U bent hier

De heer Kennes heeft het woord.

De heer Ward Kennes (CD&V)

Collega’s, we hebben in het parlement al een goede en uitgebreide gedachtewisseling gehad over de vluchtelingencrisis, waar ook de verschillende ministers van de Vlaamse Regering inzage hebben gegeven in hun plannen in al hun bevoegdheidsdomeinen. Daaruit bleek dat men er vooral voor kiest om de bestaande instrumenten goed te laten werken en ervoor te zorgen dat de capaciteit verhoogd wordt waar nodig. Er zijn toen al heel wat antwoorden gekomen op onze vragen. Ik heb toen ook mijn vraag om uitleg, die veel algemener was, ingetrokken omdat we al een goed antwoord hadden gekregen.

Minister, u hebt aangegeven dat het Agentschap Inburgering en Integratie de situatie sinds enkele maanden van nabij opvolgt en dat volgens de huidige prognoses ongeveer 21.000 extra mensen een verplicht inburgeringstraject zullen moeten volgen. Dat is niet van de eerste dag aan de orde, daar zit een zekere fasering in. De verwachting was dat die grote toename zich vooral rond het einde van dit jaar, begin volgend jaar zou laten voelen. De impact zal in de praktijk dus over enkele maanden voelbaar worden, als de vluchtelingen de procedure doorlopen hebben en desgevallend een erkenning gekregen hebben.

Minister, u benadrukte tijdens de gedachtewisseling ook dat de huidige structuren goed functioneren en dat het probleem waar we voor staan dus vooral een capaciteitsprobleem is. Waar nodig zullen er extra lesuren en extra leerkrachten komen, en her en der is ook bijkomende infrastructuur nodig. Om de capaciteit snel te kunnen uitbreiden, wil u onder meer private actoren inzetten. U wees er ook op dat het voor een goede integratie van belang is dat er een gericht inburgeringstraject wordt aangeboden, wat aansluit bij het beleid dat vandaag reeds wordt gevoerd om in een inburgeringstraject op maat te voorzien.

Een van de algemene knelpunten vandaag is dat de lessen vooral worden aangeboden tijdens de schooluren, zodat het voor mensen die werken, niet evident is om die te volgen. Mogelijk is het profiel van de groep vluchtelingen die de komende maanden een erkenning zullen krijgen, ook enigszins verschillend van de gemiddelde inburgeraar zoals we die de voorbije jaren de trajecten hebben zien afleggen. Het gaat om een grote groep oorlogsvluchtelingen, van wie er vele traumatische ervaringen achter de rug hebben. Dat heeft zonder twijfel ook psychologische consequenties en vergt in een aantal situaties ook een aangepaste pedagogische aanpak. We kunnen ook veronderstellen dat er meer hooggeschoolden in deze groep zitten, wat bijvoorbeeld kortere en meer intensieve cursussen mogelijk zou maken.

Er is al herhaaldelijk op gewezen dat er zeker vanuit Syrië heel wat mensen zijn die asiel aanvragen die hoger opgeleid zijn, terwijl mensen die via de Middellandse Zee uit Afrika komen, die hoge opleiding vaak niet hebben. Ook een deel van de mensen die uit Zuidoost-Europa komen, heeft niet altijd die hogere opleiding genoten. Zonder een uitspraak te doen over de ene of de andere categorie, zijn dat verschillen waar we rekening mee moeten houden.

Tijdens de gedachtewisseling lanceerde ik de vraag naar een coördinatiepunt waar lokale besturen met hun vragen terechtkunnen die te maken hebben met opvang, huisvesting, integratie, taalcursussen enzovoort voor deze nieuwkomers. We hebben in verschillende dossiers al dergelijke coördinatiepunten. Er is er een rond de Midden- en Oost-Europese migranten. Ook met betrekking tot de Roma is er een centraal punt waar gemeenten met hun vragen terecht kunnen. Mijn vraag is of dat in dit geval ook niet zinvol en nodig is.

