt. Je moet het kunnen hebben over risico-inschatting, over casusoverleg en casuscoördinatie, en dat in een goed begrip van datgene wat mag worden verwacht van het Openbaar Ministerie, Binnenlandse Zaken, politie, Staatsveiligheid, het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD) en andere instanties.

Binnen de integrale jeugdhulp zijn er negentien referentieconsulenten aangeduid in de ondersteuningscentra jeugdzorg en de sociale diensten van de jeugdrechtbanken. Voor de integrale jeugdhulp moeten we zeker toevoegen dat wat betreft de uitwisseling van informatie van welzijnsdiensten naar het parket, bijvoorbeeld of een begeleiding al dan niet werd gestart, we recent decretale initiatieven hebben genomen om te bekijken hoe we dat kunnen verbeteren. De regering heeft het mozaïekdecreet voor ons beleidsdomein goedgekeurd. Nu gaan we dus de adviesronde in. Daarin zijn ook een aantal bepalingen opgenomen die dat moeten aanscherpen naar aanleiding van de evaluatie van de integrale jeugdhulp. Dat gaat het mogelijk maken om meer duidelijkheid te creëren in de vordering van de jeugdrechter door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van situaties van hoogdringendheid.

Wat de justitiehuizen betreft, werd er geopteerd om de directeurs van elk justitiehuis aan te duiden als referentiepersoon. We hebben dat langs de ene kant gedaan vanuit de ervaring dat, als dat wettelijk kader rond het delen van informatie niet helemaal geregeld is, het niet zo evident is om individuele justitieassistenten daarmee een brede expertopdracht te geven, maar ook zeer pragmatisch omdat het de directeurs zijn van de justitiehuizen die het overzicht hebben over alle mandaten. Uiteraard hebben we er dan ook voor gezorgd dat er op het niveau van de afdeling Justitiehuizen een referentiefiguur is die de zaken vanuit de centrale administratie kan opvolgen.

In dat kader hebben we ook werk gemaakt van de nodige veiligheidsmachtigingen. Ook dat was nieuw voor ons. We hebben ervoor moeten zorgen dat we onze leidend ambtenaren en een aantal andere ambtenaren binnen het agentschap Jongerenwelzijn in staat konden stellen om gevoelige informatie te ontvangen. Daarvoor is er een traject geweest. Wat ons betreft, heeft dat ervoor gezorgd dat een aantal van onze mensen op dit ogenblik over die machtiging beschikken.

Van minister Homans weet u ondertussen dat de informatiemomenten met de lokale besturen in functie van overleg met de hulpverleningsactoren hebben plaatsgevonden. Op de slide ziet u de data. Tijdens die gespreken kwamen onder andere aan bod: kennismaking, informatie-uitwisseling en verdere afspraken die men lokaal heeft gemaakt. Ik denk dat dat lokaal overleg cruciaal is. Dat blijkt trouwens ook uit uw aanbevelingen.

Het is cruciaal om elkaar beter te leren kennen en gerichte afspraken te kunnen maken. Dat kunnen onze goede praktijken aan inspiratie opleveren.

Wat het algemeen beleid inzake referentiepersonen betreft, kunnen we zeker nog vooruitgang boeken. Dit is een concept dat werkt en dat we steeds rijkelijker kunnen invullen. Wanneer men weet wie de autoriteit of de specialist in de materie is, kan dat de gecoördineerde aanpak alleen maar stimuleren.

Wanneer we spreken over het preventieve aanbod, komen we terecht bij de acties die gericht zijn op sensibilisering en vorming, de awareness van het reguliere aanbod dat zich richt op alle gezinnen en het aanbod aan opvoedingsondersteuning. Vanuit Kind en Gezin zijn heel snel acties ondernomen om de problematiek zeer breed onder de aandacht te brengen van alle gezinnen. Via groeimee.be werd een richtlijn verspreid over hoe gezinnen samen met hun kinderen kunnen omgaan met de beelden van en de berichtgeving over de gevolgen en gevaren van radicalisering.

EXPOO, het Expertisecentrum Opvoedingsondersteuning van de Vlaamse overheid, bracht een volledig dossier over radicalisering en zette gerichte informatie online. Ik wil ook nog benadrukken dat het aanbod van Kind en Gezin over opvoedingsondersteuning een groot bereik heeft in Vlaanderen, ook bij allochtone gezinnen. Via de consultatiebureaus, de inloopteams, de opvoedingswinkels en het werken met doelgroepmedewerkers en gezinsondersteuners proberen we in Vlaanderen zo veel mogelijk de gezinnen te bereiken voor wie dat belangrijk kan zijn.

Via lokale projecten in de Huizen van het Kind en met betrokkenheid van de allochtone gemeenschap zijn er ook specifieke en doelgerichte acties voor het verhogen van het bereik rond diversiteitsvraagstukken. Zo zal het Huis van het Kind te Antwerpen een belangrijke partner zijn bij het realiseren van de helpdesk voor verontruste ouders.

Over de vorming, de kennisoverdracht en het bewust worden van wat extremisme en radicalisme kunnen betekenen, hebben we het al uitgebreid gehad. Wat zeker een van de belangrijkste verdiensten is van de uitrol van het actieplan is dat er in Vlaanderen heel snel kwaliteitsvolle vormingsinitiatieven met een breed bereik zijn ontstaan. Expertiseontwikkeling en het aanreiken van handvatten blijven daarbij zeer belangrijk. Minister Homans heeft al verwezen naar het initiatief van de vzw Motief. Ik verwijs naar de toegankelijke informatie beschikbaar via EXPOO en de bijkomende projectsubsidie voor het Ondersteuningsteam Allochtonen (OTA) Vlaams-Brabant om zijn vormingsaanbod ‘radicalisering en kwetsbare jongeren’ te versterken in Vlaanderen. En dan heb ik het nog niet gehad over De Touter te Antwerpen, waar middelen worden ingezet voor interculturalisering en het werken met referentieconsulenten in de jeugdhulp.

We zijn ons ervan bewust dat de omgeving, het directe gezin, de moeders en vaders, de broers en zussen, zeer nauw betrokken zijn bij de problematiek. Zij voelen vaak als eersten een enorme ontgoocheling en onmacht over de processen waardoor jongeren of jongvolwassenen de vlucht nemen en aangetrokken zijn door een discours van radicalisme en extremisme. Ook hen willen we zeer expliciet betrekken.

Dat doen we het best door op een duurzame manier vorm te geven aan een belangrijke actie binnen het actieplan dat gericht is op de ondersteuning van ouders en gezinnen. We moeten gehoor geven aan de bezorgdheden en de ongerustheid van de gezinnen die daarmee worden geconfronteerd.

Om de helpdesk kwaliteitsvol en duurzaam voor de toekomst uit te bouwen zijn er volgens ons drie zaken van belang. Ten eerste moet het opstarten van elke hulplijn, infolijn of helpdesk worden afgestemd op de andere acties in dit actieplan. We kunnen het ons niet permitteren dat zaken die vanuit eenzelfde expertise vertrekken naast elkaar gaan bestaan. Zo hebben we de infolijn vanuit de Moslimexcecutive en het netwerk om een tegendiscours te bieden aan jongeren. Zowel de helpdesk als de andere initiatieven moeten vertrekken vanuit een vertrouwdheid met de cultuur en doen een beroep op expertise uit de moslimgemeenschap.

De afstemming van de drie initiatieven die ik heb genoemd, is zeer duidelijk opgenomen in het actieplan. Daarnaast moet er ook afstemming zijn op andere recente initiatieven, specifiek inzake de ondersteuning van ouders en families. Ik vermeld daarbij de afstemming op de oproep, kort voor de zomer, van de Koning Boudewijnstichting voor het indienen van projecten die in het kader van radicalisering, specifieke initiatieven ontplooien voor het ondersteunen van families.

Ten tweede, en dit blijkt ook uit de resolutie, is het belangrijk dat we dit enten op goede praktijken uit het buitenland. We kunnen in Vlaanderen niet onmiddellijk terugplooien op expertise die in andere landen al vele jaren aanwezig is inzake radicalisme, extremisme en terrorisme. Het is daarom niet toevallig dat vandaag een Vlaamse delegatie vertrekt om, zoals al langer gepland, de ervaringen van Hayat in Duitsland te gaan bekijken en deze over te nemen in de wijze waarop Vlaanderen vormgeeft aan een duurzame helpdesk.

Ten derde willen we ook expliciet de ervaringen van de ouders, van de moeders daarbij betrekken. De uitnodigingen voor een vergadering met hen zijn half oktober vertrokken. De Society Against Violent Extremism Belgium (S.A.V.E. Belgium) is natuurlijk ook uitgenodigd en heeft toegezegd om hieraan mee te werken.

Voor alle duidelijkheid, want ik lees en hoor ook wat erover wordt gezegd, de vergadering die we plannen in december, is de vergadering waarop we aan deze stakeholders het plan of het concept zullen voorleggen zoals het intussen is ontwikkeld en zoals het kan worden uitgerold. Het is belangrijk voor ons om te weten wat zij verwachten en hoe ze kijken naar zaken die we ontwikkelen. Het is toch belangrijk dat de betrokkenen ook worden gehoord en dat ze het voorstel kunnen beoordelen.

Het is dus onze uitdrukkelijke en bewuste keuze om de helpdesk duurzaam en gecoördineerd met expertise van zowel de theologische hoek als de directe ervaringsdeskundigen te realiseren gebaseerd op goede praktijken uit het buitenland. Ik vind het jammer natuurlijk dat er wordt gesuggereerd dat er niets gebeurt. Heel concreet hebben we afspraken gemaakt voor het operationeel maken van de helpdesk. Die kunnen onder meer de komende weken, zoals gepland, worden gefinaliseerd. We gaan dat doen in een partnership met Antwerpse voorzieningen, omdat we daarvoor voldoende expertise kunnen inbrengen. Ook dat budget is beschikbaar.

Inmiddels is voor de gemeenschapsinstelling De Grubbe een moslimconsulent gekend. Voor de aanduiding voor De Zande lopen de gesprekken met de Moslimexecutive. Voor de gemeenschapsinstellingen was er in juli 2014 al een dienstorder uitgevaardigd over het omgaan met radicalisering binnen de setting van gesloten opvang voor minderjarigen. Tot slot, wat betreft de afstemming en de aansluiting met het aanbod binnen de hulpverlening, kunnen we duidelijk zijn: het is wat ons betreft een absolute must om zeer geïntegreerd en gecoördineerd te werken.

Dat hebben we geleerd uit onder meer het lopende project in Vilvoorde. We hebben in mei dit jaar een overeenkomst afgesloten met een actor in de hulpverlening en het stadsbestuur. Het project is gestart voor twee jaar en moet aanbevelingen opleveren voor hoe we de aansluiting tussen de hulpverlening, het lokale bestuur, politie, justitie en veiligheidsdiensten kunnen realiseren.

Het model dat men daar hanteert, vinden we overigens terug in de omzendbrief en in de visie voor het nieuwe Plan Radicalisering. Men werkt er momenteel hard aan casustafels waarin de diverse actoren samenzitten om een gecoördineerde aanpak uit te testen en te realiseren. Die integrale aanpak kan enkel worden gerealiseerd door te voorzien in voldoende contacten en kennismaking tussen de verschillende actoren op het terrein. Justitie, veiligheid, politie en de socio-preventieve actoren moeten elkaar beter leren kennen als het hierover gaat.

Een eerste tussentijdse aanbeveling van dit project luidt alvast dat het werken met referentiepersonen bij de verschillende diensten een must is, zoals ik al heb gezegd. Als alle actoren, nog los van het uitwisselen van gerichte informatie, weten wie ze kunnen aanspreken inzake radicalisering, zetten we een cruciale stap. Dat is belangrijk: niet iedereen moet zich specialiseren op het terrein. Dat geldt zowel voor justitie en politie als voor de welzijnsactoren. We moeten het overzicht bewaren door heel gerichte afspraken te maken. Ook binnen het bestaande aanbod boeken we al merkbaar verbetering door gericht in te zetten.

Ik verwijs naar de aandacht voor de weerbaarheid van jongeren, bijvoorbeeld via Arktos, die het programma BOUNCE in Vlaanderen aanbiedt, of via Elegast, die in hun werking in overleg met onderwijs werken aan het verhogen van weerbaarheid bij jongeren tegen extremistisch gedachtegoed.

Tot slot verwijs ik naar het tegengaan van radicalisering in de gevangenissen. In het recent goedgekeurde strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden is een expliciete actie opgenomen over radicalisering. Vlaanderen is bevoegd voor het begeleiden van de resocialisatie van gedetineerden als ze de gevangenis verlaten.

Ook hier is afstemmen met het federale beleid essentieel. Dat is nog pertinenter geworden, nu recent federaal is beslist om in Hasselt te voorzien in een aparte vleugel voor gedetineerden die linken aan radicalisering. Nog deze week vindt overleg plaats hoe we dit aanpakken met de focus op Hasselt tussen de administraties, het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (EPI) en de diverse kabinetten.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik geef aanvullend nog een stand van zaken voor onderwijs. Minister Homans zei daarnet dat de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van Vlaanderen zich vooral bevinden op het preventieve vlak. Dat is ook zo voor onderwijs natuurlijk. Binnen onderwijs zijn er een aantal acties die een gunstig effect hebben en kunnen hebben om radicalisering van jongeren tegen te gaan. Ik denk aan het werken rond inclusie, acties om schooluitval tegen te gaan, het werken aan welbevinden op school, de leerlingbegeleiding enzovoort.

Ik was in mijn hoedanigheid van minister van Onderwijs op 17 maart 2015 op een informele Europese vergadering van alle ministers van Onderwijs. Het was een zeer interessant overleg. Over de grenzen heen van onze territoriale bevoegdheden hebben we daar gezocht naar manieren om expertise uit te wisselen. Dat was ook een vraag die u stelde, mevrouw Sminate, in het kader van deze voortgangsrapportage.

Ik heb daar vastgesteld dat de ons omringende landen kampen met dezelfde zorgen als wij en dat de antwoorden ook op dezelfde plaatsen te vinden zijn. In de gemeenschappelijke verklaring die het gevolg was van deze vergadering, is opnieuw gepleit voor een open en verdraagzame samenleving, waarbij jongeren gevormd worden tot mondige en kritische burgers. Er zijn aanbevelingen gedaan, zaken die we in Vlaanderen al volop aan het implementeren zijn, van het nemen van maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten te reduceren tot de manier waarop je omgaat met levensbeschouwing om jongeren op te voeden tot tolerante mensen.

Er was heel veel interesse van de andere regio’s voor het netwerk tegendiscours dat we wilden opzetten. We hebben dat ondertussen opgezet, zij het dat dit op 17 maart natuurlijk nog niet was gestart. Ook de andere landen onderzoeken immers op welke manier ze aan dat tegendiscours vorm kunnen geven, en actief kunnen appelleren aan positieve krachten in de maatschappij.

U weet dat het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, zoals alle andere domeinen, deelneemt aan het Vlaams Platform Radicalisering. De radicaliseringscontactpersoon neemt ook deel aan een aantal internationale netwerken voor de informatiedeling met betrekking tot de aanpak van radicalisering. Er waren onder andere bijeenkomsten in Manchester en Duitsland. Diezelfde contactpersoon fungeert ook als centraal meldpunt voor scholen, CLB’s en ouders, en zal ook in de toekomst fungeren als de schakel voor vragen aan het netwerk islamexperten tegendiscours. Binnen Onderwijs is er dus één centraal contactpunt, die de relaties onderhoudt met de diverse betrokken spelers.

U weet dat we sinds januari ook specifiek voor het onderwijs een meldpunt hebben geïnstalleerd. Dat was eigenlijk vooral bedoeld om te zorgen voor begeleiding als het gaat om informatieve vragen van scholen, of om vragen om iemand te krijgen voor een lezing op school, of om actief te interveniëren bij jongeren. Sinds januari zijn er een twintigtal oproepen binnengekomen. Ik vind dat zelf niet zo veel, maar we zien dat scholen heel snel in staat zijn om iemand naar de school te brengen als ze zorgen of noden hebben. De oproepen die er waren, waren er ook heel specifiek op gericht om iemand te vinden om eens langs te komen op school. Het gaat dus niet om een actief interveniëren, maar om het doorkrijgen van een naam van iemand die naar een school zou kunnen gaan om met jongeren te spreken. We zien dus dat heel wat initiatieven die vandaag op microniveau bestaan in schoolomgevingen, goed werken. Het is zeker niet onze bedoeling om die te liquideren. Het aanstellen van een contactpersoon heeft net de bedoeling om de leemtes die er zijn of de vragen van scholen die er zijn, op een goede manier te kunnen behandelen.

Dan is er ook de informatie-uitwisseling met de veiligheids- en politiediensten. Die is geregeld via de federale omzendbrief PLP 41. Die heeft een veel ruimer kader dan radicalisering alleen, maar moet hier ook in dit kader worden vermeld.

Het lijkt me van belang niet te veel met categorieën te gaan werken. Zeker als het gaat over het onderwijs moet dit thema zo veel mogelijk worden geïntegreerd in bestaande overlegstructuren en alles wat in schoolomgevingen op dit ogenblik bestaat en werkt. Ook wat het begeleidingsaanbod betreft, is het van belang dat we het bestaande aanbod zo goed mogelijk inschakelen, maar ook dat we het openstellen voor die jongeren. Het doel moet zijn dat, als er noden zijn, zij op de meest aangewezen manier kunnen worden begeleid. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de time-outs. Een time-out kan zeer interessant zijn voor jongeren met moeilijkheden, maar ook voor jongeren waarover de school bepaalde signalen heeft dat er een mogelijk gevaar voor radicalisering bestaat. Die time-outs bestaan vandaag en men kan vandaag perfect dat bestaande systeem inschakelen voor die jongeren. Dat is ook de reden waarom dat aspect ook mee is opgenomen in de conceptnota die de Vlaamse Regering heeft goedgekeurd over schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten.

