printlogo Vlaams Parlement
PDF van het verslag

Commissie voor Welzijn, Gezondheid en Gezin Vergadering van 26/06/1996

Interpellatie van mevrouw Patricia Ceysens tot de heer Luc Martens, Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, over de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen

Interpellatie van de heer Johnny Goos tot de heer Luc Martens, Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, over de tewerkstelling van personen met een handicap

De voorzitter : Aan de orde zijn de samengevoegde interpellaties van mevrouw Ceysens tot de heer Luc Martens, Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, over de tewerkstelling in beschutte werkplaatsen en van de heer Goos tot minister Martens, over de tewerkstelling van personen met een handicap.

Mevrouw Ceysens heeft het woord.

Mevrouw Patricia Ceysens : Mijnheer de minister, mijn interpellatie dateert van een tijdje geleden, maar ik geloof dat ze nog steeds actueel is. Ik las dat de heer Vandendriessche vorige week een actuele vraag stelde over de CAO 43. Ook het federale parlement is daar mee bezig. Mijn interpellatie is ruimer opgevat.

Als liberalen hebben wij geen moeite met concurrentie op de gewone markt. De concurrentie tussen twee zwakke groepen, de beschutte en de sociale werkplaatsen, die men nu lijkt te creëren, kan echter niet. Deze twee groepen raken niet gemakkelijk aan werk. Ze hebben elk hun eigen problemen en achterstand op de arbeidsmarkt. De beschutte werkplaatsen zijn de oudste. Ze werden opgericht met nobele bedoelingen. Oorspronkelijk wilde men daar de gehandicapten opleiden en voorbereiden op het gewone arbeidscircuit om hen daar aan een job te helpen. Dat bleek bijzonder moeilijk en de meeste gehandicapten blijven in de beschutte werkplaatsen. Nu richt men sociale werkplaatsen op die een tweede categorie van zwakkere werknemers wil helpen. Dat is op zichzelf een mooi initiatief maar waarom kan deze tweede categorie van een beter statuut genieten? Allerlei verklaringen doen de ronde. Minister Kelchtermans beloofde voor het einde van deze maand een afzonderlijke regeling voor de sociale werkplaatsen. In die werkplaatsen wordt een baan gesubsidieerd a rato van 685.000 frank tegenover 350.000 frank in de beschutte werkplaats. De wrevel bij de beschutte werknemers ten aanzien van de sociale werkplaatsen is dan ook begrijpelijk. De twee soorten van werkplaatsen zoeken hun werk bij dezelfde werkgevers. Ze zoeken gemakkelijk werk dat manueel kan worden uitgevoerd. Het gaat om stereotiep werk met een telkens herhaalde cyclus. In elke streek zijn er bedrijven die dit soort van werk uitbesteden. Ofwel trekken ze ermee naar lage-loonlanden, ofwel geven ze het aan beschutte werkplaatsen. De sociale werkplaatsen zullen daar nu een deel van overnemen. De toevoer van werk naar de beschutte werkplaatsen komt in het gedrang. Bovendien verschillen de subsidies enorm. Ik citeer hierbij uit de regeringsverklaring van 21 juni 1995 waar de minister-president zegt : voor de beschermde tewerkstelling komt er een globale regeling die de activiteiten van de beschutte en sociale werkplaatsen omschrijft. Einde citaat. Minister Kelchtermans verklaart dan weer dat een aparte regeling nodig is. We willen toch geen concurrentie tussen gehandicapten en langdurig moeilijk te plaatsen werklozen? Wat kunt u, zult u doen om de twee groepen niet tegen elkaar op te zetten?

Een tweede vraag binnen deze problematiek is die naar de sociale omkadering voor beschutte werkplaatsen met minder dan honderd werknemers. De raad van bestuur van het Vlaams Fonds voor de Integratie van Personen met een Handicap heeft daaromtrent een unaniem positief advies uitgebracht. U hebt dit echter nog niet ondertekend waardoor het ook niet kan worden uitgevoerd. Ik wil daar de aandacht op vestigen omdat die omkadering voor de begeleiding van de werknemers ook in de kleinere beschutte werkplaatsen van belang is.

Een derde probleem dat men in mijn streek vrij scherp aanvoelt, is het ontbreken van een samenwerkingsakkoord met de Franse Gemeenschap. De gemeenten in het arrondissement Leuven die aan de taalgrens raken, kampen daardoor met praktische moeilijkheden. Gehandicapten die op 5 kilometer van een Waalse beschutte werkplaats wonen, worden daar geweigerd. Een akkoord met de Franse Gemeenschap zou dit oplossen.

Daarmee beland ik bij het CAO 43. Als ik goed ben ingelicht, wordt daarover morgen beslist.

Minister Luc Martens : Die beslissing werd vandaag genomen.

Mevrouw Patricia Ceysens : Dan wacht ik op uw antwoord.

De voorzitter : De heer Goos heeft het woord.

De heer Johnny Goos : Mijnheer de minister, met deze interpellatie wil ik uw aandacht vestigen op de problematiek van de tewerkstelling van gehandicapten. Mijn uitgangspunt hierbij is dat alle mensen evenwaardig zijn. Mensen met een handicap hebben dezelfde rechten en plichten als andere burgers. Ze hebben dezelfde verwachtingen en verlangens. Ze hebben recht op een zo groot mogelijke zelfstandigheid en een zo volledig mogelijke zelfontplooiing. Tegelijk hebben ze recht op een eigen plaats en rol in het maatschappelijke gebeuren. Op een aantal terreinen hebben ze een achterstand. Gehandicapten en andere achtergestelden hebben behoefte aan maatregelen die hen tijdelijk of blijvend een voorkeursbehandeling geven. Gehandicapten hebben recht op arbeid of een andere vorm van zinvolle tijdsbesteding met het oog op hun sociale en economische integratie. In welke mate ze dit recht effectief kunnen uitoefenen hangt niet alleen af van de graad van hun handicap maar ook van de mogelijkheden en middelen die de gemeenschap hen aanreikt. Het is de plicht en opdracht van de minister van Welzijn, van de Vlaamse regering en van het Vlaams Parlement om ervoor te zorgen dat de gehandicapte op een soepele manier van het geheel van tewerkstellingsmogelijkheden kan genieten. Het gaat niet om een kleine groep. Vlaanderen telde vorig jaar officieel 16.998 volledig uitkeringsgerechtigde werklozen met een beperkte of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Deze statistieken houden geen rekening met bepaalde groepen, zoals jonge werklozen in de wachttijd en de vrijwillig ingeschreven werkzoekenden. Men schat dat er momenteel om en bij de 20.000 gehandicapten zonder werk zitten. In het kader van de werkgelegenheidsinitiatieven van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap zijn er 15.224 personen aan de slag of in opleiding. De overgrote meerderheid, zo´n 80 percent werkt in beschutte werkplaatsen. Slechts 2.325 gehandicapten vonden een reguliere job. Hoe staat het met de open en de beschutte tewerkstelling voor deze mensen? In de open tewerkstelling is het uitgangspunt dat elke gehandicapte met de mogelijkheden om in het gewone arbeidscircuit aan de slag te gaan, daartoe alle kansen moet krijgen. Toch blijft een groot aantal personen met ernstige fysieke of mentale beperkingen van deze markt uitgesloten. Ik wil daarvoor de volgende oorzaken aanhalen. Eén, de werkgevers worden nog onvoldoende gestimuleerd om gehandicapten gelijke kansen te geven. Twee, de gehandicapte werknemers krijgen onvoldoende voorbereiding, begeleiding of assistentie om zich te handhaven in de open tewerkstelling. Drie, de bemiddeling tussen werknemers en werkgevers gebeurt onvoldoende gestructureerd en gericht.

