U bent hier

De heer Poschet heeft het woord.

De heer Joris Poschet (CD&V)

Minister, eind juli van dit jaar keurde de Vlaamse Regering de ‘Bisnota – het Vlaams gemeenschapsbeleid in Brussel’ goed. De nota schetst een kader voor de uitoefening van onze gemeenschapsbevoegdheden in onze hoofdstad, alsook een werkmethode en een instrument voor beleidsopvolging, waar het wel eens aan ontbreekt.

Een van de topics waarop gefocust wordt, is de samenwerking tussen de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de negentien Brusselse gemeenten. Die negentien gemeenten spelen vandaag nog steeds een belangrijke rol in het dagelijkse beleid. Momenteel zetelen in die negentien gemeenten een bijna historisch aantal Nederlandstalige schepenen en OCMW-voorzitters. Vanuit Vlaanderen zou dat als een opportuniteit kunnen worden aangegrepen om het Vlaamse gemeenschapsbeleid ook op lokaal niveau te helpen versterken.

U voorziet in een “aparte strategische doelstelling (…) waarbij de VGC een partnerschap met de lokale Brusselse besturen in het algemeen en de Vlaamse schepenen, gemeentemandatarissen en OCMW-raadsleden in het bijzonder uitbouwt”. U wilt een meerjarenplanning uitwerken met de VGC voor de jaren 2018-2020. Wordt de strategische doelstelling van samenwerking met de gemeenten daaraan gekoppeld? Of begint die samenwerking al vroeger, in 2016 of 2017? Hoeveel tijd krijgt het VGC-College voor de uitwerking daarvan?

De toepassing van sectorale decreten op gemeenteniveau blijft een uitdaging in de Brusselse gemeenten. Gemeenteadministraties zijn vaak niet op de hoogte van de bestaande Vlaamse sectorale subsidies, waardoor ze naast middelen grijpen waarop ze vaak wel aanspraak kunnen maken. We hebben daar al enkele keren over gesproken, ook met minister Homans en minister Muyters. De eerste verantwoordelijkheid blijft uiteraard bij de gemeentelijke administratie liggen. Zij moeten de eerste stap zetten en moeten de gevoeligheid hebben om in te tekenen op het aanbod vanuit de Vlaamse Gemeenschap. Maar vanuit ons gekende pragmatisme denken we dat de VGC allicht ook de samenwerking met de gemeenten kan gebruiken om een versnelling hoger te schakelen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan subsidies inzake sport of gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking. Op dat laatste doen maar twee gemeenten een beroep, Brussel en Sint-Joost-ten-Node. De zeventien anderen missen daar toch een slok geld waarmee ze beleid zouden kunnen voeren. Wat is uw visie daarop?

Ik sprak al over de versterkte aanwezigheid van lokale Nederlandstalige mandatarissen als opportuniteit. Daarbij valt op dat we voor het eerst drie Nederlandstalige OCMW-voorzitters hebben, in Ganshoren, Jette en Ukkel. Dat hebt u niet vermeld in uw Bisnota. Ik vermoed dat dat een vergetelheid is. Hoe gaat u daar gebruik van maken om ook hier het Vlaamse gemeenschapsbeleid te implementeren?

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, ik ben altijd tevreden als in deze commissie initiatieven worden genomen die betrekking hebben op de band tussen Vlaanderen en zijn hoofdstad. Als Brusselse Vlaming ga ik er altijd van uit dat het Vlaamse beleid in de hoofdstad gevoerd wordt via drie kanalen. Ten eerste: rechtstreeks via de Vlaamse Gemeenschap, het beleid dat u rechtstreeks kunt voeren in Brussel. Ten tweede: via ons lokaal bestuur in Brussel, de Vlaamse Gemeenschapscommissie. En ten derde: via de gemeenten zelf, meer bepaald via de Vlaamse schepenen en OCMW-voorzitters.

Laat nu net het voorbeeld met betrekking tot sport dat de heer Poschet aanhaalde, een probleem vormen bij onder meer die derde categorie. In maart van dit jaar ontving ik een antwoord op enkele schriftelijke vragen, waaruit onder meer bleek dat slechts enkele van de negentien gemeenten een dossier bij de Vlaamse overheid indienden voor sportsubsidies. Hetzelfde gold voor ontwikkelingssamenwerking en voor de noord-zuidverhouding, en ook voor andere sectorale decreten en subsidieaanvragen bleek dat er bijzonder weinig interesse was van de Brusselse gemeenten voor het aanbod dat Vlaanderen deed.