De collega’s hebben al heel wat uitleg gegeven over het optimaliseren van de ondersteuning van eerstelijnswerkers. Ik verwijs naar wat collega Homans heeft gezegd over de vormingen van vzw Motief. Heel wat leerkrachten, maar ook ondersteunende en begeleidende diensten hebben daaraan deelgenomen. Binnen de onderwijskoepels en het GO! zijn ook referentiepersonen met betrekking tot radicalisering aangeduid. Zij ondersteunen de scholen met heel concreet materiaal, doen op die manier ook aan kennisdeling en zetten ook eigen acties op, zoals studiedagen. In de voorbije weken hebben er trouwens dergelijke studiedagen plaatsgevonden.

Aan scholen zijn ook een aantal praktische handvatten aangereikt om leraren te leren omgaan met signalen die duiden op radicalisering. Zo was er het verspreiden van de extra nieuwsbrief van Schooldirect, met daarin een pak concreet materiaal. Er is ook een #klasselive georganiseerd, waarna dan ook een eerstelijnsbrochure over radicalisering is opgemaakt, die naar alle scholen is gegaan.

Zoals ik zei, zijn we volop ook de mogelijkheden aan het benutten met betrekking tot de vertegenwoordigers van de levensbeschouwingen. Een van de zaken opgenomen in ons actieplan is de oprichting van een netwerk van islamexperten om een tegendiscours in scholen te houden. We zien immers dat vandaag een aantal jongeren ook zelf worstelen met hun islambeleving. Door middel van een netwerk van ervaren islamexperten die een grondige kennis van de islamitische theologie hebben, maar ook vertrouwd zijn met de leefwereld van de jongeren, kan men duiding geven over de islam en de normen en waarden die daarmee verband houden. Die duiding kan worden gegeven aan jongeren zelf, maar ook aan klasgroepen en aan eerstelijnswerkers, zoals leerkrachten, CLB-medewerkers of time-outprojectbegeleiders. We hebben Khalid Benhaddou, die islamleraar en ook imam is, aangeduid als coördinator ter zake. Hij heeft ondertussen zijn groep van coördinatoren samengesteld. Dat zijn allemaal vrijwilligers. Zij kunnen ook in de scholen worden ingezet als er vragen zijn, dus preventief, of als er curatief moet worden opgetreden omdat men te maken heeft met leerlingen die mogelijk aan het radicaliseren zijn.

Er is overleg tussen de onderwijsverstrekkers en de erkende instanties. Op initiatief van mijn voorganger Pascal Smet kwam er een engagementsverklaring tot stand tussen de onderwijsverstrekkers en de levensbeschouwingen om te komen tot een interlevensbeschouwelijke dialoog. We plegen overleg om een en ander te versterken. Ik ben ervan overtuigd dat men vanuit de eigen levensbeschouwing perfect de hand kan reiken aan andere levensbeschouwingen, en zo gemeenschappelijke waarden en zaken kan vinden. Daarvoor moeten de levensbeschouwingen openstaan voor de interlevensbeschouwelijke dialoog. We werken aan een verdieping van de engagementsverklaring van de vorige legislatuur. U weet dat daar zes uur per jaar in opgenomen was. Er zou een interlevensbeschouwelijke dialoog zijn. Men kan in zes uur veel doen op jaarbasis, maar het belangrijkste is dat er een open geest ontstaat binnen de levensbeschouwingen om die dialoog aan te gaan. Zo kan men dat op een goede manier verdiepen.

Vanuit de inspectie levensbeschouwelijke vakken en vanuit de onderwijsnetten werden reeds verschillende studiedagen rond het thema georganiseerd. Ik heb een overzicht mee van de vormingsmomenten. Het meeste zit al in het rondgestuurde verslag.

Er is nog een hoofdstuk rond de Vlaamse imamopleiding. Dat is geen bevoegdheid van de Vlaamse overheid. Dat moet vanuit de levensbeschouwingen zelf komen. We zetten wel in op de ondersteuning en de professionalisering, maar dat gaat niet zonder slag of stoot. Er werd wel al werk gemaakt van een optie islamitische theologie en godsdienstwetenschappen binnen de master in de wereldreligies aan de KU Leuven. Binnen de associatie in Antwerpen werd een proefproject opgestart in samenwerking met de Raad van Theologen en het instituut Jisr Al Amana met betrekking tot professionaliseringstrajecten voor imams in opleiding en islamconsulenten. Naast de puur religieuze opleidingsonderdelen worden ook seculiere opleidingsonderdelen aangeboden.

Momenteel evalueren we dit. In mijn ogen is het interessant dat deze opleidingen bestaan, maar het is zeer moeilijk is om geïnteresseerden uit de islamgemeenschap te bereiken. We moeten nog manieren zoeken om de mensen te bereiken waarvoor het bedoeld is.

Een aantal acties zijn uitvoering. We proberen zo veel mogelijk de bestaande opleidingstrajecten – ik denk aan de time-outs – daar mee in te zetten. Ondertussen werken wij over de bevoegdheidsgrenzen heen om alle communicaties zo goed mogelijk te sporen en te zorgen dat de hulp waar die nodig is, effectief kan worden aangeboden.

Intussen is het een klein jaar geleden dat we onze werkzaamheden hier gestart zijn. Daarvoor was er niet echt sprake van een gecoördineerd beleid rond deze problematiek. Nu is het duidelijk dat een aantal ministers van de Vlaamse Regering dit hebben opgenomen als een prioriteit in hun beleid. Ze hebben daarvoor budgetten vrijgemaakt, ze zetten structuren op om een gecoördineerd beleid mogelijk te maken. We moeten natuurlijk realistisch blijven, een dergelijk beleid heeft tijd nodig. In een halfjaar gaan we dit niet oplossen. Wie dat gelooft, dwaalt.

Ik heb vandaag toch over concrete acties gehoord die de ministers al uitgevoerd hebben of aan het uitvoeren zijn: het draaiboek voor en de financiële ondersteuning van de lokale besturen, de vorming van eerstelijnswerkers en de integrale aanpak van de veiligheidsproblematiek. We zijn op de goede weg.

Voor sommige punten in het actieplan en in onze resolutie zullen we een tandje moeten bijsteken. Het zal geen verrassing zijn dat de helpdesk een van de hoofdthema’s van dit debat is. We zitten daarop te wachten. Voor mij en heel wat collega’s die hebben meegewerkt aan de resolutie, was dat een van de bouwstenen van het beleid.

We hebben hier een moeder gehoord die aanvoelde dat het met haar zoon verkeerd ging lopen. Ze had maar één uitweg, en dat was naar de politie stappen, maar dat voelde aan als verraad. Dus wist ze niet waar ze heen kon. Ze was een verontruste ouder en kon nergens terecht met haar verhaal.

In Frankrijk bestaat zo’n helpdesk al jaren. Er is een zeer goede website aan verbonden. Ook in Nederland is nu zo’n hulplijn opgericht, maar dan door de ouders zelf. Ik wil dat hier niet meemaken. Ik wil niet dat ouders hier het heft in eigen handen nemen omdat wij te lang gewacht hebben met het oprichten van die hulplijn. Ik heb vandaag bij de presentatie gehoord: ja maar, er moet afstemming zijn met andere acties in het actieplan. Ja, oké, maar ik vraag me dan wel af of wij moeten wachten op de uitvoering van die acties om zelf in gang te schieten.

Naast de argumentatie waarom het nog niet gebeurd is, zou ik graag een concrete timing hebben. Ik heb een datum gehoord van een vergadering, maar wanneer gaat de hulplijn operationeel zijn? Die ouders hebben geen boodschap aan de datum van een vergadering.

Een ander thema waarover we veel hebben gesproken, is het beroepsgeheim. We hebben daaromtrent in de resolutie een aanzet van oplossing gegeven. We hebben gemerkt dat er een grote spanning heerst tussen enerzijds hulpverleners en anderzijds de veiligheidsdiensten. Ik weet niet of er met de suggestie uit onze resolutie iets gaat gebeuren. Minister Vandeurzen, gaat u dit opnemen met de sector? Wat zijn de drempels die u ervaart bij de hulpverleners? Wat kunnen wij doen om die drempels te verlagen?

Een derde pijnpunt gaat over het aanbod jeugdhulp. Zowel in het actieplan als in onze resolutie staat heel duidelijk vermeld dat wij de noodzaak aanvoelen om een voldoende aanbod jeugd- en welzijnshulp aan te bieden.

Dat probleem is uiteraard al veel langer bekend. De rapportage verwijst duidelijk naar het reguliere aanbod dat er vandaag is. U hebt dat ook gedaan. Maar dat is volgens mij net het probleem: dat aanbod blijft in sommige steden en gemeenten onvoldoende. In de steden en gemeenten die echt te lijden hebben onder de radicalisering, wordt die hulp ingekocht bij gespecialiseerde organisaties. Maar het is volgens mij niet de taak van een stad of gemeente om zelf te voorzien in dat aanbod. Als we dat gaan doen, gaat de subsidie van 500.000 euro die de minister vanuit het Stedenbeleid uitreikt onmiddellijk daaraan opgesoupeerd worden. Minister, gebeurt er iets rond de actie voor een voldoende aanbod welzijn en jeugdhulp voor de getroffen lokale besturen, of blijft het beperkt tot dat reguliere aanbod? Ik heb gehoord dat u in uw presentatie verwees naar De Touter. Daar wordt zeer waardevol werk geleverd. Maar u verwijst naar de opdracht die zij hebben gekregen in verband met interculturalisering. Dat is iets helemaal anders dan preventie van radicalisering. De Touter doet dit ook, maar dan wel in opdracht van de stad Antwerpen en niet van de Vlaamse overheid. Kunt u mij daarover wat meer informatie geven? Onderneemt u daar vanuit uw departement nog acties?

Wat betreft onderwijs heb ik op veel van mijn vragen al een antwoord gekregen. Ik maak mij zorgen over de professionalisering van de imams. Minister, u zegt dat wij daar niet de juiste mensen bereiken. Wie bereiken wij dan wel? Welke studenten gaan daarop in? Wat is het profiel van die mensen?

Ik besluit. Als ik de rapportage lees en hoor wat hier wordt gezegd, denk ik dat we mogen stellen dat er een goede basis gelegd is en wordt gelegd om een beleid rond radicaliseringspreventie te gaan voeren. Maar er zijn toch een aantal acties waarbij we zien dat er overleg bezig is of waar, in sommige gevallen, het overleg zelfs nog moet starten. Ik begrijp dat een halfjaar kort is om een aantal zaken al te hebben gerealiseerd. In het voorjaar van 2016 plan ik zeker een tweede opvolgingscommissie. Maar voor sommige acties vind ik dat er onmiddellijk werk moet worden geleverd. Ik denk vooral aan die hulplijn. Ik hoop dat we in de tweede opvolgingscommissie niet dezelfde vragen zullen moeten stellen.

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, ik wil de leden van de regering bedanken voor de heel uitvoerige rapportering. We hebben het lijvige document tijdig kunnen doornemen. Er wordt daarin heel systematisch een antwoord geboden op de punten die de regering zelf had uiteengezet in haar plan. Er is ook een terugkoppeling naar onze eigen resolutie, die we in het Vlaams Parlement met meerderheid en oppositie hebben kunnen voorbereiden.

Het is goed dat we de timing van de commissie hebben vervroegd omdat er op dit moment heel wat te communiceren valt. Voor de zomer was er heel veel aandacht voor de problematiek van de radicalisering en de Syriëstrijders. In de zomer is in de publieke opinie de nadruk komen te liggen op de vluchtelingenproblematiek. Er is natuurlijk een verwantschap, en het gaat over een globale problematiek. Maar ik heb de indruk dat daardoor het probleem van de radicalisering en de Syriëstrijders in de publieke opinie wat minder leeft. Het is goed dat er desalniettemin op alle niveaus aan wordt voortgewerkt.

Ik heb eens bekeken wat men op het federale niveau allemaal doet. Ik stel vast dat daar een grote openheid is om samen te werken met de andere beleidsniveaus. Alle burgemeesters hebben inzage gekregen in de omzendbrief Foreign Terrorist Fighters. Daarin wordt heel duidelijk de hand gereikt naar de burgemeesters om op het lokale niveau, via de lokale integrale veiligheidscellen, aan de slag te kunnen gaan. Ik heb ook de indruk dat men op het federale niveau heel goed begrijpt dat er voor de integrale veiligheidsketen moet worden samengewerkt met de gemeenschappen, de gewesten en uiteraard ook de gemeentebesturen, om zo te komen tot een veiligheidscultuur. Daar zit zowel de preventie als de nazorg in. We hebben de voorbije maanden in dit land op heel veel punten grote stappen vooruit zien zetten.

De projectoproepen zijn gelanceerd. Ik heb begrepen dat er meer zullen zijn dan dat er budget is. Er zal dus een keuze moeten worden gemaakt. Het zal interessant zijn om in deze commissie op een bepaald moment te vernemen welke keuzes werden gemaakt en welke criteria daarvoor werden gehanteerd.

Een belangrijk item de voorbije maanden was de islam. Dat is op dit moment de godsdienst waar heel veel om te doen is als het gaat over radicalisme en de problematiek van de Syriëstrijders. Ik stel vast dat er veel is ingezet op overleg met de Moslimexecutieve en de islamleerkrachten, en op de levensbeschouwelijke competenties. Ik stel ook vast dat het ‘netwerk islamexperten tegendiscours’ is opgestart, en dat daarvoor wordt onderzocht hoe er in Europa op dat vlak wordt gewerkt. Men heeft dus op dat punt niet stilgezeten.

In de vorige legislatuur hebben we het samen met de heer Sannen heel uitgebreid gehad over de problematiek van de imamopleiding. We zijn toen gestoten op wat men in Nederland de ‘polderimams’ noemde: de islamitische gemeenschap aanvaardde de in Nederland gevormde imams niet. Men vond hen onvoldoende authentiek. Dat is misschien een ander debat. Ik denk niet dat we in Vlaanderen voor dit knelpunt snel de oplossing zullen vinden.

Er zijn heel wat aanspreekpunten en hulplijnen bij gekomen. Die zijn operationeel in het onderwijs en bij de VVSG. Er zijn heel wat zaken gestart. Het is interessant om eens te kijken naar het buitenland. Er is de laatste uren en dagen al heel vaak verwezen naar Frankrijk en Nederland. Dat is heel goed.

Ik stel vast dat er in Nederland een hulplijn is, maar die is geen initiatief van de overheid. Hij gaat uit van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders. Het gaat om een hulpnummer van de Marokkaanse gemeenschap, en dat is dus minder ruim dan de islamitische gemeenschap. Dat is toch iets anders dan wat hier wordt gevraagd: een Vlaamse lijn.

In Frankrijk heb je het nummer 0800 005 696. Dat is geen nummer voor families. Het gaat heel duidelijk om ‘un plan anti-jihad’. Dat is vooral een veiligheidsnummer voor mensen met vragen. Dat kan natuurlijk familie zijn, maar het kan iedereen zijn die zich over zijn buurman ongerust maakt of die ergens mensen of acties op internet heeft gezien van mensen die in de verste verte geen familie zijn. Dat kan daar allemaal op gemeld worden. Alle veiligheidsgegevens kunnen daarop gemeld worden. Het is goed dat mensen weten waar ze met informatie terecht kunnen. Maar een ‘plan anti-jihad’ lijkt mij van een andere inslag te zijn dan een hulplijn voor ouders waarnaar, zoals ik het hier heb begrepen, ouders op zoek zijn. Het is positief dat dit duurzaam wordt voorbereid in Vlaanderen, met de betrokkenheid van experten en ouders. Mocht de rapportering over een maand zijn gekomen, dan zouden we daarover misschien al wat meer informatie gehad hebben. Dat is echter niet het punt. In Nederland is het een privé-initiatief. In Frankrijk is het heel erg op veiligheid gericht. Het is goed dat er hier in overleg met velen iets wordt voorbereid. Dit kan een meerwaarde betekenen voor de ouders. Daarover zullen we vast en zeker de volgende weken en maanden meer kunnen vernemen.

In verband met de Europese blik ben ik heel blij met de zorg die in onze commissie leefde om goed de andere buitenlandse praktijkvoorbeelden in het oog te houden, op te volgen. We hebben de voorbeelden gekregen van minister Homans en minister Crevits die hierop hebben ingezet. Er gaat heel wat kennisuitwisseling mee gepaard.

Er is ook buitenlandse interesse voor de Vlaamse aanpak. Ik kan dat bevestigen vanuit mijn werk in de commissie Buitenland. De laatste tijd, als we in het buitenland komen met de commissie of als ik contact heb met buitenlandse vertegenwoordigers, is een van de zaken die redelijk snel ter sprake komt, de vraag hoe in Vlaanderen wordt omgegaan met de aanpak van de radicalisering. Mensen weten dat hier veel Syriëstrijders vertrokken zijn. De manier waarop wij er nu mee omgaan, namelijk een aparte commissie in het parlement, is iets dat op dit moment op veel plaatsen ter sprake komt. We hebben dit in Zuid-Afrika besproken, we hebben dat een paar weken geleden in de Duitstalige Gemeenschap kunnen bespreken, en ook in contacten met de Amerikaanse ambassade is er interesse voor getoond. Wat we hier aan het doen zijn in Vlaanderen, wekt op vele niveaus de interesse van het buitenland op. Op zich moet het zeker niet de bedoeling zijn om die interesse op te wekken, maar het bewijst wel dat men merkt dat wij op heel veel punten actief en heel goed bezig zijn.

Ik heb vragen ingediend over de initiatieven van de federale minister van Binnenlandse Zaken. Het ging vooral over het federale platform en de manier waarop Vlaanderen daaraan kan meewerken. Ik zou graag weten hoe vaak het al is samengekomen, of wij daar voldoende aan bod komen, of het uw indruk is dat onze Vlaamse inbreng voldoende naar waarde wordt geschat. Ik heb de indruk dat men ervoor open staat, maar wij zitten niet aan die tafel. Ik wilde graag horen of u, ministers, kunt bevestigen dat onze inbreng absoluut ook naar waarde wordt geschat.