De kloof tussen de gehandicapten- en de gewone tewerkstelling kan enkel worden overbrugd als op die drie terreinen tegelijk wordt ingegrepen. Ten eerste, voor het stimuleren van de werkgevers werden in het verleden al een aantal maatregelen genomen : bedrijfsopleiding, de CAO, tussenkomst bij de aanpassing van de arbeidspost. Andere maatregelen wilden de tewerkstelling van gehandicapten in openbare diensten volgens bepaalde quota verplichten. Het effect hiervan bleef beperkt. Bijkomende maatregelen zijn dan ook nodig. In de privé-sector moet de verplichte tewerkstelling van één gehandicapte op 55 werknemers wettelijk worden vastgelegd. De term gehandicapte werknemer moet strikt worden omschreven zodat ook ernstig fysiek of mentaal gehandicapten kansen krijgen. Enkel die gehandicapten die in het kader van het Vlaams Fonds bijstand ontvangen, kunnen in aanmerking komen. De effectieve tewerkstelling moet mogelijk zijn door een geheel van wettelijke maatregelen inzake aanpassingen aan de werkplaats, hulpmiddelen en assistentie. Ten tweede, zoals valide mensen maken gehandicapten meer kans op tewerkstelling door een goede voorbereiding, namelijk de beroepsopleiding. Tewerkstellingskansen verhogen naarmate men zich beter aan de tewerkstellingseisen kan aanpassen. We hebben al een ruim aanbod aan beroepsopleidingen : 78 personen volgden de bedrijfsopleiding van het Vlaams Fonds in 1994, 291 volgden de opleiding van de CBO in 1995, en 200 waren in 1993 ingeschreven bij de VDAB. De bezettingsgraad van de veertien gespecialiseerde opleidingscentra voor gehandicapten bedroeg in 1995 slechts 60 percent. Redenen daarvoor : de recrutering loopt slecht, het niveau van de opleidingen is niet aangepast, de centra zijn meer bezig met het instandhouden van hun economische activiteiten dan met de oorspronkelijke doelstelling. Het erkennings- en subsidiëringsmechanisme van de CBO wordt momenteel herbekeken door het Vlaams Fonds. Vanuit het streven naar een inclusief gehandicaptenbeleid moet worden geopteerd voor een dienst binnen de VDAB. Deze moet de diverse opleidingen coördineren en de opvolging en begeleiding van de gehandicapten verzekeren. De gehandicapten moeten bij het beëindigen van hun beroepsopleiding een evenwaardig en volwaardig getuigschrift ontvangen.

Dan kom ik bij de uitbouw van specifieke arbeidsbemiddeling. Zoals vele werkzoekende validen, ondervinden ook gehandicapte werkwilligen de nodige problemen bij het vinden van een geschikte job. De verwachtingen van werkgever en werknemer moeten beter op elkaar worden afgestemd. Alle mogelijke middelen moeten optimaal worden benut. Binnen de VDAB moet een specifieke dienst voor arbeidsbemiddeling voor gehandicapten worden opgericht. Een specifieke dienst voor verbetering van arbeidskansen van doelgroepen bestaat al. De CAO 26 is administratief versneld door de toekenning van de voorschotten maar dit moet verbeteren. De tewerkstellingsbevorderende maatregelen zoals de bedrijfsopleiding en de CAO moeten nog beter worden gebruikt. Dit houdt in dat de administratieve aanvraagprocedures sterk vereenvoudigd en verbeterd moeten worden. De betreffende dienst binnen de VDAB moet informatie- en promotiecampagnes opzetten over deze stimulerende maatregelen gericht op de werkgevers. Het Vlaams Fonds moet de integratie van gehandicapten op alle mogelijke manieren bevorderen. De tewerkstellingsprogramma´s zijn intussen opengesteld voor de gehandicapten die niet uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn. Er is zelfs een regel van evenredige participatie voorzien voor bepaalde doelgroepen zoals vrouwen, migranten en gehandicapten. Wordt die nageleefd en zijn daarover gegevens beschikbaar? De arbeidstrajectbegeleiding werd door het Vlaams Fonds ontwikkeld om de gehandicapte werkzoekende te begeleiden doorheen het hele traject van opleiding, bemiddeling en coaching. Het Vlaams Fonds maakte een advies over trajectbegeleiding over aan de minister. In de begroting van 1996 staat een bedrag van 13 miljoen frank ingeschreven. Wanneer legt de minister een voorstel voor op de ministerraad? Omwille van de eigen aard van hun handicap zijn vele gehandicapten aangewezen op hulp op de plaats van de arbeid zelf. Vormen van assistentie of begeleiding moeten dan ook worden gesubsidieerd. Het voorstel van de SP inzake het assistentiebudget sluit arbeidsassistentie uit omwille van de specifieke arbeidsrechtelijke situatie van derden op de werkvloer. Dit kan in de toekomst apart worden geregeld via een tussenkomst aan de werkgever. Het Vlaams Fonds verleent subsidies aan werkgevers die bepaalde projecten van begeleid werken opzetten. De financiering voor de arbeidsassistentie kan daarin worden bepaald. De tewerkstelling in de overheidsdiensten : in Vlaanderen zijn de ministeries en parastatalen gehouden aan de quotaplicht. Hun personeel moet voor 2 percent uit gehandicapten bestaan. De cijfers bewijzen dat deze regel goed wordt gerespecteerd. Dat is echter niet het geval voor de lokale besturen. Welke initiatieven ziet de Vlaamse regering om daar zo snel mogelijk verandering in te brengen?

Wat de beschutte tewerkstelling betreft : een aantal gehandicapten zal voorlopig of definitief geen beroepsactiviteit kunnen uitoefenen in het gewone arbeidscircuit. Ze zijn tijdelijk of blijvend aangewezen op beschutte tewerkstelling. Het is vooral de evolutie in de beschermde werkplaatsen die ons zorgen baart. In 1994 zat het tewerkstellingspeil daar ver boven de 12.000. Vorig jaar liep dat terug tot 11.267. Ook hier stellen we een uitstoot van de allerzwaksten vast. Net als de andere bedrijven zijn de beschutte werkplaatsen onderhevig aan rendementseisen. Om die reden verdringen personen met een mindere handicap die met een zwaardere handicap. De behoudspremie moet voor de zwakste categorie worden opgetrokken. In het geheel van het tewerkstellingsbeleid blijft de beschutte werkplaats een belangrijke rol spelen als ze de oorspronkelijke doelstelling weer vooropstelt. Ze moet het quotum van de zwakkeren waarborgen. We stellen 70 percent voor. Dat komt overeen met de huidige situatie. De zwakke werknemer behoudt dus zijn plaats. Het uitzenden van de werknemers van beschutte werkplaatsen naar de reguliere arbeidsmarkt met de nodige begeleiding moet worden gestimuleerd. Maar het mag niet resulteren in vormen van onderaanneming, waarbij de gehandicapte werknemer als goedkope werkkracht wordt uitbesteed aan bedrijven. Er moet worden gezorgd voor een verdere professionele bekwaming van de werknemers. Binnen de beschutte tewerkstelling moeten vormen van bijscholing of training gericht op doorgroei binnen deze tewerkstelling of doorstroming naar de open tewerkstelling worden uitgewerkt.