Als er dan een gebrek is aan een lokaal sportbeleid, durf ik alvast te zeggen dat dat niet aan Vlaanderen ligt. Collega Poschet heeft er al op gewezen dat de verantwoordelijkheid onder meer bij de negentien gemeenten ligt. Er is onder meer de website van de Vlaamse overheid, die een duidelijke oplijsting maakt van alle subsidies die Brusselse gemeenten kunnen aanvragen: brussel.vlaanderen.be/subsidiegids, zeker een bezoekje waard.

Tegelijk is er niet alleen het aanbod via de website van de Vlaamse overheid, er is ook nog het aanbod of de kennisgeving via de website van de vereniging van de stad en de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die onder meer een subsidiedatabank vermeldt. Je kunt een paard naar het water leiden, maar je kunt het niet doen drinken. De negentien gemeenten moeten zelf ook hun verantwoordelijkheid nemen en vooral ook zelf die verantwoordelijkheid willen nemen. Iedereen kan er maar beter van worden: Brusselse Vlamingen, maar ook Franstaligen en de gemeenten.

Uiteraard kent u onze visie op de negentien gemeenten. Er zou ook wel wat meer orde op zaken mogen worden gesteld ten aanzien van de negentien gemeenten. De Brusselaars kunnen er alleen maar beter van worden, aangezien ze nu het bos door de bomen niet meer zien.

Ik hoop dat er vanuit Vlaanderen en de VGC intensief wordt gecommuniceerd naar onze Vlaamse lokale mandatarissen. Zo zijn ze op de hoogte van het aanbod dat Vlaanderen biedt in Brussel en wordt daar ook meer en beter op ingespeeld. Vlaanderen bewijst zijn meerwaarde in Brussel dag na dag, maar het is aan de lokale besturen om hier optimaal gebruik van te maken.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Het is goed dat er zo’n nota is. Het overleg met de negentien gemeenten zal zinvol zijn. Deze week hebben we de soap rond de Unescoschool in Koekelberg en Sint-Agatha-Berchem kunnen volgen. De gemeente Sint-Agatha-Berchem verzet zich tegen de tijdelijke huisvesting van een school die moet worden gerenoveerd. Het gewest moet dan praten met de gemeente. Dan is het heel jammer dat de juiste structuren niet bestaan om dergelijke conflicten proactief op te vangen en te vermijden. Er zijn nog vele voorbeelden waarbij een rechtstreekse communicatie tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten nodig en zinvol is.

Ik wil ook af van de karikatuur dat het altijd de schuld van de gemeente is. Als geen enkele gemeente subsidies aanvraagt, moeten we ons afvragen of die subsidies toegankelijk zijn, of er voldoende is gecommuniceerd. Er is altijd een zelfreflectie nodig over waarom bepaalde subsidies wel of niet worden aangevraagd. Het is niet altijd de weerzin van de Vlaamse overheid. Soms zijn er structurele problemen en sommige Vlaamse decreten zijn niet toepasbaar in Brussel, waardoor er kansen worden gemist. Het is een mes dat aan twee kanten snijdt. De Vlaamse overheid moet aan zelfreflectie doen, maar moet ook zorgen dat de weerstand wordt weggewerkt.

U als minister hebt daar veel troeven voor. U bent iemand die met heel veel burgemeesters door een deur kunt gaan, en u staat bekend als een bruggenbouwer. Die capaciteit moet worden benut om van Brussel een betere stad te maken.