Naar aanleiding van de gedachtewisseling wil ik u ook nog enkele meer specifieke vragen stellen, minister. Acht u, gezien de specifieke achtergrond van een groot deel van deze mensen, bijsturingen aan de inhoud en de vorm van het traject zelf aangewezen? Die specificiteit ligt enerzijds in het feit dat het vaak om mensen met een hogere opleiding gaat en anderzijds in de traumatische geschiedenis die mensen meegemaakt hebben.

Zal er rekening worden gehouden met het scholingsniveau van deze mensen en kan er in dat geval worden nagegaan of kortere maar intensievere trajecten mogelijk zijn?

Wilt u tot slot een coördinatiepunt voor de lokale besturen in het leven roepen? Tijdens de gedachtewisseling is op dat punt niet verder ingegaan. Het stond niet in het plan van de Vlaamse Regering, maar ik merk in mijn vele contacten met gemeenten en OCMW’s toch nog altijd dat zij met heel veel vragen zitten. Zo’n punt lijkt mij dan ook, nog meer dan enkele weken geleden, zinvol.

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

Met de Groen-fractie willen wij terugkomen op twee punten waarover de heer Kennes het heeft gehad. Het eerste is dat van de huidige structuren. Er is inderdaad benadrukt dat de huidige structuren goed functioneren volgens deze meerderheid. Wij zijn het daar niet mee eens. Het belangrijkste pijnpunt is vandaag immers dat het gros van de nieuwkomers en de erkende vluchtelingen eerst Nederlands zal leren en pas daarna zal werken. Dat komt doordat het aanbod van Nederlands leren op de werkvloer volgens ons te beperkt is.

Dat die structuren onvoldoende functioneren, kunnen we ook zien in de cijfers. We weten bijvoorbeeld dat een derde van de vrouwen nooit Nederlandse lessen aanvangt omdat ze geen kinderopvang vinden en dat een derde stopt vanwege die moeilijke combinatie werk en Nederlands.

Wat niet in de vorige vergadering aan bod is gekomen, is het feit dat op 1 januari 2016 ook het nieuwe integratietraject start. Het vereiste niveau Nederlands wordt verhoogd en dat betekent dat de nieuwkomers of de erkende vluchtelingen ook langer Nederlands zullen moeten leren. Dat moet natuurlijk ook meespelen in het totaalplaatje.

Wat nodig is, is meer maatwerk, trajecten die inderdaad gebaseerd zijn op de individuele vluchteling zelf, zoals de heer Kennes aanhaalde. Trajecten Nederlands leren op de werkvloer zijn volgens mij absoluut prioritair. Wij zijn daar sterk vragende partij voor, maar dan moet daar natuurlijk ook voor gekozen worden en in geïnvesteerd worden. Ik vind de vraag van collega Kennes dus zeer relevant.

Een tweede punt uit zijn vraag dat ik graag kracht wil bijzetten, is het ondersteunen van de lokale besturen. In het plan van aanpak van de Vlaamse Regering dat we gekregen hebben, staat ook expliciet dat de Vlaamse overheid de gemeenten waar de problematiek zich het scherpst voordoet, zal ondersteunen. De vraag die toen gesteld werd, maar nog altijd niet beantwoord is, is hoe dat zal gebeuren. Zal dat financieel zijn? Zal dat met een contactpunt of met een coördinatiepunt zijn? Wij zijn van mening dat beide noodzakelijk zijn.

De heer Wouters heeft het woord.

De heer Peter Wouters (N-VA)

Minister, het Vlaams Agentschap voor Inburgering en Integratie zou tegen het einde van de zomer ook een analyse klaar hebben. Kunt u al iets zeggen over de conclusies van die analyse? Zult u extra maatregelen nemen? Zo ja, welke? Zal dat gevolgen hebben voor het inburgeringstraject van de nieuwe inwoners?

Minister Homans heeft het woord.

Collega’s, er wordt hier redelijk veel op één hoop gegooid, een soort minidebatje over de vluchtelingencrisis, wat we hier eigenlijk tien dagen geleden ook al gehouden hebben. Maar goed, ik zal proberen te antwoorden op de relevante vragen en uiteraard ook op de vragen van de heer Kennes, die de vraag om uitleg heeft ingediend.