Vanuit de VDAB en in samenwerking met de beschutte tewerkstelling moeten er dus projecten van begeleid werken worden opgezet : dit met de bedoeling de gehandicapte werknemer voor een korte of langere termijn min of meer intensief te ondersteunen bij het inschakelen in het gewone arbeidscircuit. Betreffende de toekenning van het gewaarborgd minimum maandinkomen aan de werknemers van de beschutte werkplaatsen - de bewuste CAO 43 - verlangen we dat er nu een snelle gefaseerde invoering komt via intens overleg tussen de sociale partners en de federale, gewestelijke en gemeenschapsregeringen. Hieraan is een kostprijs verbonden die alleen al in Vlaanderen kan oplopen tot 1,6 miljard frank per jaar. Daarbij zal men erover moeten waken dat de zwakste werknemers niet nog meer worden uitgestoten uit de werkplaatsen. Bovendien is er nood aan bijkomende arbeidsplaatsen in de beschutte werkplaatsen. Ook dit mag men niet uit het oog verliezen. In dit verband mag men van de werkgevers verwachten dat ze door middel van een beter beheer en management zowel hun sociale als hun bedrijfsmatige opdracht optimaliseren. We roepen de sociale partners dan ook op om in het kader van de onderhandelingen over een nieuw interprofessioneel akkoord een fonds te reserveren ter financiering van de ondersteuning van deze professionele inschakeling.

In april van vorig jaar legde een rondetafelconferentie inzake tewerkstelling van personen met een handicap, opgezet door de vorige minister van Tewerkstelling en Welzijn, twaalf aanbevelingen voor om de integratie van personen met een handicap in het gewone arbeidsmilieu te versterken en om beschutte vormen van arbeid te garanderen voor wie daar nood aan heeft. Meer dan een jaar later stellen we vast dat er nog steeds geen uitzicht op werk is voor een aanzienlijke groep gehandicapten. Jaar na jaar blijft het aantal personen dat met de ingezette mogelijkheden en middelen wordt bereikt, dalen.

Hoe zet de minister de aanbevelingen van de rondetafel-besprekingen om in praktische maatregelen?

Door het Vlaams Fonds werd een advies over arbeidstraject-begeleiding overgemaakt aan de minister. In de begroting van 1996 is 30 miljoen frank ingeschreven voor de ATB-diensten. Waarom legde de minister het voorstel niet voor aan de ministerraad?

Voor de tewerkstellingsprogramma´s is in een regel van evenredige participatie voorzien voor bepaalde doelgroepen, zoals vrouwen, migranten en gehandicapten. Wordt deze nageleefd? Zijn er gegevens beschikbaar over de bereikte resultaten inzake evenredige participatie van doelgroepen in deze programma´s?

Welk beleid wordt gevoerd om de aanbevelingen van de ronde tafel te verwezenlijken? Zo wordt aanbevolen de subsidiëringsmodaliteiten, de rechtspositie en de beloning van de werknemers in beschutte en sociale werkplaatsen naar elkaar te laten toegroeien. Hoe zal men dit tot stand brengen zonder de kans op tewerkstelling voor de zwakste werknemers verloren te laten gaan?

De voorzitter : De heer Stassen heeft het woord.

De heer Jos Stassen : Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, hoe interessant dit debat ook is, toch wens ik nu niet in te gaan op de vragen over tewerkstellingskansen voor personen met een handicap in het gewone circuit. Uiteindelijk gaat het vandaag immers om beschutte tewerkstelling. We zullen op een ander ogenblik praten over de vraag wat Vlaanderen ter zake al dan niet kan doen. Betreffende de door mevrouw Ceysens ingezette discussie omtrent de al dan niet vervalste concurrentie tussen sociale en beschutte werkplaatsen, is het niet mijn bedoeling om aan Hineininterpretierung te doen. Ik denk evenwel dat men tijdens de vorige zittingsperiode een aantal pogingen heeft gedaan om de twee soorten van tewerkstelling op elkaar af te stemmen. Het decreet was haast rond, maar om een of andere reden is dit initiatief afgesprongen. Het is niet mijn bedoeling om wie dan ook hiervoor met de vinger te wijzen. Minister Kelchtermans heeft uiteindelijk verklaard alleen door te zullen gaan. Misschien kan het nog gedeeltelijk uit de brand worden gered, maar in elk geval is het jammer dat dit decreet niet kon worden goedgekeurd voor de verkiezingen van vorig jaar. Of die concurrentie zo scherp is, stel ik trouwens ook in vraag.

Het discussiepunt van vandaag is de uitvoering van de CAO 43. Zonder echt demagogisch te willen doen, wil ik toch onomwonden vooropstellen dat hier vandaag eens te meer het failliet van de politiek in weerspiegelt. Drie jaar geleden heeft men een akkoord bereikt, weliswaar in de vorm van een CAO op federaal niveau. Men heeft de voorbereidingen getroffen om deze drie jaar later te kunnen uitvoeren, ten laatste op 1 juli van dit jaar. Nu stelt men echter vast dat er geen geld voor is uitgetrokken, zodat de CAO niet eens kan worden uitgevoerd. Daarvoor zijn een aantal belangrijke oorzaken voor aan te wijzen, bijvoorbeeld de federalisering. Maar in elk geval hebben de mensen aan de basis, de zwakste personen, die er werken, daar nauwelijks een boodschap aan. Het kalf is al voor een groot deel verdronken. Toch richt ik een oproep tot u om zoveel mogelijk van dit drie jaar oude akkoord uit te voeren. Uiteindelijk is de verrekening van de toelage aan personen met een handicap immers een truuk om minder te moeten uitbetalen : telt men de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming erbij, dan is het inkomen van die mensen natuurlijk hoger dan het gewaarborgd minimumloon. Dat is echter iets dat die mensen krijgen uit hoofde van hun handicap en niet uit hoofde van het door hen geleverde werk. Misschien wilt u me nu, op basis van mijn oproep tegemoetkomen, maar uiteindelijk is dit eens te meer een voorbeeld van hoe het echt niet moet. Alles was anders gelopen, had men de afspraken van toen beter uitgevoerd en had men het federale en Vlaamse niveau beter op elkaar afgestemd om te voorkomen wat er vandaag gebeurt.

De voorzitter : De heer Cardoen heeft het woord.