RAN, het Europese netwerk, werd in de marge vernoemd, maar ik meen dat er zeker nog meer mogelijkheden in zitten, zeker wanneer het gaat over de familiebetrokkenheid, want dat is een van de elementen die heel goed werden uitgewerkt in RAN. Er is een aparte piste voor de preventieve ondersteuning van de ouders, de ondersteuning van de familie van potentiële extremisten, de ondersteuning van de weerbaarheid van vrouwen, de hotlines en hulplijnen. Al deze zaken komen in de EU-editie 2015 uitgebreid aan bod. Ik wil ook nog graag vragen in welke mate het Vlaamse beleid dat wordt uitgezet, ook specifiek door die ‘good practices’ van de editie 2015 wordt bevrucht.

Mijn laatste punt betreft in het algemeen de initiatieven die rond veiligheid en beroepsgeheim genomen zijn. Er is heel lang over gediscussieerd, ook in onze commissie. Heeft men de indruk dat er pragmatisch goede stappen worden gezet, dat de problemen die zich zouden kunnen stellen, ook effectief worden aangepakt? Heeft het zin om er nog grote discours rond te voeren? We kunnen er wel grote discours over voeren, maar het komt er vooral op aan dat de mensen lokaal, in scholen, in integrale veiligheidscellen, in CLB’s en welzijnswerkers de informatie krijgen die ze nodig hebben, en dat ook de politiemensen, de staatsveiligheid en de parketten in vertrouwen informatie kunnen verwerken. Het was heel moeilijk om daar een goed model voor op papier te zetten. Hebt u, leden van de regering, met wat we de voorbije maanden hebben gezien, de indruk dat er vooruitgang wordt geboekt, dat men in de praktijk tot oplossingen komt? Of ziet u nog grote knelpunten?

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Voorzitter, dames en heer ministers, dit jaar, op 19 mei, hebben we bijna kamerbreed de resolutie goedgekeurd ter bestrijding van gewelddadige radicalisering. Daarin zitten dus 55 voorstellen om radicalisering te voorkomen, aan te pakken en om te keren.

Het is hier al gezegd dat het lokale niveau een cruciale rol speelt als spil van informatie-uitwisseling en als ontmoetingsplaats van verschillende actoren. Ik citeer even uit de resolutie: “De lokale besturen zijn heel belangrijke actoren in dit verhaal. Zij staan het dichtst bij het terrein en hebben voeling met wat er leeft en beweegt” en “Waar de Federale Regering sterk inzet op een stevige link met het lokale op het gebied van veiligheid, moet Vlaanderen hetzelfde doen op het vlak van preventie. De lijn tussen lokale en Vlaamse overheid moeten we strakker aanhalen en een structurele wisselwerking starten, in het bijzonder wat betreft de informatiedoorstroming.” Minister Homans verwees hier ook al naar in actie 10.1.

Recente gebeurtenissen tonen helaas aan dat de informatiedoorstroming naar het lokale niveau nog niet optimaal is. De politiezones mogen in sommige gevallen informatie niet rechtstreeks doorgeven aan de lokale besturen, op vraag van OCAD. Dat betekent een handicap in de integrale aanpak van radicalisering.

Er is al een aantal keer verwezen naar de federale omzendbrief van 21 augustus, die onder meer over deze thematiek gaat: naast de nationale en lokale taskforces moet er ook een lokale integrale veiligheidscel worden opgericht op initiatief van de burgemeester. En er wordt gesteld dat de korpschef aan de burgemeester info moet doorgeven over de ‘foreign terrorist fighter’ die aanwezig zou zijn op het grondgebied. We stellen vast dat dit niet altijd gebeurt. Zijn alle burgemeesters daar goed van op de hoogte, minister? Wat doet u vanuit uw diensten om de burgemeesters hierover te informeren? Bent u op de hoogte van deze problematiek? Gaat het over enkele geïsoleerde gevallen van gebrek aan informatiedoorstroming, of gaat het om een structureler probleem? De federale minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd voor OCAD. Op welke manier kunt u een stimulerende rol spelen om de informatiedoorstroming te bevorderen?

Een tweede vraag over de ondersteuning aan lokale besturen, betreft het Agentschap Integratie en Inburgering. Ik vroeg me af of er contacten zijn geweest tussen dat agentschap en de negentien Brusselse gemeenten. Aan Franstalige kant bestaat dat eigenlijk niet, dus als het Vlaams agentschap het niet doet, wie doet het dan wel?

Ik heb nog een vraag over de timing voor de projectsubsidies. We hebben gezien dat de deadline september was. U zult uiterlijk 30 november beslissen. U zei dat er begin volgend jaar een definitieve start zou kunnen zijn, maar ik las ook ergens iets over maart. Wat is de concrete timing? Waarom duurt het zo lang? Kan dit niet wat versneld worden?

De heer Van Grieken heeft het woord.

Tom Van Grieken (Vlaams Belang)

Voorzitter, ministers, het zal u wellicht al wel zijn opgevallen dat wij als Vlaams Belang niet echt warmlopen voor het deradicaliseringsbeleid dat de Vlaamse Regering uitrolt. U weet dat we er, om het heel zacht uit te drukken, koele minnaars van zijn.

Overigens vraag ik me eigenlijk af of minister Homans zelf wel gelooft in haar beleid. Mijn collega Chris Janssens heeft een goede vier maand geleden, ik meen op 16 juli, enkele gedetailleerde schriftelijke vragen gesteld over de uitvoering van dat befaamde actieplan. Hij kreeg geen antwoord. Er werd verwezen naar de commissie vandaag. Hij moest dus bijna vier maanden wachten op zijn antwoorden. Dat geeft mij alvast het gevoel, minister, dat u niet al te trots bent op de resultaten van het actieplan.

En voor mij is het eigenlijk al duidelijk waarom u niet al te trots bent op het deradicaliseringsbeleid. Het beleid, het actieplan, is eigenlijk een goudmijn voor welzijnswerkers, projectbegeleiders, diversiteitscoördinatoren, vormingswerkers, hulpverleners allerhande. Nieuwe jobs ontstaan. Opnieuw worden er meer subsidies uitgedeeld. Overal in het land zijn er infosessies en vormingsmomenten. Overal zijn er werkgroepen. Naast de integratie-industrie die we al kennen in de schoot van deze Vlaamse Regering, krijgen we nu een deradicaliseringsindustrie die, ik voorspel het, het omgekeerde evenredig effect zal hebben als de geïnvesteerde middelen. Ik vrees dat u een welzijns-Frankensteinmonster aan het creëren bent. U probeert dat monster tot leven te wekken, maar op den duur zult u er geen vat meer op hebben. Het zal zichzelf gewoon in stand houden, projectje na projectje, idee na idee.

Ik lees eventjes twee dingetjes voor, het is een greep uit de onzin die ik lees in het rapport. Op pagina 22 staat: “Vzw De Touter zal een projectsubsidie van het Agentschap Jongerenwelzijn krijgen om hun expertise op het vlak van interculturalisering, organisatieniveau en personeelsbeleid intensief en actief te verbreden naar andere organisaties”. Wat dat nog te maken heeft met de strijd tegen radicalisering, is voor mij alvast een raadsel.

Op pagina 13 staat te lezen dat het Museum aan de Stroom en de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience – die twee instellingen wil ik niet afvallen, want het zijn zeer mooie instellingen – in het najaar van 2014 een expo organiseren over heilige boeken en heilige plaatsen in de drie wereldgodsdiensten. Meer concreet belicht de expo de betekenis van heilige boeken en plaatsen vroeger en nu. Die tentoonstelling zou volgens het actieplan moeten leiden tot een versterking van de interlevensbeschouwelijke competenties voor schoollopende leerlingen. Dat is allemaal mooi als bladvulling, maar ik vraag me echt af hoe dit onze bevolking zal beschermen tegen extremistische moslimgekken die hier rondlopen.

Minister, ik beschouw niet alles in uw plan als onzinnig. Soms kunnen we wel constructieve oppositie voeren, en ik heb zowaar een punt gevonden dat ik als nodig beschouw: de informatie-uitwisseling die wordt vermeld op pagina 41, tussen de politie en de veiligheidsactoren enerzijds, en de mensen die ressorteren onder de Vlaamse bevoegdheidsdomeinen anderzijds. Een degelijke informatie-uitwisseling is nodig en wenselijk, daarvan zijn we overtuigd.

Uiteraard moeten scholen, gemeenten ervan op de hoogte worden gebracht wanneer moslimextremisten in hun gemeente of school actief zijn. Omgekeerd lijkt het me evident dat gemeenten en scholen, en ook welzijnsmedewerkers aan de veiligheidsdiensten uitingen van moslimextremisme melden. Maar blijkbaar schort er iets aan die informatie-uitwisseling. Blijkbaar staat het beroepsgeheim bepaalde uitwisseling van informatie in de weg. Scholen, OCMW’s en politiediensten weten vaak niet welke informatie ze nu wel of niet mogen delen. Dat staat in de weg van een efficiënte aanpak van moslimextremisme.

Minister, klopt het dat het beroepsgeheim een groot struikelblok vormt en een gecoördineerde aanpak van radicalisering in de weg staat? Het kan toch niet zijn dat onze veiligheid op het spel wordt gezet omdat de doorstroming van informatie hapert. Welke stappen gaat u hiervoor in de toekomst zetten? Is de Vlaamse Regering alsnog bereid, zoals wij indertijd met ons voorstel hebben gesuggereerd, een meldingsplicht in te voeren voor alle personeelsleden van de Vlaamse overheid en ondergeschikte besturen die getuige zijn van extremistische gedragingen en uitspraken? Indien niet, waarom gaat u niet in op ons voorstel? Hoe kunt u ons en de bevolking garanderen dat alle relevante informatie waarmee leerkrachten, welzijnsmedewerkers en dergelijke worden geconfronteerd, daadwerkelijk worden doorgespeeld aan onze veiligheidsdiensten?

We hebben kunnen lezen dat er meer budget nodig is om een efficiënt beleid te voeren. Hebt u als coördinerend minister een zicht op het totaalbudget dat we gaan uitgeven aan de strijd tegen radicalisering? Wie vraagt die extra budgetten en waarvoor? Betreft het inderdaad zoals ik – het zal mijn slecht karakter zijn – vermoed, een welzijnssector die geld heeft geroken en extra budgetten wil, in de eerste plaats om zichzelf in stand te houden en uit te breiden?

Minister, echte oplossingen voor het probleem van het oprukkende moslimextremisme vind ik niet terug in uw actieplan. Toch wil ik nogmaals een bescheiden poging doen om uw beleid bij te sturen. Bent u bereid om zelf meer inspanningen te leveren in de strijd tegen het moslimextremisme? Bent u bereid om moskeeën, Koranscholen, Facebookgroepen en dergelijke door te lichten? Volgens mij moet hier dringend een tandje worden bijgestoken. Ik verwijs naar een recent bericht in de media dat nauwelijks één politieagent of rechercheur online speurt naar radicale boodschappen.

Als het gaat om moskeeën, minister, stel ik vast dat u er zonder enige grond of argumentatie, blind van uitgaat dat radicalisering enkel en alleen gebeurt via het internet. Moskeeën zouden volgens u zelfs een partner zijn in de strijd tegen het extremisme. Volgens mij bent u daar een beetje te naïef in. Ik ontken niet dat er allicht veel moskeeën zijn die zich ver houden van extremisme, maar er zijn evenzeer moskeeën die banden hebben met extremistische organisaties.

Ik geef twee voorbeelden. Recentelijk lazen we in de media dat er in Wallonië nog twee huiszoekingen werden uitgevoerd in moskeeën in het kader van jongeren die naar Syrië trekken. Ten tweede zijn er de verklaringen van de familie van Syriëstrijder – al dan niet overleden – Brian De Mulder, die in verband met zijn radicalisering met een beschuldigende vinger wijzen naar de moskee waar hij naartoe ging. Een moskee die door uw voorganger, minister-president Bourgeois, werd erkend. In diezelfde moskee was ook Jejoen Bontinck kind aan huis.

Minister, bent u bereid alle moskeeën en andere islamitische organisaties te laten doorlichten op extremisme, te beginnen met de door de Vlaamse Regering erkende en betoelaagde moskeeën?

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, eerst en vooral wil ik jullie bedanken om vervroegd naar de commissie te komen en deze rapportage nu al aan ons voor te leggen. Het was belangrijk want er waren toch een aantal signalen dat het nodig was om een stand van zaken te krijgen. Ik heb er een vraag om uitleg over gesteld, maar ik zal ze niet voorlezen, want ze peilde vooral naar een stand van zaken, en die hebben we gekregen. Ik wil wel graag reageren op verschillende elementen.

Het is zonder meer duidelijk dat deze Vlaamse Regering ontzettend veel meer heeft gedaan dan de vorige Vlaamse Regering. Er zijn heel wat zaken in gang gezet, en dat is belangrijk. Ik wil wel waarschuwen dat we de aandacht voor deze problematiek niet mogen laten verslappen. De sense of urgency blijft. We hebben volgens cijfers van federaal minister Reynders vijf tot tien vertrekkers per maand. Voor een klein land als het onze is dat ontzettend veel.

Minister, u sprak over het overleg met de VN-waarnemers van 14 oktober. Ze hebben gezegd dat er nog werk aan de winkel is inzake preventie, ook in België. Dat is een puur Vlaamse bevoegdheid. Het preventieve luik moeten we hier uitwerken, dat is belangrijk. Daarnaast kan Vlaanderen toch heel wat doen op het vlak van veiligheid. Dat luik moet voor een deel door Vlaanderen worden uitgevoerd. Ik doel dan vooral op de terugkeerders. Die betekenen een grote dreiging op het vlak van terreur. Een op negen westerse jihadisten die terugkeren, zijn betrokken bij aanslagen. De aanslagen in Verviers, op de Thalys en op het Joods Museum zijn allemaal gepleegd door terugkeerders. Het is extreem belangrijk dat we die terugkeerders nauwgezet opvangen. Niet door versnipperde initiatieven, maar door een duidelijk gecoördineerd beleid.

In onze resolutie hebben we een aantal zaken daarover aangegeven. Veel is federale materie, veel wordt opgevolgd door de veiligheidsdiensten, maar op het Vlaamse niveau hebben we actiepunt 18, dat we voor de teruggekeerde Syriëstrijders na het uitzitten van een gevangenisstraf onder meer technieken van decompressie moeten toepassen om te vermijden dat gevaarlijke individuen in de samenleving terechtkomen, dat we teruggekeerde Syriëgangers die niet worden vervolgd en veroordeelde Syriëstrijders die hun straf bijna hebben uitgezeten, onderwerpen aan deradicaliseringsprogramma’s om veiligheidsrisico’s zo klein mogelijk te houden, dat we radicaliserende personen die nog niet zijn vertrokken en gedetineerden die dreigen te radicaliseren in de gevangenis, ook onderwerpen aan individuele re-integratieprogramma’s. Andere actiepunten zijn dat we gezinsondersteunende exitprogramma’s implementeren, zoals Hayat en de programma’s in Aarhus, dat we programma’s inzake traumabegeleiding voor hulpverleners en familie die met terugkeerders in contact komen, onderzoeken en implementeren. Inzake het terugkeerbeleid – dat was deels de aanleiding van mijn vraag in de plenaire vergadering en deels de reden waarom we om een vervroegde bijeenkomst van de commissie vroegen – moet dat een prioriteit zijn voor het garanderen van de veiligheid. Daar is nog veel te weinig voor gebeurd. Ik vraag de Vlaamse Regering om inzake terugkeerbeleid, deradicaliseringsprogramma’s, aanpak van gedetineerden – ook hier blijft de rapportage in gebreke –, extra inspanningen te doen.

Ik hoop dat we in april duidelijke vooruitgang zien. Het is een cruciale sleutel in het veiligheidsbeleid, waar ook Vlaamse verantwoordelijkheden liggen.

Inzake preventie ben ik van mening dat er te weinig gebeurt op het vlak van budgetten. In de voortgangsrapportage lezen we dat de steden en gemeenten 1.250.000 euro aan projecten hebben gevraagd. We zijn er ons allemaal van bewust – en er was ook grote consensus over bij de opmaak van het voorstel van resolutie – dat voor een groot deel de steden en gemeenten een preventief en repressief deradicaliseringsbeleid moeten voeren. Ze hebben heel veel knowhow, maar het ontbreekt hun aan middelen om echt goede programma’s uit te rollen. U hebt daarvoor 500.000 euro uitgetrokken. Dat betekent dat minder dan 40 procent van de programma’s zal worden gehonoreerd. De 500.000 euro zal ofwel moeten worden verdeeld over de zestien steden en gemeenten die een aanvraag hebben ingediend, ofwel zullen sommigen in de kou blijven staan. Ik lees dat u maximum 100.000 euro wilt geven per stad of gemeente. Dan kunt u er vijf bedienen met 500.000 euro. Het is een beetje zoals het Boscompensatiefonds van minister Schauvliege. Ofwel laat u een groot deel van de steden en gemeenten in de kou staan, ofwel worden de middelen enorm versnipperd. Geen van beide is goed. De projecten zijn echt noodzakelijk en er zal dus in meer budget moeten worden voorzien.

Er moeten ook meer middelen komen voor de reguliere werking. Zowel in de zorg, het onderwijs als het jeugdwerk staat in het rapport dat er wordt gerekend op de reguliere werkingen om de preventieve aanpak te garanderen, de problemen te signaleren, op te vangen en jongeren preventief te deradicaliseren. Er zijn natuurlijk wel wat besparingen gebeurd bij het middenveld waarop we nu zo erg willen leunen. Ik denk dan aan de straathoekwerkers, de persoonlijke ontwikkelingstrajecten, de time-outprojecten, de brugfiguren enzovoort. Daarop rekenen we voor de preventieve aanpak. Net daarop is bespaard. Er zijn de wachtlijsten in welzijn en zorg. De CLB’s en de bijzondere jeugdzorg zijn momenteel al bijzonder overbevraagd. We verwachten dan van die sectoren dat ze risicoconsulenten, radicaliseringsexperten en referentiepersonen aanduiden, dat ze naar vormingen gaan, dat ze in ‘train-the-trainers’-programma’s actief zijn en dat ze hun mensen op hun beurt opleiden. In een overbevraagde sector is het een illusie om te verwachten dat op die manier verdere radicalisering wordt vermeden. Er zijn gerichte extra investeringen noodzakelijk. Een aantal besparingen moeten teruggeschroefd worden, willen we een goed Vlaams preventief luik uitbouwen.