Mijnheer Kennes, we hebben hier tien dagen geleden inderdaad een goed debat gehad. We hebben toen vanuit de Vlaamse Regering gezegd dat we nog niet over alle concrete cijfers en de profielen van de mensen beschikken. Dat is normaal, maar het is ook een beetje problematisch, want toeleiding naar werk is natuurlijk ook afhankelijk van het profiel van de mensen. Iemand die hoogopgeleid is, heeft veel minder intensieve begeleiding nodig dan iemand die laagopgeleid is. Nu begeef ik mij natuurlijk op het domein van collega Muyters, maar ik denk dat we tijdens de gedachtewisseling al een aantal belangrijke vragen hebben beantwoord.

Mevrouw Moerenhout benadrukte dat het belangrijk is dat er aan maatwerk wordt gedaan, maar de drie agentschappen – het extern verzelfstandigd agentschap (EVA) Integratie en Inburgering, het EVA Antwerpen en het EVA Gent – doen dat nu al. Ik vind dat zelf ook heel belangrijk. De heer Kennes heeft gezegd dat het essentieel is dat er bijvoorbeeld een avondaanbod is voor mensen die werken. Dat bestaat vandaag ook al. Ik heb altijd gezegd dat, gelet op het feit dat de capaciteit zal toenemen, we meer en meer de private sector er complementair bij zullen betrekken, omdat die meer bij machte is om cursussen te organiseren buiten de reguliere schooltijden. Dat is belangrijk.

Dat is ook een en-enverhaal. Die moeten niet met elkaar in concurrentie treden. De huidige Huizen van het Nederlands, de open huizen en dergelijke doen dat allemaal perfect. Het is dus geen vorm van kritiek. We moeten alleen een behoorlijke capaciteitsuitbreiding hebben. We hebben tien dagen geleden gezegd dat we om en bij de 20.500 mensen extra verwachten, op basis van de cijfers van 2015, die verplicht zullen zijn om een inburgeringstraject te volgen. Het zijn allemaal derdelanders, dus ze zijn per definitie verplicht.

Maatwerk is dus absoluut belangrijk. Dat moet niet meer uitgevonden worden, want dat bestaat vandaag al en het werkt heel goed. Ik heb al verwezen naar de praktische kant, bijvoorbeeld met het aanbod na de schooluren, maar er is ook het inhoudelijke aspect. Tijdens de cursus maatschappelijke oriëntatie is er bijvoorbeeld specifieke aandacht voor het wegwijs maken van ouders in het hele schoolgebeuren en hoe dat in Vlaanderen georganiseerd wordt. Als je schoolgaande kinderen hebt, die zich hier moeten integreren en de taal leren en zo meer, is het goed dat ze zo snel mogelijk naar school worden gebracht, maar op die manier leren de ouders ook een beetje onze normen en waarden en onze cultuur kennen. Dat wordt dus opgenomen in de cursus maatschappelijke oriëntatie.

Of ik rekening zal houden met het scholingsniveau? Dat gebeurt momenteel ook al. Ik heb u daarnet het voorbeeld van werk gegeven, dat is eigenlijk net hetzelfde voor inburgering. U weet dat we bij de naar schatting 20.500 erkende vluchtelingen die we zullen hebben op basis van de instroom in 2015, ervan uitgaan dat ongeveer 90 procent verplicht zal inburgeren. Dat het geen 100 procent is, komt doordat we altijd ook met mensen te maken hebben die medische problemen hebben, die dementerend zijn en dergelijke meer. Het zijn mensen die medisch niet meer in staat zijn om een cursus te volgen. Louter op basis van een medisch attest zullen ze vrijgesteld worden.

Er worden vandaag al verschillende vormen aangeboden van NT2-lessen. Ze zijn afhankelijk van het scholingsniveau van de cursisten. Hooggeschoolden kunnen bij de universitaire talencentra of bij de centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s) terecht. De middengeschoolden komen ook bij de CVO’s terecht. De laaggeschoolden en zelfs de analfabeten gaan naar de centra voor basiseducatie, in de volksmond de CBE’s genoemd. Er wordt dus wel degelijk rekening gehouden met het scholingsniveau.