De heer Georges Cardoen : Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, we zijn het, geloof ik, allen eens over het feit dat onze maatschappij een fundamentele rol te spelen heeft ten aanzien van gehandicapten. Ik wil de gelegenheid aangrijpen om, aansluitend op de interpellatie van de heer Goos, de aandacht te vestigen op de kans die we zouden kunnen bieden aan zowel licht als matig fysisch of geestelijk gehandicapten binnen onze lokale besturen. De heer Goos verwees er daarnet even naar. Ik meen echter dat het niet volstaat goede voornemens te uiten. We moeten ook trachten om concreet, misschien op basis van een decreet, maatregelen te nemen. Ik ben ervan overtuigd dat we op die manier in grote mate het sociale isolement waarin het merendeel van deze mensen terechtkomen, kunnen lenigen. Tegelijk kunnen we de gemeentebesturen en de OCMW´s de mogelijkheid bieden om deze mensen een aantal kleine karweitjes, waartegen ze beslist zijn opgewassen, te laten opknappen. Ik weet waarover ik spreek : ik kan zelfs een aantal praktijkvoorbeelden uit mijn eigen gemeente aanhalen.

Ook ben ik er van overtuigd dat we deze mensen wellicht tegelijk een aanvullend inkomen zouden kunnen bezorgen. Hierbij wil ik uitdrukkelijk zeggen dat we ook de gemeenten op het vlak van bezoldiging op hun verantwoordelijkheid moeten wijzen. De gemeenten zullen zich daartoe bereid moeten tonen. Het is in periodes van zeer zware werkloosheid dat gehandicapten werkelijk aan de rand van de maatschappij terechtkomen : de cijfers bewijzen dat. Bestaat er geen mogelijkheid dat de Vlaamse overheid besturen van zowel de gemeenten als de OCMW´s verplicht een quotum van, bijvoorbeeld, 2 tot 2,5 percent van de vaste personeelsformatie te reserveren voor dit soort van mensen? Dit weliswaar met dien verstande dat men ook vanuit de Vlaamse overheid, zij het dan vanuit het Vlaams Fonds, instat voor een kleine bijpassing van een loonvergoeding. Ik pleit hier zeer sterk voor, want ik ben ervan overtuigd dat we op dat vlak zowel aan de maatschappij als aan de betrokkenen een goede dienst zouden bewijzen : dit naar het voorbeeld van de tewerkstelling van gehandicapten in de privé-sector. Mijnheer de minister, graag vernam ik uw mening hieromtrent.

De voorzitter : De heer Vandendriessche heeft het woord.

De heer Bart Vandendriessche : Mevrouw de voorzitter, het thema van de interpellatie is inderdaad heel actueel. Ondertussen, na twee maanden, is de hiërarchie van de pijnpunten enigszins gewijzigd : de sociale omkadering en het samenwerkingsverband met de Franse Gemeenschap hebben plaats moeten ruimen voor het probleem van de concurrentiepositie. Dat is zeer belangrijk, net zoals wat de heer Stassen opmerkte in verband met de CAO 43. Het uitgangspunt van zowel beschutte als sociale werkplaatsen is dat we zwakkeren moeten laten deelnemen aan het arbeidsproces opdat ze zelfrespect verwerven en aan zelfontplooiing kunnen doen. Dit is bijna een sector in crisis. Een enorme uitdaging is de concurrentiepositie ten overstaan van lage-loonlanden, afgewogen tegen het verhoogde aantal gevangenissen, tegen bedrijven. Zelfs bezigheidstehuizen worden als een concurrent beschouwd, vermits men daar ook een aantal werkzaamheden verricht.

Betreffende de CAO 43 ben ik heel nieuwsgierig om te vernemen wat uiteindelijk de beslissing van de Vlaamse regering is geweest. Dit acute probleem moet dringend worden ontmijnd. We moeten nu minstens ondubbelzinnig signalen aan de sector sturen.

We kunnen inderdaad niet buiten het afgesloten akkoord. Jammer genoeg was het niet erg duidelijk. Wanneer men ter plaatse gaat kijken, wanneer men simulaties maakt en de inkomsten van die mensen vergelijkt, dan blijkt dit een vreselijk ondoorzichtige kluwen van inkomens te zijn. Behalve het loon kunnen de mensen in een beschutte werkplaats een tiental andere tegemoetkomingen ontvangen. Men weet dus gedeeltelijk wat hun loon is, maar niet wat daar nog bovenop komt : dat kan een verhoogde kinderbijslag zijn, een integratie- of een inkomensvervangende tegemoetkoming, een bijdrage voor beroepsziekten of arbeidsongevallen, Riziv of werkloosheidsuitkering. Men mag dit probleem niet simplificeren : het is een complex probleem, waarover we moeten nadenken. We moeten nagaan wat we in dat inkomen stoppen. Ik ben ervan overtuigd en deel uw mening dat, bijvoorbeeld, de integratietegemoetkoming niet iets is dat in het inkomen mag worden vervat. Dat is specifiek voor de gehandicapte als dusdanig en moet dan ook volkomen buiten het loon worden gehouden. Er zijn echter andere inkomenselementen die men toch zou moeten kunnen betrekken bij dit gewaarborgd inkomen.

Mijnheer de minister, we hebben hier te maken met een overlapping tussen het federale en het Vlaamse niveau. Ik denk dat dit een van de grootste knelpunten vormt. Trouwens, het gerucht heeft me bereikt dat de federale kaderwetten wel eens maatregelen ten aanzien van beschutte werkplaatsen zouden kunnen bevatten. Wat dat betreft, moet u zeker op uw hoede zijn. Ook denk ik dat bijkomende inspanningen, wanneer gevraagd, moeten worden gespreid over de diverse betrokkenen, zodat men niet altijd onmiddellijk de overheid met de vinger moet wijzen. In verband daarmee verwijs ik naar een aantal goed functionerende beschutte werkplaatsen. Op lange termijn moet men volgens mij denken aan een responsabilisering, zelfs een forfaitarisering van beschutte werkplaatsen. Dat is voor u immers de enige mogelijkheid om dit enigszins te beheersen. Ten slotte denk ik dat we op nog veel langere termijn naar bepaalde opgelegde quota voor reguliere bedrijven, maar ook voor overheidsadministraties en gemeenten moeten evolueren. Zowel u als de heer Cardoen hadden het hier al over.

Betreffende de sociale werkplaatsen werd hier al gewezen op het feit dat het vorige bestuur deze commissie in de gelegenheid heeft gesteld om sociale werkplaatsen te bezoeken en ook hoorzittingen te houden. Aansluitend daarop was er ook nog de resolutie. Derhalve is het belangrijk dat we het warm water niet opnieuw uitvinden en voor een stuk hierop voortgaan. Op basis van al die ervaringen ben ik er niet zo van overtuigd dat één soort van voorziening aangewezen is voor alle beschermde tewerkstelling. Dat dit niet zo duidelijk is, bleek uit de resolutie die we in 1994 goedkeurden. Het gaat immers over verschillende doelgroepen. Door de evolutie van dat experiment neemt het aantal doelgroepen toe. Men spreekt over concurrentievervalsing, maar zo eenvoudig is het niet : het is niet zo dat de ene sociale werkplaats 685.000 frank en de andere 350.000 frank heeft. Er komt heel wat meer bij kijken. Ik denk dat de balans veel meer in evenwicht is dan men denkt. Het gaat immers om een totaal verschillende toelevering, enerzijds vanuit de VDAB, anderzijds vanuit de PEC. Er zijn dus voldoende redenen om niet alles zomaar bij één voorziening onder te brengen. Wel is er dringend een structuur nodig in de sector van de sociale werkplaatsen. We kunnen die experimenten niet eeuwig verlengen. Persoonlijk vind ik dat deze voorzieningen het bewijs hebben geleverd dat ze goed kunnen werken. Ik vind dat ze daarvoor moeten kunnen worden beloond. Ik weet echter niet of die sociale werkplaatsen tot uw bevoegdheid behoren of onder Tewerkstelling ressorteren. Er moet echter dringend een regeling komen betreffende de omschrijving van de doelgroep, programmatie, erkenning, stimuli voor doorstroming - heel belangrijk voor de sociale werkplaatsen - en begeleiding. Dit laatste houdt dan weer wel een welzijnsdimensie in.