Ik ben het met u eens, voorzitter, dat er hier en daar laaghangend fruit is. De eerste conceptnota is goedgekeurd in januari 2015. De Vlaamse Regering was toen al bezig met bepaalde zaken. Het actieplan is goedgekeurd in april. We zijn nu het najaar. Ik lees op bladzijde 37 over de helpdesk: “Om deze actie uit te werken, is een werkgroep gestart met vertegenwoordigers. De werkgroep zal eerst een bevraging doen van de huidige noden.” We kennen de noden. We weten wat een helpdesk moet doen, we weten wie daarbij terecht wil kunnen. Moeders zitten met ontzettend veel vragen, zijn in nood en weten niet waar ze terechtkunnen. Daarvoor moeten we echt geen bevraging meer doen over de noden. Ik ben het met u eens dat dit sneller moet worden gerealiseerd en dat het er eigenlijk al had moeten zijn.

De ondersteuningsnoden zijn gekend. De getuigenissen tijdens de hoorzittingen waren schrijnend. Sommige ouders hebben zich al verenigd, zoals ‘les parents concernés’. Op dit moment worden ze op geen enkele manier ondersteund, wat nochtans in de resolutie was opgenomen. Dat is ook iets dat niet verschrikkelijk veel onderzoek en moeite vraagt. Het is snel te realiseren. Ik vraag de Vlaamse Regering om onze resolutie heel goed te screenen en na te gaan wat nog een pak sneller kan worden gerealiseerd zodat we ook daar vooruitgang boeken tegen april.

Een andere grote bezorgdheid betreft de informatie-uitwisseling. Zowel op vlak van preventie als veiligheid moet het mogelijk zijn om informatie uit te wisselen. In de rapportage staat dat er wel mogelijkheden zijn om scholen en politie informatie te laten uitwisselen en dat daartoe omzendbrieven zijn verschenen. Binnen Welzijn doet men via casusoverleg aan informatie-uitwisseling. Dat is echter niet de informatie-uitwisseling waar op het terrein om geschreeuwd wordt. Deradicaliseringsambtenaren en -cellen rollen de expertise en het beleid uit in de praktijk. Zij hebben de informatie nodig. Als we aan steden en gemeenten vragen om de grote verantwoordelijkheid van het deradicaliseringsbeleid op zich te nemen, moeten zij over alle informatie kunnen beschikken over wie terugkeert, wie vertrekt, waar ze zitten, wat er al gedaan is enzovoort. Dan kunnen ze daarop inspelen. Dat is een prioriteit, en dat behelst veel meer dan enkel informatie uitwisselen binnen sectoren, scholen en politie.

Imams en de moslimgemeenschap kunnen daarin onze bondgenoten zijn. De imam die de minister van Onderwijs heeft aangesteld om islamconsulenten bij te staan, kent de westerse waarden, spreekt de taal zeer goed en weet de gemeenschap op een bevlogen manier te bereiken. Zulke figuren hebben we nodig. We hebben mensen van hier nodig die in erkende moskeeën waar toezicht op is, kunnen prediken en jongeren kunnen bereiken. Ik ben ervan overtuigd dat zij onze bondgenoten kunnen zijn. Qua erkenning van moskeeën en het beleid daartoe staan heel wat aanbevelingen in de resoluties. We moeten meer doen om van die mensen onze bondgenoten te maken, want zij zijn brugfiguren die verbindend kunnen optreden. Dat hebben we nodig.

Dat waren mijn bedenkingen en vragen. Ik hoop dat u me kunt geruststellen dat ook van deze actiepunten werk wordt gemaakt.

De heer Somers heeft het woord.

Bart Somers (Open Vld)

Er is al heel veel zinnigs en onzinnigs gezegd en ik zal proberen geen van beide te herhalen. Het werk dat de Vlaamse Regering tot nu toe heeft gedaan, is een werk dat in hoofdlijnen zeker mag worden gezien. Als ik dat bekijk in een internationaal perspectief, zijn onze inspanningen op de verschillende beleidsdomeinen toonaangevend. We lopen voorop in tal van zaken. Dat is goed.

Kan er meer gebeuren? Evident, en er moet zeker nog meer gebeuren. Op een halfjaar tijd kan dergelijk beleid niet helemaal worden uitgerold. Het is complex. We hebben in de resolutie heel veel lijnen aangegeven die op tal van domeinen inwerken. Dat kan niet op een, twee, drie in stelling worden gebracht. Bovendien bevat de resolutie ook een aantal maatschappelijke aanbevelingen zoals gedeeld burgerschap, een inclusieve samenleving, het creëren van gelijke kansen en het uitdragen van bepaalde waarden die niet bij decreet of ministerieel besluit te regelen zijn. Dat vraagt veel meer inspanningen en is een werk in de diepte dat niet snel kan gebeuren.

Ik wil aandacht voor en reflectie over enkele concrete punten vragen. Het zijn zaken die volgens mij cruciaal zijn. De valstrik is dat als we structuren hebben uitgezet, ambtenaren in stelling hebben gebracht, lijnen hebben geopend en overlegplaatsen hebben gecreëerd, we denken dat we ons werk hebben gedaan. De kunst bestaat erin om op het terrein het verschil te maken en werkelijk iets te doen bij de mensen die dreigen te radicaliseren of in hun omgeving.

Ikzelf zie, niet exhaustief, een aantal probleempunten. Een ervan is al genoemd. Ik zal dus in herhaling vallen. Het gaat over het probleem van het casusoverleg. Er zijn vandaag op het terrein heel veel mensen uit verschillende sectoren bezig met jongeren of volwassenen die op een zeker moment dreigen te ontsporen en op het pad van de radicalisering kunnen terechtkomen. Sommigen zitten in een voortraject, anderen zitten eigenlijk al op dat pad. Dat gaat van straathoekwerkers over scholen, politiediensten, buurtopbouwwerkers enzovoort. Die mensen hebben allemaal hun beroepsgeheim. Als die mensen, wanneer ze samenkomen, elk de informatie waarover ze beschikken op tafel zouden kunnen leggen, dan zouden we op een meer efficiënte manier dan vandaag op maat van de concrete persoon een traject kunnen uitwerken om hen te begeleiden. Vandaag proberen we dat te doen door allerlei constructies op te zetten. Zo werd er daarnet het project CO3 vermeld. Ook in mijn stad worden er constructies opgezet via het parket om te proberen rond dat beroepsgeheim heen te wandelen. Dat is natuurlijk een oplossing die werkt zolang ze werkt en heel veel voluntarisme vraagt van iedereen. Waaraan we echt nood hebben, is een wettelijk kader. Ik zie minister Vandeurzen knikken. De problematiek doet zich namelijk niet alleen hier voor, maar ook op het federale niveau. De complexiteit van onze staatsordening mag echter geen excuus zijn om dat probleem niet ten gronde aan te pakken. Zolang we dat probleem niet ten gronde kunnen oplossen, zullen we blijven botsten op het verspelen van veel menselijke energie.

Dat is trouwens een problematiek die veel verder gaat dan de radicalisering. Ik zie dat ook in ander casusoverleg, bijvoorbeeld met jongeren die op het pad van de delinquentie zitten en vaak sociale en andere problemen hebben. Zodra die problemen complex worden, heeft iedereen daarover wel een mening. Maar als je die mensen rond de tafel zet, heerst er vooral stilte, omdat men zich terugtrekt achter zijn beroepsgeheim en vreest fouten te maken.

In heel de aanpak van de radicalisering is dat iets essentieels op het terrein. Je krijgt dat niet rond op een paar maanden. Daarvan ben ik overtuigd. Het is een onwaarschijnlijk complexe zaak, met heel veel juridische consequenties. We moeten proberen daarin vooruit te geraken. In Nederland staat men verder op dat vlak. Ik nodig u uit om daarvan echt de prioriteit der prioriteiten te maken.

Een ander heel concreet probleem is het probleem van het thuisonderwijs. Niet iedereen die in thuisonderwijs stapt, is een probleemgeval. Integendeel, er zijn heel veel mensen die thuisonderwijs volgen en dat op een heel goede en georganiseerde manier doen. Wat gebeurt er vandaag? Wanneer kinderen thuisonderwijs krijgen en men vermoedt een probleem of er zijn indicaties van een probleem in het kader van radicalisering, dan worden de politiediensten geïnformeerd. Maar de politiediensten of de bestuurlijke overheid – want men zou ook naar de burgemeester kunnen gaan, het hoeven wat mij betreft niet de politiediensten te zijn – worden er niet systematisch van op de hoogte gebracht welke kinderen in hun gemeente thuisonderwijs volgen. Dat is een fundamenteel probleem op het terrein, want uiteindelijk is dat een groeiende groep. Die is niet spectaculair groot – in mijn stad gaat het over vijftig mensen, in grootsteden zal dat verhoudingsgewijs wel iets meer zijn –, maar het is een objectieve risicogroep.

Eigenlijk zouden de lokale overheden over die lijst moeten kunnen beschikken om een screening te doen. Nogmaals, in een groot deel van de gevallen zullen er zich geen problemen voordoen, omdat thuisonderwijs nu eenmaal een door ons aanvaard alternatief is voor het reguliere onderwijs. Je kunt er allerlei bedenkingen bij hebben, maar die mogelijkheid is gecreëerd en principieel stel ik die niet in vraag. Wat ik vanuit deze problematiek wel in vraag stel, is de moeilijke informatiedoorstroming van dat thuisonderwijs. Wie volgt dat op in de lokale besturen, die eigenlijk een korte screening zouden moeten kunnen doen rond de jongeren of gezinnen die er zijn? Als er informatie is bij de politie dat er zich in bepaalde gezinnen een radicaliseringsproblematiek of andere problematiek voordoet – want soms is de problematiek veel breder, het ene is met het andere verbonden – zouden we sneller op de bal moeten kunnen spelen. Vandaag is dat niet mogelijk.

Mijn vraag is om daaraan extra aandacht te besteden en te onderzoeken op welke manier die informatie effectief en sneller bij de lokale besturen kan komen.

Een derde punt is de problematiek in het onderwijs. Minister Crevits heeft heel veel terechte sporen aangehaald. Ik ben blij dat we niet voor alles nieuwe sporen uitdenken. Ik vind het net heel positief dat we de bestaande sporen of instrumenten zo veel mogelijk proberen open te trekken of in te zetten voor deze problematiek en dat we niet alles opnieuw uitvinden. Ik vind het een verdienste van deze regering dat ze die fout niet maakt. Sommigen zullen zeggen dat ze dat doet onder druk van de beperkte middelen, maar ik vind het positief dat we niet in de val trappen van het opzetten van een volledig nieuwe structuur.

Er zijn heel veel sporen naar individuele jongeren die in time-outprojecten of problematische opvoedingssituaties zitten. In Vlaanderen zijn er ook een beperkt aantal scholen waar die problematiek eigenlijk niet meer individueel, maar eerder collectief te noemen is, door een opeenstapeling van maatschappelijke problemen. Ik spreek uit ervaring. Zo zijn er scholen die zeer genereus geweest zijn en probleemjongeren hebben binnengelaten die nergens anders meer welkom waren en dan ineens worden geconfronteerd met het gegeven dat de context moeilijk wordt.  In zulke scholen is het gevaar dat jongeren elkaar opjagen of op het pad van radicalisering brengen, groter dan elders, zeker als directies die signalen beginnen te geven. Vaak overschrijdt het de mogelijkheden van de scholengroep om dat probleem in de groep zelf aan te pakken. Want natuurlijk ligt de eerste verantwoordelijkheid bij de scholengemeenschap zelf, om te bekijken wat ze kunnen doen.

Tot nu toe zijn er op dat vlak nog geen voldoende adequate instrumenten ontwikkeld. Ik begrijp dat dat niet eenvoudig is en dat een minister op zo’n moment zegt: “Verdorie, waar begin ik aan en waar eindigt het? Wat zijn de criteria op basis waarvan ik zo’n school ga identificeren?” Maar uit mijn ervaring op lokaal vlak weet ik dat je in zulke scholen een versterkte omkadering moet creëren omdat anders sommige van die scholen gewoon zullen ‘omvallen’ en de problematiek zich naar veel andere scholen zal verspreiden. Als er een concentratie van die problemen is, is het zaak die daar in de kern aan te pakken en sterker te omkaderen. Nogmaals, ik begrijp dat het een zeer complexe problematiek is. Ik vraag geen antwoorden op een-twee-drie, maar ik vind het een bijzonder aandachtspunt. In zoverre ik het sociologisch kan bekijken, gaat het misschien maar over vijf tot tien scholen in heel Vlaanderen. We moeten de toestand niet dramatiseren, maar er zijn een aantal scholen waar die problematiek zich stelt en waar je een objectieve voedingsbodem krijgt voor de potentiële radicalisering van een aantal jongeren.

Mijn vierde punt gaat over de moskeeën. In onze resolutie hebben wij gevraagd om de erkenningsprocedure van de moskeeën transparanter te maken en te versnellen. We denken dat moskeeën die erkend zijn en dus ook aan de voorwaarden voldoen – het is niet zo dat we die voorwaarden willen versoepelen – een partner kunnen zijn in het gedeelde burgerschap en ook in de strijd tegen radicalisering, zonder dat we de fout mogen maken te denken dat we imams of een geloofsgemeenschap kunnen instrumentaliseren tot een strijd tegen radicalisering. Vandaag is dat een pijnpunt. Ik merk dat men pogingen doet. Het is opnieuw een dossier dat tussen het federale en het Vlaamse niveau zit. Heel wat bevoegdheden op dat vlak bevinden zich op het federale niveau. Het is nogmaals een open vraag. Boeken we daarin vooruitgang? Hoever staat het met die erkenningsprocedure van moskeeën? Worden er de laatste tijd meer moskeeën erkend? Op een bepaald moment zat dat in een impasse. Geraken we daarin nu vooruit?

Het auteurschap van mijn laatste vraag zit bij mijn collega Diependaele. Het is een terechte vraag. We hebben er net over geconfereerd. Het is de vraag naar cijfermateriaal.  Alle hoorzittingen in verband met de radicalisering waren heel interessant, zeker ook die van de heer Vandoren. Nochtans bevindt zijn toelichting zich volledig in het veiligheidsverhaal. Maar als je een deradicaliseringsbeleid wilt voeren en je wilt dat preventief doen, dan is er nood aan regelmatige rapportering rond cijfers. Hoeveel mensen vertrekken er nu? Hoeveel mensen komen er terug? Hoeveel mensen zitten in een deradicaliseringsprogramma? Het is de vraag naar een beetje hard cijfermateriaal dat toelaat de evolutie van deze problematiek op te volgen. Stelt u zich voor dat er op een bepaald moment niemand meer vertrekt. Dan verandert deze problematiek natuurlijk van aard. Ik denk niet dat we zover zijn. Was dat maar het geval! Wat is de evolutie op het terrein?

Voorzitter, de betogen van de ministers zijn heel interessant, maar als we binnen een halfjaar opnieuw samenkomen, is dat misschien een goed moment om een, twee of drie sleutelfiguren die we hebben gehoord, opnieuw te horen. Dan kunnen we vragen waar we een jaar later staan en wat de evolutie op het terrein is, zodat we dit vanuit de commissie op een ernstige manier kunnen blijven volgen.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Ik dank de drie ministers voor de inspanningen die zij het voorbije halfjaar hebben gedaan. Ik vind het indrukwekkend hoe het voorbije halfjaar op alle terreinen sporen zijn uitgezet. Natuurlijk is alles nog niet afgerond, dat mogen we hier vandaag niet verwachten.

Het is belangrijk om bij elke evaluatie een aantal cijfers te krijgen. We moeten over objectieve gegevens kunnen beschikken en bij elke rapportage vertrekken vanuit de juiste cijfers.

Minister Homans, ik heb een concrete vraag over uw coördinatietaak. Er zijn verschillende lijnen aangekondigd. In de resolutie staat heel duidelijk omschreven dat het niet de bedoeling kan zijn dat die verschillende lijnen naast elkaar bestaan. Die verschillende lijnen moeten een onderling verband hebben waarbij versnippering vermeden moet worden. Ik heb geen idee hoe u die verschillende lijnen denkt te coördineren. Wordt daarover nagedacht zodat er een verband kan worden gecreëerd tussen de verschillende lijnen binnen onderwijs en welzijn, bij de VVSG en bij de Moslimexecutieve?

In de rapportage hebben we niets gehoord over de rol van de media. Het lijkt me interessant om ook daar een stand van zaken over te krijgen.

Minister Vandeurzen, de problematiek in verband met het delen van informatie is niet nieuw. Toen ik tien jaar geleden gedeputeerde was, hebben wij de problematiek over informatiedeling bij kinderen die het slachtoffer waren van partnergeweld, al op de agenda geplaatst. Het was mogelijk om een oplossing op het terrein aan te bieden omdat onze procureur gevoelig was voor dat thema en wilde samenwerken met de welzijnswerkers aan die informatiedeling. Ik ben ervan overtuigd dat dit ook mogelijk moet zijn voor radicalisering. Met de kennis die we in het verleden hebben opgedaan inzake informatiedeling over verschillende thema’s, moet het mogelijk zijn om dat ook over radicalisering te doen. Ik heb het dan over iedereen die rond de tafel zit en betrokken is, van straathoekwerkers tot politiemensen.