Voor de zomer hebben we een korte discussie gehad over de Brusselnorm. Ik ben blij dat de nota de twee facetten van de Brusselnorm erkent. Enerzijds is er de 5 procentnorm, die 5 procent van het voorbehouden budget voor Brussel plant, anderzijds nemen we 30 procent van de bevolking als doelstelling. In de nota staat dat daar een spanning op zit en dat je met die 5 procent die 30 procent niet meer kunt bedienen. Er is een enorme bevolkingstoename in Brussel. Als we voldoende scholen, crèches, sportinfrastructuur en naschoolse activiteiten willen, dan moeten we durven praten over die Brusselnorm en onze positie herbekijken. Dan is het te gemakkelijk om te zeggen dat we de Brusselnorm halen en doen wat we moeten doen omdat 5 procent van het budget naar Brussel gaat. Dat is onze verantwoordelijkheid ontlopen. Ik ben blij dat in de nota staat dat dit wordt herbekeken.

Iets herbekijken kan twee kanten opgaan. We kennen de positie van de N-VA: 5 procent is genoeg, we zijn al flink. De norm mag niet naar beneden worden gehaald. Minister, wat is uw mening hierover? Wat is het belang van die 30 procent? Ik denk dat we die moeten behouden. Dat is onze verantwoordelijkheid in Brussel. Enkel de Vlaamse en de Franse Gemeenschap mogen scholen en crèches bouwen. Laten we dat dan ook doen, en dus is die 30 procent als doelstelling een eerlijke en redelijke manier. Het is een enorme kans voor Brussel omdat het zo het Nederlands in Brussel versterkt. De wachtlijsten aan de scholen kun je als een bedreiging zien, maar ook als een kans. Kinderen die in het Nederlands willen worden geschoold, zullen de positie van het Nederlands versterken. Dit momentum moeten we vastgrijpen. Het is geen situatie om schrik voor te hebben.

Minister, gaan we de 30 procentnorm behouden? Betekent dit dat we de 5 procentnorm herbekijken? Wordt de 30 procent gelost en gaan we tevreden zijn met de 5 procent?

Minister, een tijd geleden heb ik u gevraagd hoe het zit met de Brusselnorm. U zei dat u aan het rekenen was en dat u het nog niet wist. De 5 procentnorm kun je berekenen, maar met de 30 procentnorm waren de administraties nog bezig. Het is jammer dat daar zoveel studies aan te pas moeten komen. Er zou een zeker automatisme in moeten zitten zodat we continu kunnen opvolgen wat de stand van zaken is voor het halen van de Brusselnorm in de beide definities. De taskforce wordt definitief verankerd, en dat is een goede zaak. Zit daar ook een methodiek in om die Brusselnorm goed op te volgen en vast te houden?

Minister, u wilt de structuren herbekijken in het belang van Brussel. Dat is een goede zaak. Misschien is het vreemd dat het Brusselfonds wordt beheerd door de Vlaamse overheid. Misschien zou het beter zijn om dat beheer aan de VGC te geven zodat er een coherent beleid kan zijn, zodat het één pakket is en er minder versnippering is in de instrumenten van de Vlaamse overheid in Brussel. Liggen dergelijke oefeningen in het vizier?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Inderdaad, op 17 juli keurde Vlaamse Regering op mijn initiatief de nota ‘Het Vlaams gemeenschapsbeleid in Brussel’ goed. De nota is in het verlengde van de werkzaamheden van de taskforce in de vorige Vlaamse Regering tot stand gekomen. Bij de opmaak van de nota heb ik me niet alleen laten inspireren door uiteraard het Vlaams regeerakkoord, ook het bestuursakkoord van de Vlaamse Gemeenschapscommissie werd goed gelezen. Ook de beleidsbrief Brussel van mezelf en de inspiratie naar aanleiding van de bespreking ervan en de formele vraag van de VGC met betrekking tot het inpassen van de sectordecreten in de VGC-dotatie zijn allemaal dingen die mee opgenomen zijn om tot de nota te komen.

Meer specifiek met betrekking tot de thematiek van de vraag van de heer Poschet heb ik me ook laten inspireren door de visies en standpunten die werden ingenomen bij het debat over de brugfunctie van de VGC naar de Brusselse gemeenten in de RVG-commissie (Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie) Algemene Zaken, Financiën, Begroting en Media van 17 maart laatstleden. Voor ik inga op de vragen, wil ik vermelden dat mijn antwoorden in zekere zin nog een voorwaardelijk karakter hebben. Wat bedoel ik daarmee? De nota is goedgekeurd door de Vlaamse Regering, ze is het standpunt van de Vlaamse Regering en wordt nu voorgelegd en besproken met het VGC-College. U weet dat ik dat college als een volwaardige gesprekspartner beschouw. Ik deed een voorzet vanuit de Vlaamse Regering en samen met het college ga ik nu bekijken waar we consensus kunnen hebben en waar we bepaalde bijsturingen zouden moeten doen. De eerste stap hebben we zelf gezet. Ik ga ervan uit dat de goede wil bij de andere kant voldoende bestaat.

