|
|||
|
De impact van het Vlaams Parlement op het Europese besluitvormingsprocesHoe wordt het Belgisch Standpunt in de Raad bepaald ?De Belgische vertegenwoordigers in de Raad zijn niet noodzakelijk leden van de federale regering. Vlaamse ministers kunnen deelnemen aan Raden die over Vlaamse bevoegdheden handelen, en daarbij vertegenwoordigen zij de hele Belgische overheid. In Europese ministerraden over landbouw, visserij, milieu of onderwijs kunnen Vlaamse ministers mee beslissen, en namens België hun stem uitbrengen (1). In die gevallen zijn het ambtenaren van de deelstaten die aan de voorbereidende werkgroepen van de Raad participeren. Ook zij verdedigen een gecoördineerd Belgisch standpunt. Het systeem om tot een Belgisch gecoördineerd standpunt te komen, schiet formeel in werking wanneer een voorstel van de Europese Commissie op de agenda van de Raad wordt geplaatst. Een eerdere coördinatie is echter ook mogelijk. Hoe eerder voorstellen besproken worden, hoe meer tijd kan worden besteed aan standpuntbepaling en alliantievorming met andere lidstaten. Inzake dergelijke vroegtijdige waarschuwing kan de Permanente Vertegenwoordiging een cruciale rol spelen, omwille van haar uitgebreid netwerk binnen de Europese instellingen. Het zo snel mogelijk bepalen van prioritaire dossiers kan een pro-actieve benadering mogelijk maken. Langs Vlaamse zijde werden hiertoe initiatieven ontplooid. Ten eerste de 'Vlaamse vinger aan de Europese pols', die aan de Vlaamse regering een overzicht geeft van de prioriteiten van elk Europees voorzitterschap. Ten tweede de maandelijkse rapportering aan de Vlaamse regering met informatie actuele Europese dossiers en de agenda van de raadsbijeenkomsten. Wanneer een commissievoorstel formeel op de agenda van de Raad belandt, worden de betrokken federale en regionale administraties en kabinetten via de Permanente Vertegenwoordiging en de FOD Buitenlandse Zaken op de hoogte gesteld. Algemeen en/of sectorieel overleg op de verschillende bestuursniveaus wordt vervolgens georganiseerd. In deze speelt de Directie-generaal Europese Zaken en Coördinatie (DGE) van het federale ministerie van Buitenlandse Zaken een coördinerende rol. Het secretariaat van deze dienst organiseert en zit de coördinatievergaderingen voor. De coördinatievergaderingen worden bevolkt door ambtenaren en vertegenwoordigers van de federale regering en van de deelstaten, naargelang het beleidsdomein dat aan bod komt. Zij zorgen voor de inhoudelijke afstemming. Voor alle coördinatievergaderingen vertrekt een uitnodiging naar de vertegenwoordigers van de eerste minister, van de vice-eerste ministers, van de minister van Europese Zaken, van de ministers-presidenten van de deelstaatregeringen en van de deelstaatministers bevoegd voor internationale betrekkingen. Ook een lid van de Permanente Vertegenwoordiging en de attachés van de gemeenschappen en gewesten bij de Permanente Vertegenwoordiging worden uitgenodigd. Naargelang de agendapunten kunnen ook de bevoegde federale, communautaire en regionale departementen deelnemen, evenals vertegenwoordigers van de functioneel bevoegde federale en regionale ministers. Deze horizontale coördinatie gebeurt zowel algemeen als voor elk punt van de agenda, voorafgaand aan elke zitting van de Raad. Streefdoel is een gemeenschappelijk standpunt dat door België doorheen het volledige traject van de Europese besluitvorming kan worden verdedigd. Beslissingen moeten unaniem genomen worden en het besef dat onthoudingen in Europese besluiten geen goede zaak zijn, zou de leden er extra toe moeten aanzetten om die unanimiteit te bereiken. Indien er alsnog geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt de kwestie aanhangig gemaakt bij de Interministeriële Conferentie van Buitenlandse Zaken (ICBB) om een arbitrage op ministerieel niveau mogelijk te maken. Aangezien de ICBB geen beslissingen kan opleggen, kunnen de conflicten in beroep worden geregeld door het Overlegcomité federale regering-deelstaatregeringen. Men slaagt er echter bijna steeds in om via het gewone overleg, georganiseerd door DGE, tot een gecoördineerd Belgisch standpunt te komen. De delegatieleider in de uiteindelijke Raad kan slechts een standpunt innemen omtrent materies die aan coördinatie onderworpen zijn geweest. Indien het standpunt op de zitting van de Raad of van het COREPER dringend moet worden aangepast, legt de delegatieleider hiertoe de nodige contacten. Indien dit bij gebrek aan tijd of bij een gebrek aan overeenstemming niet lukt, kan hij zich uitzonderlijk, "ad referendum" aansluiten bij het standpunt dat het best aansluit bij het algemeen belang. Het definitieve standpunt wordt dan binnen een termijn van maximaal drie dagen na regeling van het probleem op intern niveau aan het voorzitterschap van de Europese Unie kenbaar gemaakt. (1) In welke raden de Gemeenschappen, Gewesten of federale overheid zitting hebben, wordt bepaald door een Samenwerkingsakkoord uit 1994. Indien het akkoord bepaalt dat de Gemeenschappen of Gewesten zitting hebben in een bepaalde raad, neemt normaal gezien maar één van hen deze rol op zich. Het Samenwerkingsakkoord bevat daarom ook bepalingen die de rotatie tussen Gemeenschappen en Gewesten onderling regelen, zodat het niet telkens de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest is die deelnemen aan Raden met betrekking tot gemeenschaps- of gewestbevoegdheden.
|
||