Er wordt ook nagegaan welke cursus NT2 het meeste geschikt is, daar bestaat een test voor, de cognitieve vaardigheidstest (covaartest). Ook dat is niet nieuw, het is een bewijs dat onze structuren echt wel werken. De test werkt heel goed, de leervaardigheid van de potentiële cursist kan ermee bepaald worden. Het is een handig instrument. Een aantal intensieve cursussen NT2, gecombineerde cursussen thuis en in de klas, taaltrajecten in combinatie met opleiding enzovoort, bestaan momenteel ook al.

Maar, alles kan beter. Voor de rest was alles tot nu toe al heel goed, maar op dit punt geef ik u gelijk, mijnheer Kennes. We moeten altijd proberen om het nog beter te doen. Wat het flexibel aanbod betreft, kan het nog beter. Het is daarom dat ik in overleg met minister Crevits de onderwijsinspectie de opdracht heb gegeven om te onderzoeken of het NT2-aanbod behoeftedekkend is, wat de knelpunten zijn en hoe we dit kunnen verbeteren. De resultaten worden verwacht in februari 2016.

Ik kom tot het coördinatiepunt voor de lokale besturen. De drie agentschappen hebben de opdracht gekregen om de lokale besturen te ondersteunen bij het voeren van een lokaal integratiebeleid. De lokale besturen kunnen daar in eerste instantie terecht. Bovendien gaan we ook vanuit het Vlaamse Agentschap Integratie en Inburgering in ieder werkingsgebied een regionale helpdesk en een coördinatiepunt voor betrokken actoren organiseren, in eerste instantie voor de lokale besturen, maar ook voor onderwijsinstellingen en dergelijke. Dat doen we er nu bovenop. Ook zal het agentschap samen met de VVSG nagaan hoe deze ondersteuning verder nog efficiënter uitgebouwd kan worden.

Mevrouw Moerenhout, op uw vraag over maatwerk heb ik al geantwoord in het antwoord op de vraag van de heer Kennes. De huidige structuren werken.

U zei dat het grootste probleem is dat men geen Nederlands kent en zo niet aan werk geraakt. Tien dagen geleden heb ik in de commissie waar u zelf heel actief aanwezig was, heel duidelijk gezegd dat de mogelijkheid nu al bestaat om vanaf dag één bij een asielaanvraag Nederlandse les te volgen. Dat kan. Na vier maanden kan men vrijwillig instappen in een inburgeringstraject. Vrijwillig, de mensen moeten het dus doen. Voor alle duidelijkheid: ze zitten dan nog altijd in een asielprocedure. We weten dat een asielprocedure om en bij acht maanden duurt, gelet op de grote instroom. Men kan na vier maanden al vrijwillig beginnen inburgeren, zowel NT2 als MO als trajectbegeleiding en dergelijke volgen. De mensen hebben dus mogelijkheden. Het is een verhaal van kansen geven en kansen grijpen. Als wij het aanbod doen om vanaf dag één Nederlandse les te kunnen volgen, dan is het natuurlijk ook de verantwoordelijkheid van de betrokkenen om op dat aanbod in te gaan. Dit past echt wel in het verhaal van de rechten en de plichten.

Nederlands op de werkvloer vind ik ook een heel goed project, het werkt heel goed. Als men voor men gaat solliciteren nauwelijks inspanningen heeft gedaan om Nederlands te leren, wordt men natuurlijk met problemen geconfronteerd. Ik wil dit niet veralgemenen. Ik zeg ook niet dat het altijd zo gebeurt. Maar ik heb u al gewezen op verschillende mogelijkheden, die ook heel acuut en actueel zijn en zullen blijven in de toekomst. Er is dus de mogelijkheid om Nederlandse les te volgen vanaf dag één, vrijwillige inburgering vanaf maand vier en ten laatste drie maanden na de erkenning is er een verplicht inburgeringstraject.