De timing is louter toeval, maar morgen vergadert het VGC-College. Uiteraard hebben de collegeleden de nota al lang ontvangen en zijn er voorafgaande contacten met hen geweest. Morgen wil ik zelf een punt op de agenda van het VGC-College zetten – dat gebeurt niet zo vaak – om al eens breder over de nota van gedachten te wisselen en te zien hoe we daar het best mee kunnen vooruitgaan. Op die manier zetten we een stap vooruit in een niet-evident dossier dat al een tijdje aansleept. Met niet-evident bedoel ik dat we tegelijkertijd moeten zorgen dat we strategische doelstellingen formuleren die een tijdje de baan kunnen houden, en tegelijkertijd moeten we ons niet laten vastlopen in alleen maar taskforces en strategische doelstellingen, want ook de dagelijkse dossiers moeten worden opgelost. We moeten daar een goed evenwicht in vinden. Het zijn ook een aantal zaken die in de vraagstelling van mevrouw Van den Brandt terugkomen, en waar ik op het einde van mijn antwoord misschien nog enkele beschouwingen aan zal wijden.

Bij wijze van inleiding dus: ik probeer hier in alle transparantie de antwoorden te geven, maar er moet nog overleg gebeuren.

Concreet wordt er met de vraag verwezen naar hoofdstuk 3 van bovenvermelde nota, namelijk het kader voor de invulling van het Vlaams gemeenschapsbeleid. In dit hoofdstuk is onder punt e – “De VGC gaat een partnerschap aan met de Brusselse gemeenten in het algemeen en de Vlaams-Brusselse schepenen in het bijzonder” – sprake van een aparte strategische doelstelling in het meerjarenplan voor 2018-2020. Ik kan dus zeker bevestigen dat deze aparte doelstelling gekoppeld wordt aan de meerjarenplanning. De motivatie voor de doelstelling is het feit dat de lokale Vlaamse mandatarissen sinds de laatste lokale verkiezingen in een steeds groter aantal aanwezig zijn. Dit is een belangrijk feit voor de aanwezigheid van de Nederlandstalige factor in de brede Brusselse politiek en dat is vanuit mijn politieke overtuiging, en ik neem aan ook de uwe, ook een troef voor heel Brussel. Het beleid van de Vlaamse Gemeenschap en de VGC moet hier positief op trachten in te spelen en moet als ambitie hebben deze trends te bestendigen.

De tijd voor de uitwerking spoort met de timing voor de voorbereiding van het hele strategisch meerjarenplan. Dit wil zeggen dat de voorbereidingstijd op korte termijn loopt tot het einde van dit jaar. Dan hebben we nog 2016 om een en ander verder te implementeren.

De nota mag niet fout begrepen worden. Het opzet ervan is het beleid van de VGC en de Vlaamse Gemeenschap beter op elkaar af te stemmen. In die zin is het goed dat er een strategische doelstelling rond de samenwerking met de lokale besturen meegenomen wordt, wat in de eerste plaats een opdracht is voor de VGC. Dat wil niet zeggen dat er voordien geen beleid is van de VGC richting Brusselse lokale besturen. Sommigen onder u hebben het aangehaald: er zijn zeker nog blinde vlekken. Dat is een van de zaken waar wellicht nog de meeste vooruitgang mogelijk is. We kunnen bijvoorbeeld in positieve zin wel denken aan de samenwerking met de lokale Nederlandstalige cultuurverantwoordelijken waarvan ik weet dat er regelmatig overleg bestaat met de VGC. In cultuur en onderwijs is dat automatisme al vrij groot. We zouden dat nu naar andere beleidsdomeinen moeten kunnen verleggen.