Wat de helpdesk betreft, ben ik heel blij dat er niet iets helemaal nieuws wordt opgezet. Wanneer we een frontdesk en een oproepnummer hebben, is het belangrijk dat er ook een garantie is op voldoende hulpverlening. Ik vind het dan ook helemaal geen probleem dat er voldoende tijd wordt genomen voor het opzetten van die helpdesk. Wanneer er een nummer wordt gelanceerd, moeten we zeker van zijn van een backoffice. Wanneer dus een hulpvraag wordt gesteld, moet daar opvolging aan gegeven kunnen worden. Ik veronderstel dat de organisatie daarvan wel wat tijd vraagt.

Ik wil al even vooruitkijken naar de volgende rapportering, ongeveer een jaar na de goedkeuring van de resolutie. Wanneer we erin slagen om de inspanningen die het voorbije halfjaar zijn gebeurd, voor te zetten tijdens het volgende halfjaar, dan ben ik ervan overtuigd dat we op heel veel terreinen een stap vooruit zullen hebben gezet.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Namens mijn fractie dank ik de ministers voor hun toelichting.

De heer Kennes heeft daarnet aangegeven dat dit thema begin dit jaar zeer sterk leefde binnen de samenleving. Iedereen was geschokt door de aanslagen, en het bestrijden van radicalisering stond dan ook bovenaan de agenda. Ook uit de samenleving kwamen sterke signalen, bijvoorbeeld door middel van optochten. Ook aan de politiek werd een sterk antwoord gevraagd. De reactie van de regering was het opstellen van een conceptnota en een actieplan om zo snel mogelijk te kunnen antwoorden op de dringende noden, vooral dan omdat het gaat over een ernstig probleem. Idem dito wat het werk in het parlement betreft. Er werden hoorzittingen georganiseerd die heel veel nuttige informatie hebben opgeleverd. Daaruit kwamen twee belangrijke signalen. Iedereen herinnert zich wellicht de beklijvende getuigenissen van de ouders die machteloos staan wanneer hun kinderen het spoor bijster geraken, dreigen te radicaliseren of al vertrokken zijn. Zij vroegen om bijstand en betrokkenheid.

Er werd ook een duidelijk signaal verwacht van de lokale besturen en van de terreinwerkers. De lokale besturen kunnen zich niet opsluiten in overleg maar moeten meteen een antwoord formuleren op de problemen die zich dagelijks voordoen. Daarbij moeten zij roeien met de riemen die zij hebben, vanuit de welzijnssector en vanuit de jeugdsector. Ook vanuit het onderwijs kwam het signaal dat het water hen tot aan de lippen staat. Zij hebben middelen en capaciteit nodig omdat deze problematiek een structurele aanpak vraagt. Die lost men niet op van de ene dag op de andere. Zij vragen dat Vlaanderen dat toch de belangrijkste bevoegdheden heeft op het vlak van preventie, een inspanning zou doen en doortastend zou optreden.

Een achttal maanden na het actieplan en na lezing van de rapportage heb ik fundamentele vragen op een drietal domeinen. Daarnaast heb ik nog twee punctuele vragen.

Ik wil het in eerste instantie hebben over de betrokkenheid en de ondersteuning van de ouders. We zijn in onze resolutie begonnen met de verwijzing naar Sabri, de zoon van de mama die is komen getuigen. Dat had ons allen aangegrepen. Haar boodschap was heel duidelijk. Zij pleitte voor onmiddellijke actie en gaf aan dat de noden op het terrein zeer concreet zijn. Door de resolutie op die manier te beginnen, gingen we een engagement aan ten aanzien van die noodkreet. Op die manier gaf de politiek, de regering, het parlement aan die noodkreet te hebben gehoord en daar een antwoord op te zullen formuleren. De eerste aanzet daartoe hebben wij geformuleerd in de resolutie.

Zo hebben we in aanbeveling 51 van de resolutie gevraagd dat de zelfhulpgroepen van betrokken familieleden zouden worden erkend en ondersteund. Ik heb uit de rapportage niet kunnen opmaken of dat effectief is gebeurd. Heeft bijvoorbeeld de vzw Les parents concernés een ondersteuning gekregen? Zijn er nog andere zelfhulpgroepen gecontacteerd? Op welke manier zijn we ondersteund? De informatie die die ouders verzamelen, is cruciaal om te kunnen optreden en om een beleid te ontwikkelen. Ik neem aan dat het snel is gebeurd. Hoe is dat in de praktijk gegaan?

In aanbeveling 48 van de resolutie staat dat er gezinsondersteunende exitprogramma’s zouden worden geïmplementeerd. Ik kon uit de rapportage niet opmaken of dat al is opgestart. Het gaat over preventief beleid. Hoe sneller men ermee aan de slag gaat, hoe meer problemen men kan vermijden. Bovendien zijn er genoeg voorbeelden waarop we ons kunnen baseren. Het is een kwestie van het op te starten.

Naar aanleiding van de hoorzittingen ging er veel aandacht naar psychologische begeleiding en traumabegeleiding voor hulpverleners en familieleden. Dat is aanbeveling 49. Is dat al gestart? Het is een heel specifiek beleid. Er zijn genoeg voorbeelden. We hebben de experten gehoord. Hoe is het geïmplementeerd in het beleid?

In de rapportage zijn de tegenverhalen of ‘counternarratives’ ter sprake gekomen, die zijn opgenomen in aanbeveling 50 van de resolutie. Minister Crevits heeft verwezen naar de imam die nu is aangesteld als aanspreekpunt om zulke tegenverhalen te ontwikkelen. Zijn de ouders daarbij betrokken? Er is niets meer sprekends dan mama’s die jongeren waarschuwen voor de risico’s van bepaalde radicale boodschappen of websites. Zij getuigen uit het leven. Dat is veel sprekender dan een tekst op een website. Net zoals in het buitenland, kunnen er netwerken van ouders worden gecreëerd die ook in scholen komen getuigen en jongeren sensibiliseren.

Over de installatie van de hulplijn, aanbeveling 5, is al uitvoerig gesproken. Mevrouw Sminate gaf al aan dat het ook een vraag is van de ouders, omdat ze soms niet weten bij wie ze kunnen aankloppen. Er is ook schaamte of vrees, omdat ze de gevolgen niet kennen van een melding. Zo’n helpdesk is cruciaal. Ik begrijp dat het wat organisatie vraagt om een backoffice op te zetten. Men wil het grondig doen, dat is prima. Maar intussen mogen we de naasten niet aan hun lot overlaten. Wie op zoek is naar informatie of hulp, wordt nog altijd met dat versnipperde landschap geconfronteerd. Een hulplijn betekent een enorm grote meerwaarde, en uiteraard moet er in de backoffice onderling worden afgestemd. Maar het vraagt toch niet zo veel vergadertijd, er zijn al maanden voorbij.

Met een hulplijn leg je ook contact met de betrokkenen. Een van de grote problemen in de aanpak van radicalisering is dat het beleid niet voldoende contact kan leggen met de betrokkene. Er is geen vertrouwen meer in de instellingen. In de hoorzitting toont men heel veel empathie voor de ouders, maar dan laat men maanden niets meer van zich horen. Dat is een heel vreemd signaal vanuit de overheid. Ik dring erop aan om ons niet te verschuilen achter praktische zaken, maar om zeer snel een aanspreekpunt te creëren, om verschillende redenen, zoals het signaal aan de betrokken ouders, en voor de detectie van problemen. Er moet niet nog een maand worden gewacht voor daar vooruitgang wordt geboekt.

Over de afstemming tussen de departementen Onderwijs en Welzijn stelt de rapportage dat die verloopt via de bestaande overlegorganen van integrale jeugdhulp, de intersectorale werkgroep, de administraties en de gemengde stuurgroep. Oké, dat is de aanpak. Belangrijk voor de opvolging is te weten welke resultaten die afstemming boekt. Wie wordt ermee bereikt? Wat is er gedaan aan bijvoorbeeld ‘outreachend’ werken, aan de huisbezoeken, aan het bereiken van lotgenotengroepen, de ‘councelling’, de rouwverwerking? Hoe gebeurt de monitoring van de wisselwerking tussen die twee belangrijke departementen? Daarnet is er een vraag gesteld naar cijfers. Het is goed om te weten wie is vertrokken, dreigt te vertrekken of is teruggekeerd. Ook is het goed om cijfermateriaal te hebben over welk effect we boeken met de acties die we opzetten.

Hoe is het middenveld betrokken bij de aanpak? In punt 7.3 van het actieplan staat dat ouders bijvoorbeeld beter naar het aanbod moeten worden toegeleid. Daarvoor zou men een beroep doen op het Minderhedenforum en andere federaties van etnisch-culturele minderheden. Dan verwacht je dat er de afgelopen maanden werk van is gemaakt, maar in de voortgangsrapportage lees ik dat de betrokkenheid van die federaties afhankelijk wordt gesteld van de installatie van de helpdesk. Zijn die twee elkaar dan niet aan het afremmen? Zowel de betrokkenheid van het middenveld als een helpdesk is dringend, en het ene hoeft niet op het andere te wachten.

Wat de betrokkenheid van ouders betreft op het vlak van onderwijs, heeft minister Crevits verwezen naar een centraal meldpunt, een e-mailadres. In de rapportage staat dat scholen en CLB’s daar terechtkunnen met vragen. Kunnen ouders daar ook met vragen terecht en zo ja, waarom wordt daarnaar niet verwezen in de rapportage? In actiepunt 5.6 wordt nochtans heel specifiek over de betrokkenheid van ouders gesproken, het is vreemd dat de ouders niet worden vermeld in de rapportage.

Een ander groot aandachtspunt, zoals de heer Somers aanstipte, is de informatie-uitwisseling en zeker die van gevoelige informatie. Daarvoor moeten we toch vooruitgang boeken. Ik lees in de rapportage onder punt 1.4 dat men informatie-uitwisseling wel mogelijk maakt voor intrafamiliaal geweld en kindermishandeling, maar dat voor radicalisering andere juridische elementen spelen. Over welke elementen heeft men het dan?

In de hoorzitting heeft de Nederlandse expert gezegd dat dit inderdaad niet evident is. Er bestaat geen modelantwoord daarop, maar men zou daar wel pragmatisch mee moeten omgaan, en een kader moeten uitwerken. Welke knelpunten staan het uitwerken daarvan kennelijk nog in de weg? Een dergelijke informatie-uitwisseling is immers natuurlijk van belang om een ketenaanpak op een efficiënte manier te kunnen uitrollen. Iedereen heeft benadrukt dat de aanpak van radicalisering op diverse domeinen moet gebeuren. Bij zo’n integrale aanpak is het essentieel dat men toch de belangrijkste informatie kan delen.

Nog een groot knelpunt, dat ook wel naar voren is gekomen tijdens de hoorzittingen, is dat van de nood aan voldoende middelen en capaciteit om die grote uitdaging aan te kunnen. Bij het opmaken van de resolutie is ook daarover gediscussieerd. Elk woord was belangrijk. De resolutie vroeg aan de Vlaamse Regering om de nodige maatregelen te nemen, om dat snel te doen, en vooral dan ook door in extra budgettaire ruimte voorzien in de domeinen en in die gemeenten waar de problemen het scherpst zijn. De nadruk lag dus op ‘snel’ en op ‘extra budgettaire ruimte’. Men heeft nu bijvoorbeeld in 500.000 euro voorzien voor de lokale besturen voor projecten die eenmalig zijn, maar wel kunnen worden verlengd, terwijl er nu al 1 miljoen euro wordt gevraagd. We weten dat de aanpak van radicalisering een werk van lange adem is, en ook een structurele aanpak veronderstelt. De ministers hebben dat ook al zelf aangegeven. Volstaat het dan wel om daar met projectsubsidies een antwoord op te geven, terwijl men op het terrein en ook wel vanuit de lokale besturen echt wel extra middelen en capaciteit vraagt? Ze vragen geen extra projecten, maar echt de nodige middelen om hun job te kunnen doen. Bovendien – en ik denk dat collega Sminate dat ook wel heeft aangegeven – is het onduidelijk hoe men in extra middelen gaat voorzien voor het onderdeel Jeugd en Welzijn. Ook bij het opmaken van de resolutietekst is daar enorm veel over gediscussieerd. Men gaf aan dat het niet de bedoeling mag zijn om middelen te gaan verschuiven in domeinen waar de nood nu eigenlijk al vrij groot is, zodat iedereen bij manier van spreken in de problemen verzeilt, zodat men iedereen ongelukkig maakt. Men zal gewoon in extra middelen moeten voorzien. Dat is dan een oproep. Minister Vandeurzen, ik kijk dan eigenlijk niet alleen naar u: dat is een oproep aan de Vlaamse Regering om daarvoor in de nodige middelen te voorzien. Als men het probleem ernstig neemt, als men radicalisering daadwerkelijk ook doortastend preventief wil aanpakken, dan zal men daarvoor in de nodige middelen moeten voorzien. Daarover was de expert Bilal Benyaich ook heel duidelijk. Hij zei dat wat allemaal op papier staat, er goed uitziet, maar dat de grote lakmoesproef het budgettaire kader, de begrotingscontrole zal zijn. Anders is dat alleen maar retoriek, zo stelde hij. Gelet op de vraag naar 1 miljoen euro die er kennelijk is, is die 500.000 euro qua projectmiddelen sowieso al onvoldoende. Dat is dan ook maar louter projectmatig. Als we weten dat dit toch een structurele aanpak veronderstelt, is het dan niet het moment om ter zake ook in de structurele middelen te voorzien?

Minister Crevits, de achtste aanbeveling van de resolutie heeft betrekking op de burgerschapseducatie. U hebt terecht het belang van interlevensbeschouwelijke vorming benadrukt. In die aanbeveling was er ook sprake van burgerschapseducatie. Omdat ik dat ook niet in de beleidsbrief heb zien staan, wil ik u vragen hoever het staat met het uitrollen van die aanbeveling.

Minister Homans, u gaf aan dat ik al gelukkig was met het feit dat er een taskforce bestaat en dat Vlaanderen daarin zit. Ik heb altijd sterk de nadruk gelegd op het belang van de aanwezigheid van Vlaanderen, en van de gewesten in het algemeen, in de Nationale Veiligheidsraad. (Opmerkingen van Matthias Diependaele)

Waarom heb ik daar heel sterk de nadruk op gelegd? In die Nationale Veiligheidsraad kan men bijvoorbeeld ook de andere gewesten op hun verantwoordelijkheid aanspreken. Brussel is een probleemgebied. Vilvoorde draagt daar de gevolgen van. Je kunt dan bilateraal contact leggen. Je kunt ook wel brieven sturen, maar als je niet, net als in het Overlegcomité, samenzit om gezamenlijk een politiek standpunt in te nemen, dan zul je daar geen vooruitgang in boeken. Daarom is het belangrijk dat Vlaanderen ook in die Nationale Veiligheidsraad zit. In de resolutie staat dat het minimum minimorum is dat Vlaanderen in overleg zou treden met die Nationale Veiligheidsraad. Dat is dan nog niet de taskforce, want de taskforce is een ambtelijk coördinatiecomité. Dat is dus het minimum minimorum. Dat is goed voor de integrale veiligheidsaanpak in Vlaanderen, maar als we die veiligheidsaspecten ernstig nemen, dan lijkt het me belangrijk dat we er ook alles aan doen om op politiek niveau de andere entiteiten, zowel de federale entiteit als de andere gewesten, voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen als het gaat over de effecten van hun beleid, ook op Vlaanderen en zeker ook wat preventie en detectie betreft.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik denk dat we een goed actieplan hebben kunnen voorleggen. Het lijkt me normaal dat er in het begin met dergelijke te ondernemen acties heel veel expertiseopbouw moet gebeuren, en dat dat dan uiteraard gepaard gaat met studiedagen, vormingsdagen en dergelijke meer. Het is natuurlijk ook wel zo dat men meestal een aantal hindernissen ondervindt voor men die kennis in de praktijk kan omzetten. Dat is in dezen natuurlijk ook wel zo. Er blijven uiteraard nog wel wat jongeren vertrekken naar Syrië. We hebben ook de twee jihadiweduwen met hun kleuters niet echt van mening kunnen doen veranderen. Er zijn in de praktijk dus toch nog wel een aantal oefeningen nodig.

Wat ik in mijn algemene indruk van het actieplan een beetje mis, is de samenwerking met de politiediensten. Het staat er wel in, maar het is weinig concreet. Zij lijken me toch een belangrijke partner in heel dit gegeven, en zijn vaak ook wel een eindschakel in een bepaald proces. Dat zou misschien toch nog meer concreet naar voren moeten komen.

Wat die informatiedoorstroming betreft, heb ik vernomen dat er een bevoegdheidsconflict zou zijn met betrekking tot de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken en het Vlaams Platform. Er is me verteld dat die dienst voor Veiligheid en Preventie, die toch wel ongeveer tien voltijdsequivalenten ter beschikking heeft, eigenlijk vooral speelt op het deeldomein van Vlaanderen. Het gaat dan namelijk over preventie. Zij zouden eigenlijk geen duidelijk doel en geen duidelijke taakverantwoordelijkheid hebben. Klopt dat? Zo ja, is er dan geen mogelijkheid om een en ander te verschuiven naar het Vlaamse niveau? Ik weet ook niet in welke mate de centrale verbindingspersoon die we voor ogen hebben, daar een rol in kan spelen.

Ook qua informatiedoorstroming is er het project van de VVSG, waardoor veel lokale besturen worden opgevangen door hun helpdesk. Blijft er dan ook wel voldoende informatie doorstromen naar de lokale en de federale politie? Hebt u daar een zicht op? Er was in de sector ook wel wat bezorgdheid over die nationale taskforce en dan die lokale taskforce en de Lokale Integrale Veiligheidscel (LIVC), maar daar is collega Kherbache al enigszins op ingegaan, dus ik zal dat overslaan.