Ik heb u tien dagen geleden ook gezegd dat andere deelstaten aan ons een voorbeeld kunnen nemen, en daar ben ik nog altijd fier op. Wij hebben niet alleen een goed traject van inburgering, we hebben ook een verplicht traject van inburgering. Wij vragen iets aan de mensen, maar tegelijkertijd voorzien we ook in het aanbod. Ik meen dat we zo de mensen ook helpen om hier in Vlaanderen een toekomst uit te bouwen.

Mijnheer Wouters, de analyse van het agentschap stond in de nota die tien dagen geleden is uitgedeeld. Ik ken niet alles uit het hoofd. Er werd hier een powerpointpresentatie uitgedeeld en ook een soort non-paper. Ik weet de titel van het document niet meer, maar het was dezelfde dag nog in de regering goedgekeurd. Ik krijg hier de bevestiging dat het werd doorgemaild aan alle Vlaamse parlementsleden. Alles staat daarin.

De heer Kennes heeft het woord.

De heer Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, ik dank de minister voor haar antwoord. Dat er al maatwerk bestaat, dat klopt. In het verleden heb ik deze vraag al gesteld in verband met de inburgeraars uit Midden- en Oost-Europa. Nu zitten we weer met een andere categorie. Daar moet telkens weer aandacht voor zijn.

Het belang van het flexibele aanbod klopt ook. Tijdens de gedachtewisseling had ik al verwezen naar het hogere niveau NT2 dat we zullen moeten halen vanaf januari. Het is goed dat we daarop voorbereid zijn.

Ik ben vooral tevreden dat de minister verwijst naar de regionale helpdesk die vanuit de agentschappen zal worden opgericht waar de lokale besturen, onderwijsinstellingen enzovoort met hun vragen terechtkunnen. Ik meen dat daar wel behoefte aan is. Ik ben daar dus bijzonder tevreden mee.

Een puntje dat ik ook in mijn vraagstelling had aangekaart, is de problematiek van de trauma’s die mensen hebben. In het licht van maatwerk, opvang en onderwijs, CLB’s, psychologische ondersteuning, maatschappelijke oriëntatie is het goed om die achtergrond mee in het hoofd te houden. Wanneer men met de nieuwkomers een traject aflegt, mag men dit niet uit het oog verliezen, het moet op de achtergrond meespelen. Soms kan het een hinderpaal zijn om een aantal trajecten en processen goed te doorlopen.

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

Minister, ik ben blij te horen dat u samen met de minister van Onderwijs een onderzoek bestelt om te zien waar het NT2-aanbod verbeterd zal worden. Ik heb daar direct ook een bedenking bij. De resultaten ervan worden verwacht in februari 2016. Het nieuwe inburgeringstraject gaat in januari al van start. De eerste erkende vluchtelingen, de extra stroom, zal ook voor binnen een paar maanden zijn. Ik roep u daarom op om na het goede onderzoek snel genoeg te werken. Een van de redenen dat het integratietraject vandaag faalt of heeft gefaald, is natuurlijk omdat er in het verleden te traag werd gewerkt en geanticipeerd. Bij dezen doe ik dus een warme oproep om nu het tegenovergestelde te doen.

Net als de heer Kennes zijn ook wij tevreden dat er een regionale helpdesk wordt opgericht. Dat is een eerste stap, een heel goede stap. Er komt inderdaad heel wat op de regionale besturen af. Een regionale helpdesk kan in een eerste fase zeker tegemoet komen aan de meest dringende vragen.

Voor het goede begrip wil ik ten slotte nog zeggen dat de projecten maatwerk en Nederlands op de werkvloer hele mooie voorbeelden zijn van het evenwicht tussen rechten en plichten. Het zijn inburgeraars die gratis werken op de werkvloer. Ze lopen maandenlang een soort stage terwijl ze Nederlands leren. Op het einde van die krijgt de ‘beste inburgeraar’, degene die zich het beste bewezen heeft, een contract. Eigenlijk is dit een traject dat door elke partij alleen maar gestimuleerd en gemotiveerd kan worden.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.