Ik deel dus de globale visie van de heer Poschet. De bezorgdheid om het Vlaamse aanbod beter bekend te maken bij de lokale Brusselse besturen is trouwens al aan bod gekomen in deze commissie. De VGC staat dicht bij deze lokale besturen en kan hier een positieve rol in spelen. We zullen dus het debat hierover meenemen.

Ik ga nu enkele meer politieke vragen beantwoorden. U vraagt of ik de OCMW-voorzitters vergeten ben. Neen, maar misschien moet ik ze in het vervolg duidelijker vernoemen. Maar u weet ook dat de Brusselwet in het algemeen de schepenen en OCMW-voorzitters politiek op één lijn stelt. Wie ben ik om dat dan ook niet te doen? Het gaat wel degelijk over de schepenen én de OCMW-voorzitters. Ik vind uw vraag terecht. Zeker in het kader van het welzijns- en gezondheidsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap mag afstemming met deze bijzondere groep van mandatarissen niet uit het oog verloren worden.

Ik wil nu proberen om nog kort in te gaan op een aantal vragen van mevrouw Van den Brandt. De hele scherpstelling van de 5 en de 10 procentnorm zal ons nog wel wat kopzorgen bezorgen. De normen zijn immers niet op elk vlak even gemakkelijk vast te stellen. Concreet: ik heb nu niet het juiste cijfer bij over of we de 5 procent halen binnen onderwijs, maar ik ga er eerder van uit dat dat wel het geval is. Daar kunnen we eigenlijk vrij gemakkelijk vaststellen dat we afhankelijk van het hoger onderwijs of de lagere school of dergelijke meer, toch de 30 procentnorm benaderen of daar in elk geval jaar na jaar dichter naartoe gaan. In het hoger onderwijs zitten we erop. In het lager onderwijs groeien we er naartoe.

In cultuur bijvoorbeeld halen we niet de 5 procentnorm maar wel de 10 procentnorm, wat natuurlijk zeer goed is. Als minister van Cultuur, en ook als Brusselaar, kan ik daar alleen maar blij mee zijn. Maar daar kan ik niet zomaar zeggen of we de 30 procentnorm halen, of we, met andere woorden, 30 procent van de Brusselaars met ons cultureel aanbod bereiken, omdat dit contact op een andere manier wordt gemeten.

Wat we natuurlijk wel kunnen zeggen op het vlak van welzijn, is dat we èn onder de 5 procentnorm zitten of met de grootst mogelijke moeite in die buurt komen èn de 30 procentnorm niet halen. Daar moeten we nog even geduld hebben want de plannen, onder meer met het woonzorgkenniscentrum, worden verder voorbereid en ik denk dat we vanaf 2017 met het Vlaams Brusselfonds en met de middelen van collega Vandeurzen daarin wel opnieuw bijkomende stappen kunnen zetten. Ik denk vanuit dat oogpunt, puur politiek, dat alle vragen op tafel zullen komen. Met andere woorden, de VGC heeft gevraagd waarom de Vlaamse Regering, die veel vertrouwen geeft aan de gemeenten, haar niet evenveel vertrouwen geeft. Ik heb trouwens een vraag in die zin gekregen van de heer Smet, terwijl het standpunt van de sp.a-fractie in het Vlaams Parlement daarover lichtjes anders is. Ik ben bereid die vraag te onderzoeken en we zullen bekijken hoe we dat in die meerjarenplanning kunnen doen. Ik zeg dus niet ja of niet neen, de vraag moet duidelijker worden gesteld. Uw vraag bijvoorbeeld om het Vlaams Brusselfonds daarin mee op te nemen, wil ik zeker bekijken.

Op korte termijn denk ik echter dat het zinvoller is om naast de samenwerking tussen – in dit geval – mevrouw De Baets en de heer Vandeurzen, met het Vlaams Brusselfonds ook minstens tijdens deze legislatuur een aantal middelen voor welzijn te bestemmen, want ik kan me niet uitspreken over wat daarna gebeurt met het Vlaams Brusselfonds. Er zullen dus allerlei vragen komen. Wij willen een bepaalde aansturingscapaciteit hebben en behouden, wat een aandachtspunt is van de heer Vanlouwe. De VGC kent het terrein zeer goed en we moeten daar niet alleen een goed politiek evenwicht in vinden, maar ook een goed operationeel evenwicht. Dat vraagt inderdaad wat meer tijd, en ik begrijp dat sommigen ongeduldig zijn, maar we zetten maand na maand duidelijke stappen vooruit. Ik ben ervan overtuigd dat ik tegen het einde van het jaar veel significantere zaken kan zeggen, wanneer ook, zoals ik u voor de zomer had beloofd, de taskforce daar ondertussen bij betrokken is en die vragen oplost.