De voorzitter : De heer Strackx heeft het woord.

De heer Felix Strackx : Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, het doel van de beschutte werkplaatsen is in de eerste plaats de gehandicapten een kans te bieden om zich in te schakelen in het arbeidsproces. Dit geeft de gehandicapten het gevoel dat ze volwaardige leden van de maatschappij zijn, dat ze erbij horen. Dat is voor hen, denk ik, zeer belangrijk. Nochtans krijg ik de indruk dat sommige beschutte werkplaatsen de sociale functie die ze toch wel hebben, wel eens durven te vergeten en in de eerste plaats denken aan de bloei van hun bedrijf. Dit heeft zijn weerslag op de lonen. Het is me niet erg duidelijk hoe deze lonen nu worden berekend. Er zijn blijkbaar verschillen in loon tussen de diverse beschutte werkplaatsen, maar ook tussen werknemers binnen eenzelfde werkplaats. Hoe komt dit? Heeft dit te maken met de ernst van de handicap?

Minister Luc Martens : Mijnheer Strackx, er zijn vijf verschillende categorieën, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van het werk : deze stemmen overeen met weddeschalen. Aan de andere kant bestaan er een aantal medische categorieën : mentaal, zintuiglijk en locomotorisch gehandicapten. De tegemoetkomingen worden op basis van deze drie categorieën verleend. Voor de ene categorie wordt voor 65 percent, de tweede voor 80 percent en de derde voor 100 percent tussengekomen in de kosten, met uitzondering van de patronale lasten, waarin we niet tussenkomen. Op zichzelf is de subsidiëringsstructuur dus zeer duidelijk. Wel heeft een werkgever binnen dit soort van bedrijf, trouwens net zoals in een gewoon bedrijf, het recht om een werknemer meer dan zijn basisloon te betalen. Hoe dan ook, er is altijd een plafond dat men moet in acht nemen.

De heer Felix Strackx : Het kostte me wat moeite om het te geloven, maar ik vernam dat in een bepaalde beschutte werkplaats mensen werken aan een vergoeding van 120 frank per uur. Kan dat? Dit terwijl in diezelfde beschutte werkplaats nooit gebruikte en miljoenen kostende machines in open lucht staan roesten. Met mijn eigen ogen heb ik documenten kunnen inkijken waaruit blijkt dat deze VZW een half miljard frank heeft belegd op korte termijn. Mijnheer de minister, dit is toch misbruik maken van mensen. Welke maatregelen kunt u nemen om dergelijke misbruiken weg te werken : dat is in de eerste plaats toch belangrijk?

De voorzitter : Mevrouw Van Cleuvenbergen heeft het woord.

Mevrouw Riet Van Cleuvenbergen : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega´s, mijn betoog zal zich vooral toespitsen op de tewerkstelling van personen met een handicap.

Mensen met een handicap zijn in meerdere opzichten benadeeld op de arbeidsmarkt. Ze leven in de eerste plaats al met een bepaalde handicap. Dit betekent bovendien veelal dat ze slechts een lagere basisopleiding hebben genoten. Daarnaast is er onduidelijkheid over hun inkomenssituatie, en hebben ze het thuis niet altijd even gemakkelijk. Ook is er sprake van mobiliteitsproblemen waardoor ze in een beperktere regio kunnen worden ingezet. Deze problemen verminderen danig de kansen op tewerkstelling van de gehandicapten, ook in het reguliere circuit waar ze via speciale systemen mogelijkheden zouden hebben.

Om deze mensen te oriënteren naar de arbeidsmarkt, bestaan er gespecialiseerde diensten. Precies voor dergelijke diensten zou u in de loop van dit jaar een aantal subsidiëringen toekennen. Hoe ver staat u daarmee? Het is, mijns inziens, belangrijk dat de oriëntering gebeurt door speciale diensten, omwille van het complexe karakter van een handicap. Persoonlijk heb ik vastgesteld dat afgestudeerden uit het technisch- en beroepsonderwijs door een normaal PMS-centrum werden geörienteerd zonder dat daarbij rekening werd gehouden met hun handicap.

Een ander aspect betreft de taak van de VDAB om mensen met een handicap op de arbeidsmarkt af te stemmen. Onlangs hoorde ik een verhaal over sociale werkplaatsen waar mensen door de VDAB naartoe worden gestuurd. Het blijkt dat een vacante arbeidsplaats er soms tot drie maanden onbezet blijft. Het profiel van de werknemer is nochtans duidelijk : men dient ouder te zijn dan 25 jaar en men moet minimum vijf jaar werkloos zijn. Bovendien mag men hoogstens lager secundair onderwijs hebben genoten. Uit de cijfers van de VDAB blijkt dat er een overvloed aan dergelijke mensen bestaat. Daarom zou men terecht verwachten dat de invulling van de vacature snel kan gebeuren. Is men bij de VDAB dan wel voldoende gemotiveerd en uitgerust?

Mevrouw Becq heeft in september een schriftelijke vraag gesteld over de gehandicapten in overheidsdienst. Uit de officiële cijfers blijkt dat de overheid het quotum van 2 percent haalt. Volgens de informatie van mevrouw Becq en mezelf, is dat niet juist. Men komt maximaal aan een tewerkstellingsgraad van 1 percent. Ik spreek hier wel over de Vlaamse overheid. Wanneer men even de niveaus waarop die mensen werken, onder de loep neemt, stelt men al snel vast dat het grootste deel de lagere niveaus bezet, maar ook op niveau A vinden we er een aanzienlijk deel van terug. Bij de overheid worden relatief weinig inspanningen geleverd om de arbeidsorganisatie aan te passen. Het zou, mijns inziens, interessant zijn mocht de commissie over concrete gegevens beschikken aangaande de inspanningen die worden gedaan om de arbeidsomgeving optimaal aan de gehandicapten aan te passen. Dat zou ook voor de privé-sector inspirerend kunnen werken.

De voorzitter : Minister Martens heeft het woord.

Minister Luc Martens : Er is een budget uitgetrokken van 300 miljoen frank.

Mevrouw Riet Van Cleuvenbergen : Toch stellen we vast dat gehandicapten slechts met veel moeite kunnen beschikken over noodzakelijke uitrusting. Bovendien zou ik graag weten hoe de situatie bij de gemeenten is.

De voorzitter : Minister Martens heeft het woord.

Minister Luc Martens : We hebben de gemeenten en de OCMW´s aangespoord om ook hun steentje bij te dragen. Maar men mag niet uit het oog verliezen dat de gemeenten daar niet zo happig op zijn. Vanuit mijn eigen ervaring kan ik u meedelen dat werken met een gehandicapt persoon, niet altijd even gemakkelijk is. Onder meer het werkritme wordt er grondig door beïnvloed.