Met betrekking tot de samenwerkingsafspraken tussen scholen en lokale politiezones wordt er ook wel op gewezen dat het niet altijd de wijkagent is die de meeste kennis heeft over die radicalisering, dat ook die processen binnen de politie nog bezig zijn en dat men ter zake ook wel enige voorzichtigheid aan de dag moet leggen. Als er binnen de politie een lokaal aanspreekpunt wordt aangeduid, dan moet dat misschien ook worden gekoppeld aan een specifieke naam, zodat men toch steeds bij de juiste persoon terecht kan.

Voor de ondersteuning van gemeenten staat in het plan dat er een projectgroep gelanceerd werd. Deze diende vast te stellen welke gemeenten in aanmerking zouden komen voor extra ondersteuning in het kader van preventie. “Hiervoor moeten deze gemeenten een omgevingsanalyse maken. Ze moeten verslagen van de gemeenteraad samenbundelen. Ze moeten bestaande plannen of initiatieven tonen. Ze moeten verslagen omtrent overleg met betrekking tot het thema voorleggen.”

Ik denk dat dit voor de gemeenten toch enige planlast meebrengt. Vandaar mijn vraag: kon de lijst van OCAD aangaande de Syriëproblematiek hiervoor niet gebruikt worden? Of is die gebruikt geweest? Op de lijst staan vertrekkers en terugkeerders vermeld, wie in Syrië zit en wie werd tegengehouden, en vanuit welke gemeenten ze vertrekken. Hiermee zou al heel wat informatie gewonnen kunnen worden zonder dat de gemeenten extra administratief werk hebben.

Hoe gaat de VDAB om met de mensen die absoluut niet willen werken wegens geloofsredenen? Dat gaat dan bijvoorbeeld over vrouwen op de werkvloer, de verkoop van alcohol, kledijverplichtingen of vaste uren die niet stroken met de gebedsuren.

De initiatieven van de vzw Motief zijn waardevol en belangrijk inzake de ondersteuning van de eerstelijnswerkers. Het project 'Train the trainer' zal opvolging krijgen. Dat vind ik persoonlijk heel belangrijk. Het aantal deelnemers viel me echter wat tegen, ook al omdat ze zijn opgestart op een moment dat dit sterk in de media aanwezig was. Hoe heeft Motief dit ervaren? Worden de vormingen nog eens herhaald? Hebt u er zicht op of een voldoende breed terrein van hulpverleners werd bereikt?

Er werd verwezen naar het BOUNCE-project. Dat is een algemene weerbaarheidstraining, niet specifiek tegen radicalisering. Naast weerbaarheid is kennis van de eigen godsdienst van groot belang in het radicaliseringsproces. Ik heb onlangs ‘De Jihadkaravaan’ gelezen. Het boek geeft expliciet de evolutie van Brian De Mulder weer. Er wordt aangetoond dat hij onder meer vatbaar was voor de radicalisering en de invloed van Belkacem omdat hij zo weinig wist van de Koran. Zijn vriend die de Koran wel goed kende, heeft hem gewaarschuwd dat de Koran het anders bedoeld had. Die vriend was wel weerbaar. Er zitten vele aspecten aan dit verhaal, zoals de weerbaarheidstraining en de levensbeschouwelijke lessen.

Minister Crevits, u had het over die levensbeschouwelijke lessen. De kennis van de eigen godsdienst is nodig om kritisch te kunnen reflecteren en open te staan voor andere godsdiensten of andere vormen ervan. Voor de interreligieuze dialoog moet er een intrareligieuze dialoog zijn. We vergeten vaak dat een levensbeschouwelijke identiteit een groeiproces is. Je bent dat niet van de ene dag op de andere. Het is een hele ontwikkeling in je zelfontplooiing en -bewustzijn. Dat is heel belangrijk. De kennis van de eigen godsdienst is een fundamenteel gegeven.

Er wordt ook verwezen naar het centraal aanspreekpunt waar scholen en CLB’s terecht zullen kunnen. Dat werd al eerder aangehaald. Ik vraag me af waarom dit een centraal aanspreekpunt moet zijn. Kan dat aanspreekpunt dan per scholengemeenschap personen aanduiden? Dat kan een godsdienst-, zedenleer- of geschiedenisleerkracht zijn. Deze personen zouden de scholen binnen de scholengemeenschap en dus meestal binnen een bepaalde cultuur specifieker, sneller en meer functioneel kunnen helpen.

De VDAB zou in functie van het aanreiken van handvatten aan haar medewerkers in verband met signalen rond radicalisering een communicatiecampagne hebben gelanceerd. Wat houdt die campagne precies in? Welke signalen hebben zij ontvangen?

De opleiding islamitische theologie en godsdienstwetenschappen en het professionaliseringstraject voor imams zijn zeer waardevol. We moeten weer realistisch blijven: voor een imam die enig aanzien wil hebben binnen de gemeenschap, is het van groot belang dat hij de Koran in het Arabisch van buiten kent. Dat is natuurlijk niet haalbaar binnen een opleiding van één jaar.

Ik heb vernomen dat een aantal van die opleidingen in Nederland mislukt zijn of hun doel voorbijgeschoten zijn omdat er onvoldoende aandacht werd besteed aan de Koran en het van buiten leren in het Arabisch.

Voor het netwerk van islamexperten is Khalid Benhaddou aangesteld als coördinator. Hebt u weet van experten die mee in dat netwerk functioneren? In Antwerpen doet imam Wim Van Ael een beetje gelijksoortig werk als Benhaddou. Maakt hij deel uit van het netwerk? Of werkt hij op zelfstandige basis om het zo te zeggen? Het werk dat hij doet, is in elk geval van bijzondere waarde.

In verband met actie 10.3 over de gedetineerden hebben we tijdens de hoorzittingen een heel interessante uiteenzetting gehad van Erik de Soir. In hoeverre was deze persoon gecontacteerd? In hoeverre kunnen wij gebruikmaken van zijn expertise in verband met gedetineerden en de mate waarin zij gevoelig zijn voor radicalisering?

Het plan spreekt over een mediastrategie, dat kwam hier vandaag minder aan bod. Is er op dit punt samenwerking met OCAD, met de Staatsveiligheid, met de federale politie in verband met bepaalde internetfora? Ik denk dat zij waardevolle informatie kunnen opleveren.

Minister Homans heeft het woord.

Ik begin bij de vraag van de heer Kennes. Ik heb in de toelichting al gezegd dat er heel veel belangrijke overlegmomenten zijn en geweest zijn. We hebben onder meer vooruitgang geboekt omdat Vlaanderen systematisch wordt opgenomen in allerlei overlegfora. Dat is goed.

Uw concrete vraag ging over dat federale platform. Dat is opgericht door het Overlegcomité, de samenstelling ervan heb ik al gegeven in mijn toelichting. Ze zijn bijeengekomen op 17 maart, 21 april, 2 juni en 11 september. Het doel van de overlegmomenten en van het platform is vooral informatie-uitwisseling. Dat heb ik al gezegd. De verschillende overheden informeren elkaar over initiatieven die ze hebben genomen. OCAD geeft regelmatig een update van de situatie.

Wat RAN doet, is zeer waardevol. We verspreiden de aanbevelingen dan ook binnen het Vlaams platform zodat iedereen er onmiddellijk mee aan de slag kan. Dat is belangrijk.

De heer Poschet, die nu afwezig is, vroeg of de burgemeesters op de hoogte zijn van de omzendbrief. Het is een federale omzendbrief. Wij zijn samen met de VVSG binnen het Vlaams Platform aan het bekijken hoe we de lokale besturen kunnen ondersteunen in het kader van onder andere het oprichten van een lokale integrale veiligheidscel. Op 18 november 2015 staat dit punt op de agenda van het platform.

Heeft het AII contact gehad met de negentien Brusselse gemeenten? U weet dat dit Vlaamse agentschap ook bevoegd is voor Brussel. Er zijn contacten geweest. Als zij contacten willen, kunnen zij altijd zelf contact opnemen met het Vlaamse agentschap.

De projectsubsidies voor de lokale besturen gaan begin januari 2016 van start, maar de heer Poschet heeft ergens gelezen dat het maart is. We geven de kans om te starten tot maart. Maar een lokaal bestuur dat nu al iemand heeft aangeworven of dat iemand heeft, kan al vanaf 1 januari 2016 starten. De lokale besturen krijgen gewoon een klein beetje meer tijd, tot maart, om die persoon aan te werven.

Mijnheer Van Grieken, ik heb u heel veel horen zeggen en maar weinig concrete vragen horen stellen. Ik zal uw vraag over het beroepsgeheim eventjes parkeren bij minister Vandeurzen. Hij heeft daarover al heel veel vragen gekregen. Ik neem aan dat hij over het beroepsgeheim in het algemeen zal antwoorden, en dat hij dan ook uw vraag zal beantwoorden.

Hoe zit het met de meldingsplicht voor ambtenaren tout court en voor alle medewerkers? Ik ben geen jurist, maar minister Vandeurzen wel. (Opmerkingen van minister Jo Vandeurzen)

Het is mijn inschatting dat wat u vraagt een aanpassing van de federale strafwet vergt. (Opmerkingen van minister Jo Vandeurzen)

De finaliteit van uw vraag ontgaat mij een beetje. Moet iedereen die met een baard op staat loopt gemeld worden op een kliklijn? Ik zie het nut er niet van in.

Meerdere leden hebben vragen over het budget voor mijn acties. U vraagt of ik zicht heb op het totale budget. Ik twijfel er niet aan dat u het actieplan goed hebt doorgenomen. Als u alle bedragen die erin staan eenvoudig optelt, komt u aan de totale som.

Een doorlichting van de moskeeën is een zaak voor de Staatsveiligheid. Die bevoegdheid heb ik niet. Vanuit mijn bevoegdheid kan ik hier niets aan doen. Als u mij vraagt om de opdracht tot doorlichting te geven, bent u aan het verkeerde adres. De Staatsveiligheid doet in dezen wel haar werk. Dat kan ik u garanderen.

Mevrouw Meuleman, u hebt vandaag, ik denk in De Morgen, gezegd dat de deradicaliseringsprogramma’s waren beloofd en dat ze er niet komen. Voor alle duidelijkheid: wij leven in een land met een scheiding der machten, en wij leven in een rechtstaat. Als een rechter een vonnis velt van bijvoorbeeld drie jaar met uitstel zonder voorwaarden, kunnen wij geen deradicaliseringsprogramma opleggen. Ik weet van bepaalde lokale besturen waar men, ondanks de uitspraak van de rechter, zonder voorwaarden dus, toch aan de betrokkene meerdere keren heeft gevraagd om een deradicaliseringsprogramma te volgen, waarna de betrokkene zijn kat stuurde. U vraagt iets wat wettelijk gezien niet mogelijk is. U vraagt eigenlijk dat de politiek zich gaat moeien met de rechtspraak. (Opmerkingen van Elisabeth Meuleman)

De principes van de rechtstaat zijn redelijk heilig. Mevrouw Meuleman, die deradicaliseringsprogramma’s bestaan. Maar dat is niet een individueel programma dat van toepassing kan worden gemaakt op iedereen. Dat is maatwerk. Lokale besturen nodigen iemand uit. Ofwel kunnen ze hem opeisen omdat een rechter een vonnis in die zin heeft geveld. Ofwel gaan ze er zelf op in en nodigen ze hem uit. Er wordt dan een heel traject afgesproken. Maar dat is nu niet iets zoals het Vlaamse deradicaliseringsprogramma. Dat is maatwerk. En dat is goed.

Mevrouw Meuleman, uw partij heeft in dit debat twee gezichten. U doet dat goed en zeer gedreven. Het ligt u na aan het hart en u bent geloofwaardig. Ik zeg dat oprecht. (Opmerkingen van Bart Somers. Gelach)

Ik heb eens bekeken welke vragen uw collega’s in de Kamer daarover al hebben gesteld. Zo zei Stefaan Van Hecke tijdens het debat over het voorstel van minister Jambon over het intrekken van de identiteitskaart letterlijk: “Gaan we niet te ver, of is dit geen ongeoorloofde inbreuk op de privacy en op de fundamenten van de democratische rechtstaat?” Over het beroepsgeheim zei mevrouw Willaert: “Ik kan u alleen maar bijtreden als u zegt dat het beroepsgeheim precies bestaat om de mensen te kunnen blijven bereiken en te kunnen blijven begeleiden. We moeten daar heel omzichtig mee omspringen.”

Meerdere collega’s, onder andere mevrouw Kherbache en ik denk ook mevrouw Claes, hebben vragen gesteld over het budget. Ik heb altijd gezegd, al van bij de oprichting van deze commissie, dat niet alles draait om het gewoon openzetten van de financiële kraan. Men gaat echt niet vermijden dat nog iemand naar Syrië vertrekt omdat men 5 miljoen euro heeft gegeven. Ik kan nog een citaat voorlezen, ook van de heer Van Hecke: “Mensen die echt overtuigd zijn, of ze nu minder- of meerderjarig zijn, en die echt willen gaan vechten, zullen een andere weg vinden om daar te geraken.” Het is dus een illusie om te denken dat je met massa’s geld het probleem zult kunnen oplossen. Dat wil niet zeggen dat er geen geld moet worden vrijgemaakt. Ik heb uit mijn eigen budget 1,2 miljoen euro vrijgemaakt. U kunt zeggen dat dat veel te weinig is. Maar wij hebben altijd gezegd dat men bij een bepaalde problematiek op een bepaald moment prioriteiten, accenten en focus moet verleggen. Dat is ook zo in het kader van de vluchtelingencrisis, waarvoor we een aparte tabel van financiële middelen hebben. Ik zie dat dit in steden als Antwerpen al lang geleden gebeurd is. Ze hebben hun focus verlegd. Personeel dat bezig was met problemen die nu minder acuut zijn, verandert de focus.

In het debat over de budgetten wordt ook vaak vergeten dat de federale overheid geld geeft aan de lokale besturen. We moeten dus niet alleen rekening houden met de budgetten die Vlaanderen geeft. Bovendien zijn er in de reguliere acties ook acties opgenomen in het reguliere beleid van de Vlaamse Regering, die dan in financieel opzicht ook zouden moeten worden meegeteld.

Mijnheer Somers, u vraagt om de erkenning van de moskee te versnellen en de voorwaarden te versoepelen.

Bart Somers (Open Vld)

Neen, zonder de voorwaarden te versoepelen.

Dan zijn we het volledig met elkaar eens, mijnheer Somers. In het verleden lag het aan de Moslimexecutieve want die heeft een tijdje lamgelegen. Daarom zijn er geen dossiers meer bijgekomen. Nu zijn er 28 erkende, en er komen er een vijftigtal erkende bij. Ik ben ervan overtuigd – de heer Van Grieken niet, maar dat is zijn volste recht – dat je beter een erkende moskee hebt waar je nog controle en toezicht op kunt uitoefenen, dan moskeeën in garages enzovoort. Het is beter een erkende moskee te hebben, dan geen erkende.

Mijnheer Somers, het Agentschap Binnenlands Bestuur en het Agentschap Integratie en Inburgering hebben ondersteuning gegeven bij het opmaken van de dossiers en dat is goed. Cijfermateriaal is inderdaad waardevol. Ik zal daar rekening mee houden bij het opstellen van de volgende voortgangsrapportage.

Voor de coördinatie tussen de verschillende helpdesks en infolijnen, is het de bedoeling dat ze naar elkaar doorverwijzen. Als een jongere met theologische vragen over de islam bijvoorbeeld belt naar de infolijn voor ouders van minister Vandeurzen, dan zal die worden doorverwezen naar de telefoonlijn van de Moslimexecutieve. Dat is nogal wiedes.

Over de rol van de media is er een actie. Dat is actie 11.2. Ik ken die actie niet van buiten, ze valt ook niet onder mijn bevoegdheid, maar ze staat wel degelijk in het actieplan.

Het contact met de politiediensten staat in de omzendbrief. De Dienst Veiligheid en Preventie zit bij de FOD Binnenlandse Zaken. Natuurlijk wordt er continu met ons afgestemd. De vertegenwoordigers zitten ook in ons platform. In het kader van het Plan R is er afgesproken dat elk initiatief moet en zal worden afgetoetst met Vlaanderen. Om daar een zevende staatshervorming voor te organiseren, dat lijkt me een brug te ver.

De lijst van OCAD werd wel degelijk gebruikt bij de projectoproepen voor de regierol van de lokale besturen. Over vzw Motief werd gezegd dat er te weinig deelnemers zijn. Ik vind van niet. Ik vind het een succes. Ik heb wel gevraagd om de evaluatie van de vorming door vzw Motief mee te nemen. Het vervolgtraject is ‘Train the trainer’. We zullen nagaan of er verbeterpunten zijn. Het is natuurlijk de bedoeling zoveel mogelijk eerstelijnwerkers te vormen. Hoe meer we er kunnen bereiken – het budget voor ‘Train the trainer’ is verdubbeld, 80.000 in plaats van 40.000 euro – hoe succesvoller het kan zijn.

De vragen over de VDAB kan ik enkel algemeen beantwoorden. Ik zal vragen aan minister Muyters de antwoorden op die vragen via de commissiesecretaris te bezorgen, zodat ze kunnen worden verdeeld onder commissieleden. (nvdr. Achteraf is ons volgend antwoord bezorgd: “Elke werkzoekende is verplicht om in te gaan op een passend werkaanbod door VDAB. Het weigeren van werk op basis van niet relevante redenen zoals geloofsredenen, aanwezigheid van vrouwen op de werkplek e.a. zijn geen verschoningsgronden om werk te weigeren. De betrokken werkweigeraar krijgt in dit geval formulier 'A8 werkweigering'  opgestuurd en wordt naar RVA doorverwezen. Het dossier wordt daar verder onderzocht met mogelijk (tijdelijke) schorsing van de werkloosheidsuitkering van de betrokken werkweigeraar als gevolg.”)