Het gaat hier dus om een zeer breed debat, waarbij alles aan alles gekoppeld is, en dat wordt nu allemaal op tafel gelegd, maar wel binnen een werkbaar stramien dat we met de Vlaamse Regering op 17 juli hebben uitgewerkt en dat we nu voorleggen.

De heer Poschet heeft het woord.

De heer Joris Poschet (CD&V)

De beperkte vraag die ik had gesteld, is bijzonder wijd uitgewaaierd. Ik stel vast dat de collega’s vol energie teruggekomen zijn. Over de Brusselnorm is in de zomer ook gecommuniceerd. Het is altijd gevaarlijk om daar lineair mee om te gaan en geen rekening te houden met een stedelijke functie, waardoor sowieso cultuur en hoger onderwijs bijvoorbeeld, of armoede, hoger scoren. Het is ook gevaarlijk om de historische achterstand of de geschiedenis te vergeten, waar blijkt dat onderwijs al veel langer geïnstitutionaliseerd is dan bijvoorbeeld kinderopvang. Onderwijs vertrok van een ruime basis van instellingen georganiseerd vanuit de privésector, vanuit congregaties, enzovoort, terwijl dat voor bijvoorbeeld kinderopvang helemaal niet het geval is. Daar zijn dus wel verklaringen voor. Is het dan nodig om te zeggen dat we daarom onze ambitie laten varen en dat we niet meer moeten kijken naar 30 procent van de Brusselaars als doelpubliek? Neen, dat is absoluut niet wat ik wel zeggen. Ik pleit gewoon voor enige nuance in het debat.

Wat de OCMW’s betreft, zou ik u willen vragen om er bij uw collega’s in de Vlaamse regering op aan te dringen om contact te nemen. Ik heb een schriftelijke vraag gesteld aan uw collega Homans, om te vragen of ze contact heeft gehad met de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in het kader van het toezicht op de OCMW’s en de samenwerking rond armoedebestrijding. Het antwoord daarop was laconiek neen. Ik betreur dat en ik zal haar daarover nog een vraag stellen. Maar misschien kunt u zelf ook iets doen op dat vlak.

Wat de meerjarenplanning 2018-2020 betreft, zou ik willen weten of dat echt niet vroeger kan, dan wel of we aan die datum vastzitten. Ik vind dat nogal lang, want dan hebben we nog een gedeelte van dit jaar en de jaren 2016 en 2017 als voorbereiding.

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Ik stel vast dat het debat inderdaad wat uitgewaaierd is naar het hele debat over de Brusselnorm, wat natuurlijk heel interessant is. Ik hoop dat we dat hele debat over de Brusselnorm binnenkort of misschien over enkele weken of maanden kunnen overdoen.

Omdat het toch werd aangehaald, vind ik het interessant om die cijfers even erbij te halen. U hebt inderdaad verwezen naar andere beleidsdomeinen. Voor onderwijs halen we inderdaad de Brusselnorm van 5 procent, het is namelijk 5,4 procent. Heel opvallend ook, en ik benadruk dat ook onder meer op het beleidsdomein integratie en inburgering, is dat we maar liefst meer dan 10 procent halen.