Mevrouw Riet Van Cleuvenbergen : Als de gemeenten en de OCMW´s er zich aan onttrekken, zullen we hun bijdrage, mijns inziens, maar kunnen afdwingen als we in de Vlaamse administratie het goede voorbeeld geven.

De voorzitter : Minister Martens heeft het woord.

Minister Luc Martens : Het debat hierover is boeiend genoeg om daar bij een andere gelegenheid grondig op in te gaan.

Ik ben het niet helemaal eens met mevrouw Ceysens wanneer ze vooropstelt dat er competitie bestaat tussen de beschutte en de sociale werkplaatsen. Er is een zekere overlapping, maar die bedraagt slechts 20 percent. Bovendien zijn de verschillen lang niet zo groot als men beweert. Enerzijds heeft men het niveau van loonsubsidiëring en de Weerwerk-Gesco. Maar anderzijds zijn er ook de middelen voor het omkaderingspersoneel, de investeringssubsidies voor de beschutte werkplaats, de ondersteuning voor de aanpassing van arbeidsposten, de crisissubsidie, en de toelage voor de zwakke werknemer. Daarenboven zijn de doelgroepen verschillend en worden ze op een andere basis gerecruteerd. Toch ontken ik niet dat er een probleem is. Enerzijds heeft men te maken met een sociale werkplaats, wat vooralsnog een experiment is dat jaarlijks wordt verlengd. Men pleit ervoor om daar een stevige decretale basis aan te geven. Maar men stelt zich daarnaast ook de vraag of men een eigen decretale regeling nodig heeft voor een doelgroep die om budgettaire redenen niet groter wordt. Is het dan niet beter dat men daarvoor een andere filosofie uitdoktert, zoals mevrouw Ceysens suggereert? Ikzelf heb deze problematiek al aan de orde gesteld tijdens discussies in de Vlaamse regering. Er zijn ter zake dan ook al heel wat denkoefeningen gemaakt, maar door een gebrek aan eensgezindheid heeft men de zaak nog niet afgerond. Ook ik droom van een decreet voor aangepaste arbeid. Maar dat zal niet worden uitgewerkt tenzij zich een heuse trendbreuk in de samenleving zou voordoen. De harde arbeidsmarkt wordt steeds enger en veeleisender. Onze samenleving vertoont een hiërarchische opbouw. De best geplaatste persoon vindt werk in de industriële of aanverwante diensten, daaronder staat hij die in de social profitsector is tewerkgesteld. Nog een trapje lager staan de werknemers in de quaternaire sector. Ten slotte zijn er de mensen die geen werk kunnen vinden en die op één of andere manier moeten worden beschut of beschermd. De ervaring leert dat de verwachtingen voor een grondige verandering van die toestand niet te hoog gespannen mogen zijn.

Op de vraag van mevrouw Ceysens naar een koepeldecreet, kan ik zeggen dat pogingen in die zin worden ondernomen. Daarom mag het decreet van minister Kelchtermans niet de deur sluiten voor een koepeldecreet. Maar ik durf geen definitieve uitspraken te doen over de slaagkansen ervan.

Het omkaderingsbesluit van de beschutte werkplaatsen werd nooit door de sector, noch door het Vlaams Fonds als prioriteit vooropgesteld. Ook hiervan moeten we de budgettaire gevolgen inschatten. Als men een dergelijke omkadering ook wenst voor minder dan honderd werknemers, dan mag die maatschappelijk assistent niet in dienst worden genomen om de productiviteit verder op te drijven. De adviezen van het ontwerp dat ter tafel ligt, dateren van 1992. Die adviezen moeten op zijn minst toch worden geactualiseerd. In de begrotingsvoorstellen hebben we in elk geval middelen opgenomen ten belope van 4,5 miljoen frank. Uiteindelijk zullen we dit moeten bekijken in de globale context van de beschutte werkplaatsen, omdat een grondig debat ter zake wenselijk is. Sommige beschutte werkplaatsen slagen erin reserves op te bouwen, terwijl anderen zich in zware moeilijkheden bevinden. Bepaalde werkplaatsen ontwikkelen goede banden met het bedrijfsleven, terwijl anderen daar niet in slagen.

Het samenwerkingsakkoord waar mevrouw Ceysens in haar derde vraag naar verwijst, werd afgesloten tijdens de vorige zittingsperiode. In mijn enthousiasme om uitvoering te geven aan datgene wat mijn voorgangers hadden voorbereid, heb ik dat samenwerkingsakkoord zo vlug mogelijk op de agenda geplaatst. Mijn medewerkers hebben me er toen op gewezen dat het juridisch geen goed akkoord betrof. Uit een onderzoek bleek inderdaad dat er nood was aan bijkomend overleg. Er waren bijvoorbeeld een aantal tegenstrijdigheden in de memories van toelichting aan Vlaamse en Waalse kant. Bovendien dreigde het financieel uit de hand te lopen omdat de vooropgestelde contingenteringen helemaal niet sluitend bleken te zijn. In het geval van de beschutte werkplaatsen bleek, bijvoorbeeld, dat diegene die moest betalen helemaal geen beslissingsrecht had. Ook de situatie in Brussel bleek niet te zijn geregeld. Nu hebben we een nieuwe nota klaar voor de Vlaamse regering. We hopen die nog voor het reces te agenderen.

De voorzitter : Ik zou erop willen aandringen dat, vooraleer een nieuw samenwerkingsakkoord wordt goedgekeurd, we de bespreking van het ontwerpsamenwerkingsakkoord in de commissie kunnen voeren.

Minister Luc Martens : Er is echt een nieuw akkoord nodig, dat dan in een decreet moet worden omgezet. Het voorliggende voorontwerp van decreet moet worden aangepast aan het advies van de Raad van State. De memories van toelichting van de Vlaamse Gemeenschap en het Waals Gewest moeten op elkaar worden afgestemd. In afwachting moet het Vlaams Fonds de eventuele noodsituaties regelen in samenwerking met zijn Franstalige tegenhanger, l´ Agence Wallone. Dit dient te geschieden in het kader van de autonomie, en naar analogie met bestaande akkoorden met andere landen, waaronder Nederland. Indien nodig moet het koninklijk besluit van 1 oktober 1970 ter zake worden aangepast. Op basis daarvan zullen we met een nieuw dossier naar de regering stappen.

Het akkoord zelf wordt niet aangepast. Het decreet, dat een vertaling van het akkoord moet zijn, moet daarentegen wel worden aangepast. Het samenwerkingsakkoord moet kracht van wet krijgen via een decreet.

De voorzitter : Als u dat dan aan ons voorlegt, kunnen we geen komma meer wijzigen aan het samenwerkingsakkoord.

Minister Luc Martens : Het gaat om de decretale vertaling, die in het Waals Gewest op een andere manier plaatsvindt dan wij zouden willen. Het akkoord is op zichzelf geen decreet.

De voorzitter : Een akkoord moet ook worden goedgekeurd.

Minister Luc Martens : Dat komt nog. Maakt u zich niet ongerust, mevrouw de voorzitter. Het parlement zal zeker zijn rol kunnen spelen. Dat is per definitie zo.