Mevrouw Kherbache, u vroeg om Vlaanderen te laten zetelen in een nationale veiligheidsraad. Het Overlegcomité biedt daarvoor natuurlijk ook een forum. Daar kan iedereen vanuit een deelstaat agenderen wat hij of zij wil, wat goed is. Ook het federaal politiek platform, waar alle regio’s in zitten, is zeer belangrijk. Vlaanderen in een nationale veiligheidsraad, is niet echt nodig. Ik zou niet graag morgen opnieuw een artikel zien verschijnen met de kop: ”Homans wil Bourgeois niet in nationale veiligheidsraad.” Er zijn voldoende kansen om die problematiek aan te kaarten. U schetst een terechte problematiek, maar die kan voldoende worden behandeld op het forum van het Overlegcomité en het federaal politiek platform.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Eerst iets over het beroepsgeheim. Terecht is gezegd dat dat een belangrijk aspect van de zaak is. Het gaat over informatie die vanuit politionele diensten, de Staatsveiligheid of het openbaar ministerie richting samenleving kan komen, maar er is ook de verwachting dat het andersom gebeurt. Dat zijn de twee sporen waarover het gaat.

Als je dat goed wilt aanpakken met alle juridische contouren van het probleem, moet je proberen een consensus te krijgen over thema’s zoals risicotaxatie. Je kunt moeilijk verwachten dat de vertrouwensband waarop hulpverleners en patiënten kunnen rekenen, op losse schroeven wordt gezet, als je niet eerst probeert een consensus te krijgen over de vraag wat de signalen zijn en vanaf welk moment je als professional in alle redelijkheid moet kunnen zeggen dat je die moet delen met anderen omdat er een hoger belang en een hoger veiligheidsrisico is voor de samenleving. Vanuit het perspectief van de hulpverlener is dat een heel moeilijke kwestie.

Mensen die de evaluatie van een jaar integrale jeugdhulp volgen, weten dat dat daar een issue is. Het is geen issue dat specifiek geldt voor het thema van de radicalisering. Dat is daar precies hetzelfde. Wanneer moet je een analyse maken en zeggen dat er een verontrustende situatie is? Wanneer moet je zeggen dat je het binnen de hulpverlening kunt aanpakken en dat je je samen met andere hulpverleners kunt engageren? Als je dat soort bereidheid verwacht, los van de vraag over het juridische, moet je een consensus proberen te bereiken over wat de signalen zijn en hoe we de risicotaxatie zien. Vanaf welk moment moet het kunnen worden gedeeld?

Als je twijfelt, moet je ergens terechtkunnen. Als hulpverlener moet je een klankbord hebben om te kunnen oordelen of je erover spreekt, of je erover kunt of moet spreken. Dat is de logica die in de integrale jeugdhulp wordt gebruikt met de positie van het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg. Daar wordt gezegd, als je als hulpverlener van oordeel bent dat een kind in gevaar is, dat je dat moet kunnen toetsen en advies vragen. Er is zelfs een gemandateerde voorziening die de zaak naar zich toe kan trekken, die kan escaleren, en die het mandaat heeft om het openbaar ministerie te vorderen. Dat is de logica in de integrale jeugdhulp. In Vlaanderen is de kwestie van het beroepsgeheim deels geregeld in het decreet Integrale Jeugdhulp. We hebben dat voor een aantal dingen gedaan. We gaan dat naar aanleiding van de evaluatie integrale jeugdhulp in het Mozaïekdecreet verder verfijnen.

De verwijzing naar de goede praktijken – CO3, maar er zijn ook andere regels waar er goede praktijken zijn – en de vraag waarom die niet zomaar kunnen worden overgeheveld naar radicalisering, hebben te maken met de analyse van minister Homans. Een signaal van een wijzigend gedrag – iemand die zich opsluit, die zeer geïnteresseerd geraakt in godsdienst, die zich anders kleedt – is op zichzelf niet strafbaar. Je kunt niet zomaar vragen om dat te melden. Op welke rechtsbasis moet je dat als een meldingsplichtig verhaal zien in het kader van de huidige regels van het beroepsgeheim en het federale artikel 458bis? Dat gaat niet op die manier.

Soms wordt daar heel licht over gegaan. Alsof men van de hulpverlening moet verwachten dat als die bepaalde dingen ziet, de hulpverlening die sowieso moet melden. Als dat op zich geen strafbaar feit is, moet je dat kunnen toetsen aan een gedeelde analyse van signalen die legitimeren om er in het kader van een hoger belang – dat heeft te maken met de integriteit van de betrokkene en de veiligheid van de samenleving – wel op in te gaan.

De andere kant van het verhaal vraagt dezelfde consensus over wat de risicotaxatie is en hoe je in een individueel casusoverleg kunt nagaan wat aangepaste hulpverlening en ondersteuning is, eventueel met externe druk door juridische maatregelen, justitie, probatie, openbaar ministerie, dus alle instrumenten om mensen aan te zetten om verplicht in een traject te stappen. Dat is toch het escalatieniveau dat Justitie daar kan aan toevoegen.

Als je dat vanuit die invalshoek bekijkt, moet je ook opnieuw een consensus krijgen over wat goede praktijken van deradicaliseringsprogramma’s zijn, die altijd individueel moeten worden ingevuld. Minister Homans heeft overschot van gelijk: je moet in zo’n situatie aanvaarden dat het over casusoverleg gaat, maar je moet voor een stuk consensus hebben over wat de elementen zijn die in zo’n casus aan de orde moeten worden gebracht en waarover de afspraken moeten worden gemaakt. Dat moet dan met de hulpverleners, als het een problematiek is waarin hulpverlening aangewezen is en vrijwillig of op een andere manier in wordt betrokken, maar ook politioneel, bestuurlijk enzovoort.

Daarom heb ik in mijn toelichting gezegd dat we er vanuit ons departement in de laatste maanden zeer sterk op hebben aangedrongen dat er met de actoren van Justitie – dat is het goede van de nota Integrale Veiligheid – over dat soort thema’s voldoende duidelijke kaders worden afgesproken. Wat is de manier waarop wij risicotaxaties doen? In het geval van grensoverschrijdend gedrag hebben we dat soort systemen ontwikkeld, met Sensoa en andere partners. We kunnen dat dus. Maar in dit geval moeten ze worden gedeeld door Binnenlandse Zaken, het openbaar ministerie en andere partijen die daarbij moeten worden betrokken. Daarom heb ik uitdrukkelijk verwezen naar de tekst die we eind oktober hebben gekregen rond de visie die een vernieuwd radicaliseringplan moet kunnen onderbouwen. Daarin wordt heel sterk gezegd dat we op dat vlak inzichten moeten delen en die communicatie een voldoende kader moeten geven om zich te voltrekken. We moeten het dus bekijken vanuit twee invalshoeken.

Als je het vanuit juridisch oogpunt bekijkt, zijn er wetten van strafvordering waarbij ambtenaren worden verplicht om strafbare feiten te melden. Ook in de wetgeving rond de Staatsveiligheid is er meldingsplicht. Als het over volwassenen gaat, is er op dit moment weinig kader om dat rechtszeker te regelen. Dan gebeurt wat de heer Somers heel juist aangeeft en wat in Antwerpen en in nog een aantal plaatsen gebeurt: goedmenende mensen die niet schuwen om hun verantwoordelijkheid te nemen, maken daarover afspraken met elkaar. Dat zijn dan afspraken of best practices die men maakt op het terrein.

Ik heb de provinciale ambtenaar van Antwerpen gehoord rond het thema CO3 enzovoort. Als het gaat over intrafamiliaal geweld kun je dat nog relatief plaatsen in het artikel 458bis omdat je kunt zeggen dat het om een bedreiging van de integriteit van de persoon gaat. Maar voor signalen van radicalisering wordt dat al een veel moeilijker verhaal. Dat moeten de verschillende actoren van elkaar kunnen weten. Daarom pleit ik niet voor een soort zwart-witredenering, maar voor een goede taxatieschaal, zodat je kunt differentiëren, zodat je informatie kunt delen, maar er ook op kunt rekenen dat daarvan niet met de botte bijl wordt gebruikgemaakt. Het moet ook duidelijk zijn vanaf welk moment de mensen die echt voor de veiligheid instaan mogen verwachten dat ze er in alle eerlijkheid over worden ingelicht. Daarvoor heb je een heel genuanceerd palet nodig.

Voor de volwassenen moet je hoe dan ook proberen om er een beter wettelijk kader voor te creëren. Dat is echter zeer moeilijk. We hebben gesprekken gevoerd met verschillende instanties. Ik weet heel goed dat men er op het federale niveau heel ernstig over nadenkt hoe men dat het best doet. Het is toch een afweging van een aantal belangen die niet zomaar in een heel simpel regeltje kunnen worden gevat.

Daaraan koppel ik ook de vraag die mevrouw Kherbache heeft gesteld rond de trajecten in geval van terugkeer, traumabegeleiding enzovoort. Je moet op dat vlak inderdaad een aantal afspraken hebben tussen alle actoren, zodat ze weten dat, als je dit soort analyse maakt en in die bepaalde casus, je moet kunnen verwachten dat dat soort mogelijkheden worden ingezet en die partijen ook kunnen worden geconvoceerd om daaraan samen te werken. Wij zijn daarmee bezig, met partijen vanuit alle bestuursniveaus, ook in de ziekteverzekering. Het is een complex verhaal. Ik ben het er wel mee eens – en ik hoop dat we dat ook kunnen tonen wanneer we binnen een jaar opnieuw voor u verschijnen – dat dat wel basiselementen zullen moeten zijn voor de volgende periode. Nu hebben we de eerste fase: veel informatie, veel vorming, een aantal dingen die worden opgezet, veiligheidsmachtigingen die worden uitgedeeld, referentiepersonen die worden aangeduid. Je voelt duidelijk dat dat aspect van het verhaal zeker aan bod moet komen.

Wat mij betreft is het debat ook breder dan enkel het issue van de radicalisering. Ik heb ondertussen de tour gedaan van alle justitiehuizen, behalve – en dat is puur toeval – Gent. Ik stel vast wat de heer Somers zegt: in vele gerechtelijke arrondissementen heeft men tussen de bestuurlijke overheden, de hulpverleners, het openbaar ministerie en in een aantal gevallen zelfs zetelende rechters afspraken gemaakt, over wat er wordt gerapporteerd en wanneer de externe motivatie – er komt een vonnis als je dit niet doet of we zullen voor de rechtbank vorderen als je dat niet doet – wordt gebruikt om bepaalde gedragingen te bestrijden of iemand op het juiste spoor te zetten. Je merkt dat men dat doet in goede praktijken, maar in mijn ogen is er te veel variëteit. Het verschil zit hem vaak in nuances, maar het is nu echt tijd om op Vlaams niveau daarover afspraken te maken met het federale niveau.

Dat heeft niet specifiek iets te maken met radicalisering op zich. De relaties tussen de welzijnssector en de wereld van justitie zijn dermate intens geworden vanuit de visie op een meer gemeenschapsgerichte justitie die – terecht – zegt dat ze er niet is om een drugsverslaafde mordicus te veroordelen, maar om die verslaafde via die veroordeling terug op het spoor te zetten, vanuit een visie op een justitie die een plaats heeft in de samenleving en vanuit de realiteit van de staatshervorming waar we ook op dat vlak een aantal zaken van bevoegdheidsniveau hebben verschoven, waardoor we dat gesprek misschien nog met meer nadruk kunnen vragen vanuit Vlaanderen.

In het kader van en naar aanleiding van uw resolutie zijn wij bezig die vragen te stellen. Via de inbreng van de Vlaamse Regering in tal van federale overlegstructuren, maar ook in het kader van de opmaak van de kadernota Integrale Veiligheid, hoop ik dat u zult zien dat we op dat vlak echt wel denken dat er een aantal stappen kunnen en zullen moeten worden gezet. Ik ben de laatste om te doen alsof dat zeer eenvoudig is. Ik neem aan dat u zult begrijpen dat de minister van Welzijn ook vraagt om daar niet in zwart-wittermen en zeer demagogisch over te spreken, maar daarin ook het belang van de vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de cliënt een plaats te geven. Ik vind dat er soms nogal losjes overheen wordt gegaan. Ik ben blij dat Groen daarvoor aandacht vraagt in het federaal Parlement. Het is een verhaal van nuance waarvoor de mensen op het terrein een kader moeten hebben. Ik denk dat dit een goed moment is om aan dat kader te werken.

Er waren een aantal kritieken rond die helpdesk. Ik heb twee geboortes van hulplijnen in Vlaanderen meegemaakt: de 1712-lijn rond misbruik en aantasting van de integriteit en de 1813-lijn in verband met zelfdoding. Onze ombudsman heeft al eens gezegd dat er te veel lijnen zijn. In uw verslag van de bespreking van de resolutie lees ik precies dezelfde bezorgdheid. Als ik heel plat had willen zijn, had ik kunnen zeggen dat er al zo’n lijn is, namelijk de Opvoedingslijn, waarop ouders terechtkunnen met vragen over opvoeding. Ik had kunnen zeggen dat we die wat zullen outilleren, dat de website al wat gestoffeerd is met zaken rond radicalisering, dat we het nummer wat meer zouden kunnen bekendmaken in de allochtone gemeenschap en dat daarmee het probleem zou zijn opgelost.

We hebben jullie resolutie goed gelezen. Jullie zeggen daarin uitdrukkelijk: “Die telefoonlijn moet neutraal zijn en worden uitgerust met een degelijke backoffice die onmiddellijk advies kan verlenen of een meer intensieve ondersteuning.” Het gaat dus niet zozeer over de vraag of we voor een flashy website kunnen zorgen, maar eerder over de vraag dat mensen met opvoedingsvragen ergens terecht moeten kunnen. Wat mij betreft, zijn de Huizen van het Kind het eerste spoor dat moet worden bewandeld. Men kan daar terecht als het nog geen probleem is en het nog niet is geëscaleerd. Het is zeer laagdrempelig. In de beste der werelden zou het in alle gemeenten en steden aanwezig moeten zijn. Daar kan men mensen samenbrengen. Ons Expertisecentrum Opvoedingsondersteuning heeft daarvoor ook materiaal aangeleverd. Ouders die gelijkaardige vragen hebben over opvoeding kunnen daar samenkomen. Men kan daar heel laagdrempelig werken.

Men kan ook bij de brede instap van de integrale jeugdzorg terechtkomen. Die moeten wij equiperen en vormen om de signalen te leren herkennen. We hebben dat voor andere thema’s ook gedaan. Zo hebben we voor grensoverschrijdend gedrag precies dezelfde beweging moeten maken. Als ouders dat verhaal brengen, wat leren en onthouden we dan? Wat moeten we eventueel escaleren? We hebben instanties met referentiepersonen, justitieconsulenten. Zij hebben een mandaat om daarin verder te gaan, ook als er geen medewerking van de betrokkenen is.

En dan ga ik ermee akkoord dat er een plaats moet zijn, laagdrempelig, waar mensen naar kunnen bellen en mailen en chatten. Die zal er komen. U hebt dat gevraagd en dus is het duidelijk: wij moeten dat uitvoeren.

De organisaties die u hebt genoemd, zijn allemaal uitgenodigd wanneer onze mensen zeggen dat ze een concept hebben waarvan ze denken dat het zal beantwoorden aan wat er gevraagd wordt. Het is niet de bedoeling dat we aan de mensen vragen wat ze nodig hebben. Het is de bedoeling dat een concept wordt voorgelegd waarvan wij denken dat het kan werken. We zullen aan hen vragen of het ook aan hun verwachtingen kan beantwoorden.

Men gaat kijken in het buitenland. De indruk dat de mensen van onze administratie er niet mee bezig zijn, is fout. Als ze er niet mee bezig waren, dan waren ze vandaag niet vertrokken naar Düsseldorf. Ik heb echt niet in het weekend tegen mijn mensen gezegd dat ze snel een ticket moesten kopen om vandaag te vertrekken zodat ik dan in het parlement zou kunnen zeggen dat ze weg zijn. Zo gaat dat niet. We zullen proberen om alles ordentelijk te doen, maar als er theologische vragen zijn, dan moeten we weten wat het aanbod ter zake vanwege de Moslimexecutieve zal zijn. Als we willen kunnen terugkoppelen naar een hulpverlening waar mensen terechtkunnen, dan moeten we zeker zijn dat wanneer de ouders er naartoe gaan, het bij iemand is die het verhaal herkent en er iets mee kan doen. We hebben dus nog wat tijd nodig om op het terrein de backoffice voldoende te equiperen, te informeren en te vormen vooraleer we dit op een brede manier kunnen brengen.

En dan nog – dat is mijn aanvoelen, maar ik meen dat u dit zult delen – zal het er vooral op aankomen of we dat aanbod voldoende in de gemeenschappen krijgen, bij die lagen van onze bevolking, bij die mensen die er het meest nuttig gebruik van zouden kunnen maken. Eerlijk gezegd, een telefoonnummer volstaat niet. Het moet beschikbaar zijn, vertaald en communicatief voor de ouders in die gemeenschappen die zich zorgen maken. We zullen dit zo opbouwen. We hebben dus alle verenigingen die zijn genoemd, uitgenodigd om te antwoorden op de vraag of ze iets zijn met wat wij in gedachten hebben. Ik meen dat dit een goede werkwijze is.

Ik wil het ook hebben over de middelen binnen en buiten en in de jeugdhulp. We zullen dit jaar ongeveer 350.000 euro extra inzetten om een aantal dingen te subsidiëren en te financieren. Maar ik deel fundamenteel de mening dat we dit soort maatschappelijke kwesties zo veel mogelijk moeten proberen te integreren in de reguliere methoden en mogelijkheden die er zijn. Dat doet niets af van de vraag naar het vergroten van het aanbod. Helaas is het zeker waar dat we voor tal van uitdagingen in de hulpverlening het aanbod nog moeten laten groeien in de loop der jaren. Als we dit soort vraagstukken telkens opnieuw zouden voorzien van aparte structuren en aparte circuits, dan zou het een beleid worden dat haaks staat op wat we nu al drie, vier jaar propageren: veel meer geïntegreerd, veel minder sectoraal en veel meer multidisciplinair werken. Het unieke, het specifieke van deze uitdaging is dat de relaties tussen Welzijn en Justitie sterk in beeld komen. We hebben inderdaad intersectorale regionale overlegplatfora in de jeugdhulp waar Onderwijs bij zit, waar een aantal partijen bij elkaar zitten. Wij denken dat we dat daar moeten bespreken. We hebben een stuurgroep en een ‘governance’ structuur voor integrale jeugdhulp. We moeten die thema’s daar bespreken. En als het parlement zegt dat het volgende keer graag meer zou horen over wat er daar is besproken, wat de afspraken zijn, de cijfers en de statistieken, dan is dat een kwestie van afspraak. Dat lijkt me op zich geen probleem. Het lijkt me wel wijs om het op die manier te blijven organiseren.