We kennen de hele discussie die hier op dit ogenblik gevoerd wordt over de verplichte en de vrijwillige inburgering die in Brussel bestaat. Ik ben tevreden dat de Franse Gemeenschap nu eindelijk inziet dat het goed is om te spreken over een verplichte inburgering. Dat werd daar ook opgenomen in het regeerakkoord van de Franse Gemeenschapscommissie. Ik hoop dat daar ook spoedig werk van wordt gemaakt, maar het toont eigenlijk aan dat Vlaanderen zijn verantwoordelijkheid al veertien jaar genomen heeft met betrekking tot dat verplichte inburgeringsbeleid, uiteraard in het Vlaamse Gewest, en tegelijkertijd ook in Brussel een aanbod heeft gedaan. De andere cijfers zal ik niet allemaal herhalen, maar met betrekking tot welzijn zitten we al enkele jaren aanzienlijk onder de 5 procent. Ik hoop dat u inderdaad afspraken kunt maken met uw collega Jo Vandeurzen, om daar een inhaalbeweging te doen. Op de andere beleidsdomeinen zal ik niet terugkomen, de hele discussie met betrekking tot de Vlaams-Brusselse Media is ons wel bekend. Ik denk dat er een goed aanbod is, daarover hebben we in het verleden al gediscussieerd en dat zal waarschijnlijk binnenkort nog wel terugkomen.

Wat ons betreft, is het alvast absoluut noodzakelijk dat we als Vlaamse Gemeenschap een aanbod doen in Brussel, maar tegelijkertijd dat we ook zichtbaar zijn in Brussel. Brussel is ook onze hoofdstad, Vlaanderen doet daar inspanningen voor. Dan mag ook wel blijken dat Vlaanderen dat aanbod doet en zichtbaar en tastbaar aanwezig is in onze stad.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Men werkt op basis van de nota aan de Vlaamse Regering. Dat is een boeiende nota, waar veel in staat. Daaruit kunnen allicht nog honderd vragen worden gepuurd. Voor Groen is de Brusselnorm wezenlijk, precies omdat het over de rol van Vlaanderen in Brussel gaat. Het is erg gevaarlijk en ook zonde om die los te laten. Men kan de Brusselaars niet in twee hokjes steken: Franstaligen en Nederlandstaligen. Dat is de realiteit niet. Vlaanderen neemt zijn verantwoordelijkheid en neemt voor 30 procent van de Brusselaars zijn rol op. Dat is een mooie visie die ook in het regeerakkoord staat. Het zou zonde zijn om dat op te geven. We mogen onze verantwoordelijkheid in onze hoofdstad niet ontlopen. Later zullen we daar nog op terugkomen.

Ik heb nog een vraagje. Worden de cijfers in verband met de Brusselnorm gemonitord? Als ik daarover een schriftelijke vraag stel, mag ik dan een antwoord verwachten? Of wordt daarover nog steeds onderzoek verricht?

Minister Sven Gatz

Wat betreft de vraag over het contact met minister Homans en het Onderwijscentrum Brussel bekijken we steeds of de contacten vlot verlopen. Als dat niet het geval is, vervullen we een faciliterende rol. We zullen dus nagaan of een en ander kan en moet worden verbeterd. Voorts begrijp ik uw ongeduld – al is het niet echt een ongeduld, want de periode 2018-2020 ligt nog ver van ons. Men moet het in fases zien. Het is de bedoeling om tegen het jaareinde al een eind te zijn gevorderd. We bouwen een meerjarenplan op. Het is niet zo dat we ons anderhalf jaar zullen beperken tot voorbereiding. Ik hoop u dus gestaag de vooruitgang en operationalisering te kunnen meedelen. Op het eind van mijn vorig antwoord zei ik het al: het is niet omdat we nu naar een langetermijnstrategie kijken dat we geen kortetermijninitiatieven nemen. Op een bepaald moment zullen beide elkaar raken.

De heer Vanlouwe vermeldde cijfers. We kennen die. Over welzijn in het bijzonder wil ik twee zaken zeggen. Ik hoop de komende jaren dichter bij de realisatie van de norm te komen dankzij extra investeringen. Ik verwijs dan naar het Vlaams Brusselfonds en de ruimte die minister Vandeurzen in de tweede helft van de legislatuur hopelijk zal krijgen. Dit sluit aan bij de vragen betreffende de Vlaamse sociale bescherming in Brussel die ik straks nog zal proberen te beantwoorden. Het is een zeer breed debat.

Mevrouw Van den Brandt, ik moet helaas zeggen dat de cijfers zijn wat ze zijn. We zullen zo snel mogelijk de taskforce aan het werk zetten, zodat er geactualiseerde cijfers komen. Het wordt eerder een zaak van maanden dan van jaren.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.