De voorzitter : Als het erop aankomt een samenwerkingsakkoord goed te keuren, gaat het om één artikel uit het decreet. Als dit gebeurt, kunnen we zelfs geen enkele suggestie meer doen over de inhoud. We hebben zoiets in deze commissie al eens meegemaakt naar aanleiding van een samenwerkingsakkoord over het IHE.

Het reglement van het Vlaams Parlement is in dit verband aangepast. Als de Vlaamse regering een samenwerkingsakkoord afsluit, dient ze dit voorafgaandelijk mee te delen aan het parlement.

Minister Luc Martens : Ik wil daar geen afbreuk aan doen. Op het moment dat het samenwerkingsakkoord hier aanbelandt, is er echter een memorie van toelichting aan toegevoegd. Dit heeft geen kracht van wet, maar geeft de wijze aan waarop men de wet moet lezen. Als het akkoord in het andere gewest op een andere manier wordt gelezen, moeten we voor eenduidigheid zorgen.

Ik heb hiermee geantwoord op de vragen van mevrouw Ceysens.

Mijnheer Goos informeerde onder meer naar de opvolging van de aanbevelingen van de rondetafelconferentie. We hebben in die zin een aantal stappen gezet. In verband met de convenanten hebben we erop aangedrongen dat de openbare besturen de regel van 1 gehandicapte op 55 beambten daadwerkelijk zouden toepassen. Men probeert er echter aan te ontsnappen. Men geeft namen op van personen die verkapt gehandicapt zijn, en eigenlijk op een andere manier een beroep kunnen doen op dit stelsel. Het gaat dan niet om de gehandicapten die u met uw vraag voor ogen hebt.

Verder proberen we een aantal streefcijfers te halen. Onlangs heeft de Vlaamse regering de capaciteitsregeling voor de beschutte werkplaatsen goedgekeurd. Het gaat om een capaciteit van 12.500 te subsidiëren werkplaatsen. Dat is een verhoging van 1.300 in vergelijking met de huidige situatie.

Een ander punt is dat in de begroting van dit jaar 150 miljoen frank wordt uitgetrokken voor middelen voor de zwakkere werknemer. Voorlopig kon ik die niet vrijmaken omdat de gemachtigde en de inspectie voor Financiën een soort van veto hebben geformuleerd in opdracht van de minister van Begroting. Hierdoor is de uitvoering voorlopig opgeschort. Ik tracht deze situatie te deblokkeren. De middelen zijn hoe dan ook ingeschreven in de begroting 1996, en zullen opnieuw voorkomen in de onderhandelingen voor de begroting van 1997.

Het verhaal van CAO 43 maakte eveneens deel uit van de twaalf punten. Ook op dat vlak hopen we enige vooruitgang te boeken. Mijnheer Goos, u had het over de arbeidstrajectbegeleiding. Het Vlaams Fonds heeft ons op 8 februari een tekst overgemaakt. Het heeft die op 13 maart zelf gecorrigeerd. De gemachtigde van Financiën heeft vervolgens een aantal bedenkingen geformuleerd met betrekking tot de budgettaire weerslag. Ook de Inspectie van Financiën sloot zich hierbij aan. Het Vlaams Fonds heeft op 10 mei een aantal antwoorden geformuleerd, die de inspectie evenwel niet bleken te bevredigen. Die discussie over de budgettaire haalbaarheid van de arbeidstrajectbegeleiding is momenteel nog aan de gang.

Voor de gehandicapten moeten we in de eerste plaats een globale projectbegeleiding op touw zetten. We moeten opletten dat we niet telkens opnieuw gespecialiseerde diensten oprichten, die de overheid enorm veel geld kosten en slechts een klein rendement hebben. Dat is zelfs van toepassing voor de samenwerkingsverbanden met de diverse CBO´s. We moeten het potentiële rendement van onze eventuele investeringen goed kennen. Dat neemt de noodzaak om inspanningen te doen, niet weg.

Sommige mensen in het Vlaams Fonds willen de zaak forceren en het systeem veralgemenen. Ik wil echter eerst kijken of het functioneert. We moeten evalueren of de investeringen de moeite lonen. Er is in de eerste plaats een systeem van globale trajectbegeleiding nodig. Niet alleen bij de arbeid, maar ook bij vele andere aspecten van het leven, hebben de mensen met een handicap nood aan enige begeleiding.

Als we uit de discussie met de Inspectie van Financiën raken, wil ik dit systeem als experiment uitproberen. Ik ben echter geen voorstander van een veralgemening. Het voortdurend opzetten van nieuwe diensten gaat in tegen de integratiegedachte. Dat heeft u zelf ook zo verwoord. De VDAB heeft een bemiddelingsopdracht. Ze moet die uitoefenen voor iedereen die zich aanmeldt. Iedereen die - in welke omstandigheden ook - in aanmerking komt voor de arbeidsmarkt, moet de nodige steun en bemiddeling kunnen krijgen. Het opzetten van telkens nieuwe hooggespecialiseerde circuits, die zo geïsoleerd werken dat ze de massa niet kunnen bereiken, is funest. De integratiegedachte houdt in dat de gewone diensten zich niet alleen richten op de besten op de markt - wat dat ook moge betekenen -, maar ook op degenen die niet de mogelijkheden hebben die de markt verwacht in het licht van zijn huidige werking.

Een aantal vragen van de heer Goos hadden betrekking op de werkgelegenheidsprogramma´s van de Vlaamse regering. Het gaat om een brede waaier van programma´s. Ik kan ze misschien aan de verslaggevers overhandigen. U zult immers begrijpen dat ik niet alle cijfers uit het hoofd ken. Het gaat om het DAC, om programma´s ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, om werkervaringsprojecten, sociale werkplaatsen, invoegbedrijven, leereilanden, enzovoort. We kunnen telkens aangeven welke spelregels van toepassing zijn, op welke specifieke doelgroep ze zijn gericht en in welke mate we er zicht op hebben. Dat zicht is overigens zeer onvolledig. Het federale niveau is bekend omwille van zijn slechte statistiek. Het is een uitdaging voor Vlaanderen om goede statistieken op te maken. Bij de doorlichting van de jeugdwerkervaringsplannen en de omschakeling naar de eerste werkervaring, bleken de meest rudimentaire gegevens te ontbreken. We konden zelfs nauwelijks zien waar ze werden toegepast, laat staan wie erin was tewerkgesteld. Er is onmiskenbaar een probleem van goed databeheer. Uw vragen zijn terecht, maar ik kan ze niet echt beantwoorden. Het antwoord moet overigens niet van mij komen, maar aangezien we het binnen de regering goed met elkaar kunnen vinden, geef ik een aantal elementen aan.