Over het beroepsgeheim wil ik nog zeggen dat in de nota’s, ook in de federale die ik er nog even heb kunnen bijnemen, staat: “De nationale taskforce zal zich eveneens buigen over de problematiek van het gedeeld beroepsgeheim en een voorstel hieromtrent voorleggen.” Men is zich er federaal ook heel goed van bewust dat we daar een kader voor moeten hebben. Ik pleit er alleen voor dat we een kader maken met de nodige nuances. We zullen niet ontsnappen aan het feit dat de individuele hulpverleners, politiemensen en parketmagistraten hun verantwoordelijkheid moeten nemen en beslissingen moeten nemen, maar ik deel de mening dat we moeten trachten om een beter kader te ontwikkelen. Als dat dan lukt of gebeurt naar aanleiding van radicalisering, dan zal dat een meerwaarde hebben, ook voor andere uitdagingen die zich op het snijvlak van de hulpverlening en justitie bevinden. Daar ben ik van overtuigd.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik heb ter aanvulling nog een vijftal puntjes vanuit Onderwijs. Er werd gevraagd waarom in Onderwijs een aanspreekpunt voor deradicalisering nodig is. Mevrouw Emilie Le Roi doet dit. Zij stemt af met het netwerk Tegendiscours. Zij is ook de referentiepersoon bij de netten. U zegt dat er al veel goede dingen bestaan in de scholen. U vraagt wat de bedoeling hiervan is en waarom niemand kan worden aangesteld bij de scholen. Dit is perfect mogelijk, alles blijft ook lopen, maar we hebben nu één persoon binnen onze Vlaamse administratie die niet alleen het e-mailadres beheert, maar die ook de referentiepersoon is voor alle andere initiatieven om te vermijden dat er dubbele sporen zijn.

Er waren ook vragen over de professionaliseringstrajecten. Ik wil nog iets verduidelijken. Ik kan geen opleiding inrichten in Vlaanderen om imam te worden. De opleiding is een zaak van de Moslimexecutieve, die zorgt daarvoor. Wij kunnen professionaliseringstrajecten aanbieden en hopen dat ze gevolgd worden. Ik ben blij dat hier heel positieve geluiden komen over de persoon die we hebben aangeduid om het netwerk Tegendiscours te leiden. We zijn niet over één nacht ijs gegaan. We hebben gekozen voor iemand die heel goed ingebed is in onze maatschappij, die de taal heel goed kent, die heel jong is en heel gedreven om vanuit zijn ervaringen gestalte te geven aan Tegendiscours.

Wat de professionaliseringstrajecten betreft, geef ik u nog iets mee, het baart me ook wat zorgen. Het is een heel goede zaak dat in het Jisr Al Amana-instituut in Hoboken de navorming georganiseerd werd. Met die instelling in Hoboken wordt samengewerkt. We merken daar dat veel studenten die Jisr Al Amana-les volgen, wel komen, maar niet voor het seculiere luik binnen de instellingen hoger onderwijs, terwijl dat natuurlijk net de bedoeling was. Het zijn vooral mensen die interesse hebben in de islamtheologie. Voor het nieuwe traject hebben 27 studenten zich ingeschreven. Op zich is dat een goede zaak. Met de start van het tweede semester zijn er nog 3 bij gekomen, wat het totaal op 30 brengt. Het is een grote groep hoger opgeleiden, ze hebben al een bachelorsdiploma op zak, en een grote groep vrouwelijke studenten. Het programma spreekt erg aan voor wie zich wil verdiepen in de islam, maar dit is niet de groep die een imamcarrière voor ogen heeft. We bereiken dus nog niet echt de groep die we willen hebben. Ik heb er ook een evaluatie van gevraagd om te bekijken of we kunnen bijsturen.

Er waren ook vragen over budgetten. Zeker in Onderwijs is de vraag naar geld een van de meest gehoorde. We besteden meer dan 11 miljard euro aan onderwijs. Dat is een heel goede zaak en dat is in elk geval geen euro te veel. We hebben inderdaad bespaard op een aantal trajecten, maar vergeet het volgende niet. De time-outs zijn nu voor het voltijds onderwijs. De persoonlijke ontwikkelingstrajecten en de voortrajecten zijn enkel voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs. We willen dit allemaal omvormen en in één pot steken. Daardoor kunnen er naadloos flexibele trajecten gevolgd worden, trajecten die niet voorbestemd zijn voor een bepaalde groep, maar afhankelijk van de eigen problematiek als jongere.

De heer Somers zei dat er scholen zijn met een vrij grote concentratie aan jongeren. Dat klopt, maar ik wil er een kanttekening bij maken. Toen een van mijn voorgangers de extra omkaderingsmiddelen voor kinderen met specifieke SES-kenmerken heeft ingevoerd, heeft dat niet alleen geleid tot een verdubbeling van de werkingsbudgetten in sommige scholen maar ook tot een enorme hoeveelheid extra omkadering. Er zijn extra lestijden en extra leerkrachten. Een van de redenen waarom dit is ingevoerd, was omdat men dacht dat er op die manier meer spreiding zou komen doordat meer scholen een beleid kunnen voeren. Toch zien we dat een paar scholen in Vlaanderen kampen met een hoge concentratie aan potentiële probleemjongeren.

Ik ben op bezoek geweest in een school op de Wollemarkt in Mechelen. Daar loopt een interessant project met time-ins. In de school worden leerlingen apart genomen en gedurende een aantal weken wordt met hen samengewerkt omtrent burgerschapszin, het bijsturen van karaktereigenschappen enzovoort. De leerlingen blijven in de schoolomgeving en worden niet ‘verbannen’. Ik heb gepraat met enkele van die jongeren die er erg positief over zijn. We gaan nu na of we op een paar plaatsen in Vlaanderen zo’n verstrekkend traject tijdelijk kunnen aanbieden. Ik ben er persoonlijk geen voorstander van om zomaar te zeggen dat het om zo’n school gaat en dat er permanente omkadering moet zijn. In scholen waar er een groep jongeren zit die potentieel problematisch kan zijn, kan met een dergelijk time-intraject al veel gebeuren. We gaan na of daar middelen voor vrijgemaakt kunnen worden en of er lessen uit te trekken vallen. Ik vind concentratie per definitie geen goede zaak. Als dergelijke jongeren samen zitten, creëer je misschien juist een probleem. Waar er problemen zijn, kan het misschien wel worden aangeboden.

Er waren ook vragen over huisonderwijs. We hebben geen schoolplicht maar leerplicht. Dat betekent dat er onderwijs aan huis kan worden gevolgd. Onze inspecteurs controleren aan huis. Als je tweemaal een negatieve controle krijgt, ontstaat er schoolplicht. Het is van belang om goed te controleren. De administratie kan de rijksregisternummers gebruiken, maar die kunnen niet zomaar worden doorgegeven aan de steden en gemeenten. Ik begrijp de vraag en ik ben bereid om het nog eens te bekijken, maar de gegevens zomaar doorgeven, gaat niet. Het is ook niet zo dat alle jongeren die huisonderwijs volgen, nu per definitie worden bekeken als verdachte jongeren. Dat is geen goede zaak. De inspectie kan controleren en doet dat ook.

Er waren ook vragen over het netwerk Tegendiscours. Dat is in essentie bedoeld om preventief te werken. Het gebeurt niet in de schoot van de Vlaamse Regering, maar via het Centrum Islamonderwijs (CIO). We geven het centrum een subsidie om het vanuit de gemeenschap te laten komen. Ik kreeg een paar weken geleden kritiek dat het niet goed is om dit als overheid te willen aansturen en dat er mensen uit de gemeenschap moeten zijn die het willen doen. We doen het op die manier. We stellen budget ter beschikking, Khalid die is aangeduid, werkt vanuit het centrum en stelt zo een groepje van een twintigtal experten samen. Er zijn ook vrijwilligers omdat we net willen dat er spontaan een netwerkgedachte ontwikkeld wordt. Er moet een beweging ontstaan die vrij spontaan in de gemeenschap gaat werken.

Het is vooral bedoeld om preventief te werken, waarbij naar scholen wordt gegaan en uitleg wordt gegeven. Ik sluit helemaal niet uit dat als bepaalde signalen worden opgemerkt bij jongeren, het netwerk wordt ingeschakeld om ouders te bejegenen. Ik wil niet dat het netwerk Tegendiscours plots de taak van de CLB’s overneemt of ermee in conflict komt. Er moet geïntegreerd worden gewerkt. Dat betekent dat de CLB’s die het eerste aanspreekpunt zijn voor ouders, dat ook kunnen blijven. Het kan perfect – als de omstandigheden het noodzakelijk maken – dat de mensen van het netwerk met de ouders gaan spreken, zelfs bij hen thuis. Dat is niet uitgesloten, maar het netwerk is in essentie preventief bedoeld om de tegenbeweging op gang te krijgen.

Hetzelfde geldt voor het meldpunt. Ook dit is vooral preventief bedoeld. Minister Vandeurzen verwees al naar de rol van de Huizen van het Kind. In het onderwijs moeten ook de CLB’s hun rol kunnen vervullen. We moeten erover waken dat we niet een heleboel sporen naast elkaar krijgen, maar dat er geïntegreerd wordt gewerkt. Ik heb in het voorbije jaar de LOP’s leren kennen. Die leveren op een aantal plaatsen schitterend werk, over de netten en koepels heen.

Er waren ook vragen over burgerschapseducatie. Ik heb aandacht proberen te besteden aan de levensbeschouwelijke dialoog omdat ik er echt van overtuigd ben dat het cruciaal is om via de levensbeschouwingen in het onderwijs de dialoog op gang te trekken. Ik ben het ermee eens dat er ook les over de eigen levensbeschouwing moet worden gegeven, maar de gemeenschappelijke pijlers tussen de levensbeschouwingen moeten worden gezocht. Vanuit de eigen levensbeschouwing moet je ook andere leren kennen. Ik vind het cruciaal dat de engagementsverklaring die is ondertekend tijdens de vorige legislatuur, meer body krijgt. Levensbeschouwingen staan heel erg op hun autonomie en vinden heel snel dat er wordt ingegrepen op wat ze willen doen, maar er is geen andere weg. Het is ook een krachtig wapen om tot meer verdraagzaamheid te komen en om de dialoog op gang te trekken.

Burgerschapseducatie is uiteraard cruciaal, naast wat de levensbeschouwingen doen. Ook in de vakoverschrijdende eindtermen staan kritische zin, mediawijsheid, respect enzovoort. Dat zijn allemaal zaken die dat discours kunnen versterken. Binnen de commissie Onderwijs zijn we nu trouwens een traject gestart om de eindtermen te herzien. Ook daar zal het debat worden gevoerd over wat elementair thuishoort in burgerschapseducatie en burgerschapszin. Als u van mij wilt horen dat de levensbeschouwingen afgeschaft moeten worden en vervangen worden door burgerschapszin, dan zal dat niet gebeuren. Het staat ook niet in het regeerakkoord en ik ben persoonlijk geen believer.

De heer Somers heeft het woord.

Bart Somers (Open Vld)

Minister Vandeurzen, ik wil u danken voor de voortreffelijke uiteenzetting over de problematiek en de weg die u wilt bewandelen voor een oplossing voor het gedeeld beroepsgeheim. Het is een genuanceerd verhaal. Er zijn twee dingen veranderd. De verwevenheid tussen het justitiële-politionele enerzijds en de welzijnssector anderzijds is dusdanig intens geworden dat die mensen veel meer rond de tafel moeten gaan zitten.

Daarnaast is er ook een mentaliteitsverandering aan beide kanten. Toen ik daar vijftien jaar geleden als burgemeester op het lokale niveau over begon, waren dat twee verschillende werelden die heel vijandig tegenover elkaar stonden. De welzijnssector wilde absoluut niets met de politie te maken hebben. Elk contact met de politie verbrandde hun relatie met hun cliënten. Omgekeerd had de politie vaak het eendimensionale idee dat die straathoekwerker, als hij al iets wist, dat toch wel kon komen vertellen. Intussen is de politie veel meer bezig met integraal veiligheidsbeleid, heeft zij meer oog voor het preventieve aspect en ziet zij daar ook het belang van in. Omgekeerd begrijpt de welzijnssector dat de vrijblijvendheid van vijftien jaar geleden vandaag niet meer functioneert. Er is dus een objectieve basis om vooruit te gaan. Ik ben het er wel volledig mee eens dat dat een genuanceerd verhaal moet zijn. We hebben dat kader echt nodig op het terrein. Ik begrijp dat dit niet alleen uw verantwoordelijkheid is, maar dat ook de federale overheid daar een belangrijke verantwoordelijkheid draagt. Ik wil u echter aanmoedigen, en ook vanop mijn plaats zal ik daartoe mijn best doen, om daar stappen in vooruit te zetten.

Minister Crevits, in Mechelen zijn er ongeveer vijftig kinderen die thuisonderwijs volgen. Ongeveer de helft daarvan komt uit salafistische milieus. Maar het is niet omdat men in een salafistisch milieu is grootgebracht, dat men een probleem is. Het is niet omdat men in een salafistisch milieu thuisonderwijs krijgt, dat dat problematisch is. Ik ben er echter wel van overtuigd dat het noodzakelijk is dat mijn politiekorps die namen heeft en even kan checken of er al dan niet een probleem is. Dat zouden we gedaan moeten krijgen. Ik weet dat men daarbij botst op een probleem van privacy, maar eigenlijk zouden zulke elementaire gegevens moeten kunnen worden doorgegeven aan het lokale bestuur. Daarmee criminaliseren we al die mensen niet, niet al die mensen zijn een probleem. Ik ben daar heel genuanceerd over. Er is controle, maar de diensten worden veel bevraagd. Als er eenmaal een positieve controle is, dan is de kans klein dat men nog eens terugkomt.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister Vandeurzen, wat de betrokkenheid van de ouders betreft bij de ontwikkeling van het beleid, ben ik het ermee eens dat het niet de bedoeling is om u ten aanzien van die ouders van die plicht te kwijten door hen te verwijzen naar een website. Bij het ontwikkelen van de concepten is het van belang dat de organisaties van ouders – hulpgroepen met vrijwilligers die hun tijd en energie stoppen in het helpen van anderen – van meet af aan worden betrokken bij het ontwikkelen van het traject. Als men dat nu in december gaat doen, is dat een zeer pijnlijk signaal ten aanzien van die ouders, te meer omdat men hen in de resolutie zo sterk op het voorplan had gezet.

U moet mijn oproep niet lezen als een oproep om snel een website te ontwikkelen, maar wel om contact te leggen met die organisaties. Zij hebben heel goede informatie, zij kennen het terrein heel goed en ze zijn cruciaal zowel wat preventie als detectie betreft.

Minister Crevits, wat het mailadres betreft, wordt in het actieplan heel expliciet gezegd dat dit een mailadres is voor CLB’s, scholen en ouders. In de rapportage werden de ouders echter niet meer vermeld.

Wanneer het gaat over de counter narratives, kan het niet de bedoeling zijn dat het netwerk van de heer Khalid Benhaddou alle problemen van die ouders oplost. Die ouders zijn een deel van de oplossing. Zij kunnen getuigenissen brengen in de scholen en tegenverhalen ontwikkelen.

Er moet ook worden nagegaan hoe het beleid omgaat met die ouderbetrokkenheid. In dat netwerk moeten ook ouders een rol te spelen hebben. Ik heb wel vertrouwen in het persoonlijke netwerk van Khalid Benhaddou, maar ik denk dat we structureler moeten omgaan met die ouderbetrokkenheid.

In het debat van vandaag komen twee thema’s voortdurend terug: tijd en geld. Toen ik als voorzitter begon met deze commissie, hadden ik en iedereen die hier aanwezig is, de bedoeling om die resolutie heel snel op papier te krijgen. De nood was dan ook hoog. Ik denk dat het parlement zich een beetje heeft verslikt in die timing. Als de regering die resolutie moet uitvoeren, is het normaal dat zij daarvoor de tijd neemt. Wij hebben vandaag nog niet de volledige uitrol van het beleid kunnen zien. Ik had voor een aantal concrete zaken graag een concrete timing gehoord, maar die heb ik niet gekregen.

Mevrouw Kherbache, volgens u zeggen een aantal experts dat ze voor het eerst een gecoördineerd beleid zien, en dat klopt ook, maar daarbij zou geld het sluitstuk zijn, het tweede thema dat vandaag naar voren is gekomen. Ik ben het er persoonlijk niet mee eens dat geld het sluitstuk is van dit beleid. Minister Homans heeft ook zelf gezegd dat niet alles binnen dit thema draait rond geld. Het gaat ook vaak over de verschuiving van prioriteiten, dat hebben we ook vandaag gezien.

Er is geld nodig, maar het is voor mij niet de mirakeloplossing. Er is ook tijd nodig. Ik heb goede hoop dat we in april van volgend jaar, tijdens de tweede bijeenkomst van deze opvolgingscommissie, een mooi beeld zullen krijgen van die gecoördineerde aanpak van de regering. Ik dank iedereen voor de zeer constructieve samenwerking van vandaag.

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Wat de timing betreft, heb ik vandaag heel veel data en concrete afspraken gehoord over zaken die al zijn gebeurd en over zaken die de komende weken en maanden nog moeten gebeuren. Er zijn heel veel concrete engagementen. Ik vind dan ook niet dat er een probleem is inzake timing. Ik herken me dan ook niet in deze conclusie.

De gedachtewisseling en de vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.