De centrale vraag in deze vergadering behelst CAO 43. We willen deze zo goed mogelijk naleven. We hebben ons daartoe vanmorgen principieel uitgesproken in het akkoord dat zich federaal aftekent. Dit idee heeft langs tal van werkgroepen, technische comités en interministeriële conferenties gestalte gekregen. Op een bepaald ogenblik is het voornemen ontstaan om het minimuminkomen voor minstens 80 percent te honoreren. Dat is voorgelegd aan de betrokken gemeenschappen en gewesten. De Duitstalige Gemeenschap en het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben zich in principe akkoord verklaard, met dien verstande dat loon moet worden gedefinieerd als elke vorm van inkomen behalve de integratietegemoetkoming en de verhoogde kinderbijslag voor wie jonger is dan 21 jaar. Andere inkomensvervangende gegevens, zoals bijvoorbeeld Riziv-uitkeringen, moeten als inkomsten worden beschouwd. Als men achteraf een RSZ-maatregel wil toepassen op de lage lonen, moet het lage loon zo worden gedefinieerd dat die categorieën erin worden vervat.

Dat principe willen we hanteren, maar we willen er ook het prijskaartje van kennen. Als men het toepast op 80 percent, gaat het volgens sommigen om 500 miljoen frank, waarvan echter achteraf een deel terugkeert ten gevolge van de inspanningen van de federale overheid. Zo kost de operatie netto 350 miljoen frank. Past men het op termijn toe op 100 percent, dan bedraagt het prijskaartje 2,1 miljard frank. Dat bedrag is vandaag niet voorhanden binnen de Vlaamse begroting en zal dat ook morgen niet zijn.

We willen dus eerst de reële kostprijs kennen. In de mate dat we daar zicht op hebben, willen we nagaan hoe een invulling voor 100 percent mogelijk is. Het is niet uit te sluiten dat we dan voor nieuwe keuzes staan. In dat geval kunnen we niet anders dan voor de zwakste werknemer kiezen. Dat is degene die geen enkel ander inkomen heeft, dus degene die noch een integratietegemoetkoming, noch een vervangingsinkomen, noch een Riziv-uitkering geniet. Meestal gaat het om de licht mentaal gehandicapten.

De federale overheid zegt dat ze dit halfweg 1998 zal evalueren. We dringen er echter op aan dat deze evaluatie al op het einde van 1997 zal plaatsvinden. Daarbij moet worden onderzocht of de zwakke werknemer niet het slachtoffer wordt van het hele verhaal, en of de leefbaarheid van de beschutte werkplaatsen niet in het gedrang komt. Door een vroege evaluatie van deze twee punten kunnen de bijsturingen die eventueel nodig zijn, op tijd worden uitgevoerd.

Als aanvangsdatum van de CAO is 1 januari 1997 vooropgesteld. Mijnheer Vandendriessche, zoals u ook weet, zal het federale parlement bij de huidige discussie wellicht nog een amendement indienen, waardoor de invoering gefaseerd kan geschieden. Ik ben daar niet verbitterd over. Op zichzelf gaat het niet om een recente CAO. Die wordt echter uitgebreid naar een nieuw paritair comité dat is opgericht in 1993. Dat comité heeft weinig ervaring. Werkgevers en werknemers willen hier iets aan doen. De doelstelling is terecht, want iedereen heeft recht op een bestaansminimum, of hij nu gehandicapt is of niet. Dat zal niemand betwisten. Men kan over dit akkoord echter niet onderhandelen zonder rekening te houden met de derde partij, met name de overheid, die het geheel moet betalen. Ik deel de visie van de heer Vandendriessche dat alle betrokkenen moeten worden geresponsabiliseerd. De overheid kan niet blind honoreren wat zonder haar is afgesproken.

De voorzitter : De heer Cardoen heeft het woord.

De heer Georges Cardoen : Mijnheer de minister, u hebt mijn vraag niet beantwoord.

Minister Luc Martens : Mijnheer Cardoen, ik zal in die zin blijven aandringen bij de gemeentebesturen. Ik zie een bepaald profiel van mensen waar ze nu al een beroep op kunnen doen. Niemand belet hen dat.

De heer Georges Cardoen : Er zijn inderdaad een aantal gemeenten die dat doen. Als men dit echter afhankelijk maakt van de wil of onwil van een schepencollege, zal in bepaalde gemeenten erg weinig gebeuren.

Minister Luc Martens : U pleit dus voor dwingende maatregelen?

De heer Georges Cardoen : Inderdaad.

Minister Luc Martens : Er bestaat al een zekere dwang.

De voorzitter : Mevrouw Van Cleuvenbergen heeft het woord.

Mevrouw Riet Van Cleuvenbergen : Mijnheer de minister, ik kom even terug op de Centra voor Gespecialiseerde Oriëntering. U zei dat het om experimenten ging.

Minister Luc Martens : Neen, dat zei ik over de arbeidsprojectbegeleiding. Voor de Centra voor Gespecialiseerde Voorlichting bij de Beroepskeuze is 23,8 miljoen frank begroot. Er is voorzien in één psychodiagnosticus per STC. Het is de bedoeling om die in te schakelen in de arbeidstrajectbegeleiding, die nauwer moeten samenwerken met deze CGO´s.

De voorzitter : Mevrouw Avontroodt heeft het woord.

Mevrouw Yolande Avontroodt : Mijnheer de minister, ik hoop dat bij de toepassing van de CAO 43, het niet zo zal zijn dat wat de ene hand heeft gegeven, met de andere hand wordt teruggenomen.

Minister Luc Martens : Wat zit er in de ene hand en wat in de andere?

Mevrouw Yolande Avontroodt : Dat vraag ik aan u. Waar denkt u de middelen te halen?

U zegt dat u erover zult waken dat de werking van de beschermde werkplaatsen niet in het gedrang zal komen. U wilt die middelen nochtans uit de dotatie van het Vlaams Fonds halen.

Minister Luc Martens : In de begroting voor 1996 is 150 miljoen frank ingeschreven voor zwakke werknemers. De vraag is alleen hoe dit gereserveerde bedrag ook gestructureerd kan worden gehanteerd. In welke mate kunnen we dit recurrent hanteren?

Als we het nu niet kunnen hanteren, moeten we proberen om het volgend jaar bijkomend aan te wenden. Het gaat immers pas in op 1 januari 1997.

Het gedeelte van uw vraag over de ene en de andere hand klonk haast evangelisch. Ik moet dus op mijn hoede zijn, want in de politiek denkt men meestal in drie lagen, terwijl ik nogal simpel ben en slechts in één laag denk. Ik probeer dus door te dringen tot de volgende laag.

Het zou kunnen dat de federale overheid van plan is om, in de mate dat we de inkomens van onze gehandicapten aan het bestaansminimum aanpassen, deze mensen bepaalde tegemoetkomingen ontzeggen. Die vraag is terecht aan de orde. Ze kan echter nog niet worden beantwoord. We zijn in principe akkoord om mee te werken aan norm van 80-percent. De modaliteiten en de plannen van de federale regering zijn zelfs voor mij niet altijd duidelijk.

De vraag is in welke zin het hier om een substantiële bijdrage gaat. De maatregel bestaat in feite al voor alle sectoren, behalve de beschutte werkplaatsen. We moeten op onze hoede zijn.

Mevrouw Yolande Avontroodt : Ik krijg dus toch een evangelisch antwoord.

Met redenen omklede motie

De voorzitter : Door de heer Vandendriessche werd tot besluit van deze interpellatie een met redenen omklede motie aangekondigd. Ze moet uiterlijk 24 uur na sluiting van de vergadering zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover tijdens een volgende plenaire vergadering uitspreken.

Het incident is gesloten.



Zoekresultaten van 31 juli 2014, 03:17