printlogo Vlaams Parlement
Plenaire middagvergadering nummer 10 van 17 november 2010:
Handelingen Plenaire Vergadering van 17 november 2010

Actualiteitsdebat over de watersnood tijdens het weekend van 13 en 14 november 2010 en het beleid van de Vlaamse Regering inzake waterbeheer

< vorig item Overzicht volgend item >

De voorzitter:

Dames en heren, het debat is geopend.

De heer Martens heeft het woord.

De heer Bart Martens:

Voorzitter, beste leden van de regering, collega’s, wat we de laatste dagen aan watersnood in Vlaanderen hebben gezien, is voor een deel de kroniek van een aangekondigde overstroming. Ik denk dat de watersnood van de afgelopen dagen voor een deel het gevolg is van een fout beleid op het vlak van de ruimtelijke ordening in het verleden, waarbij rivieren werden ingesnoerd, winterbeddingen werden bebouwd, waterzieke gronden werden opgehoogd en we een enorme toename hebben gezien van de verharde oppervlakte, samen met inbuizingen van grachten, die ervoor gezorgd hebben dat de bodem zijn sponsfunctie verliest, dat water niet meer kan infiltreren in de bodem en versneld wordt afgevoerd naar rivieren, waar het voor enorme piekbelastingen en overstromingen zorgt. Het zijn niet langer de overstromingsgebieden, de winterbeddingen, de natuurgebieden die overstromen, maar, spijtig genoeg, de kelders en de woonkamers van de gezinnen.

Wat we de laatste dagen hebben gezien, zal ook niet zo uitzonderlijk zijn in de toekomst als we geen bijkomende maatregelen nemen, wel integendeel. De klimaatopwarming maakt de inzet van het waterbeheer alleen maar groter. Volgens professor Patrick Willems van de K.U.Leuven heeft Vlaanderen 20 tot 30 percent bijkomende buffervoorzieningen nodig om de gevolgen van de klimaatopwarming aan te kunnen. Als we niets doen, als we blijven zitten met het beleid van vandaag, dan, zo zegt hij, zullen rioleringen en bijhorende bergings- en infiltratievoorzieningen gemiddeld tweemaal zo vaak overlopen. We moeten dus echt inzetten op meer ruimte voor water. In onze bekkenbeheersplannen zitten voor meer dan 600 hectare bijkomende overstromingsgebieden. We moeten die realiseren. Vlaanderen moet bij de les blijven als het gaat om de realisatie van het geactualiseerde Sigmaplan, met het Zeescheldebekken en de aansluitende rivieren van Nete, Dijle, Durme, om de mensen die aan die bekkens wonen, droge voeten te garanderen.

We vragen dus, beste leden van de regering, dat de regering zich daar niet aanzet met slepende voeten, maar dat alles wat geprogrammeerd was op het vlak van bijkomende overstromingsgebieden, ook effectief wordt gerealiseerd. We denken ten andere dat de aanbevelingen die we met onze parlementaire commissie Versnelling Maatschappelijk Belangrijke Investeringsprojecten hebben gedaan aan de regering, ook ten volle in deze problematiek moeten worden ingezet. We weten dat er op het vlak van onteigeningen een flessenhals is bij de federale comités van aankoop, die maken dat de realisatie van overstromingsgebieden, van waterbekkens jarenlang kan aanslepen. We hebben hier de suggestie gedaan om erkende landmeters in te schakelen om ervoor te zorgen dat die dossiers sneller vooruit gaan, dat die doorlooptijd serieus kan worden ingekort.

We vragen ook aan minister Muyters de reanimatie van het Rubiconfonds. U weet dat we het Rubiconfonds een warm hart toedragen. Minister, vorig jaar hebben we bij de begrotingsbespreking de alarmbel geluid omdat we toen merkten dat er geen middelen, geen kredieten in dat fonds waren ingeschreven. U hebt dat toen gecorrigeerd via een begrotingscontrole, waarvoor onze uitdrukkelijke dank. We weten nu ook dat het Rubiconfonds gevoed zal worden met de opbrengsten van de planbatenvergoeding. Het zou toch jammer zijn als dat geld niet zou worden uitgegeven. Vele lokale besturen, vele gemeenten en provinciebesturen hebben heel concrete projectvoorstellen om het water beter te beheersen, om bijkomende waterkeringen, waterbuffers, waterbekkens, overstromingsgebieden te kunnen aanleggen. We zouden het, gelet op de miserie die heel veel mensen de laatste dagen hebben meegemaakt, doodjammer vinden indien die middelen uit het Rubiconfonds niet uitgegeven zouden kunnen worden.

We stellen alleen maar vast dat 2010 het eerste jaar is geweest waarin geen projectoproep is gebeurd aan de lokale besturen. In 2007, 2008 en 2009 is dat wel gebeurd. We denken, minister, dat dit in de toekomst elk jaar opnieuw moet gebeuren.

Uiteraard moet Vlaanderen ook werk maken van de stedenbouwkundige verordening over een betere buffering bij regenwater dat valt op nieuwe verharde oppervlakte. De rioolsector, meer bepaald het overlegplatform en kenniscentrum voor riolerings- en afvalwaterzuiveringssector in Vlaanderen of VLARIO, heeft daar samen met de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten al 2 jaar geleden een voorstel voor opgemaakt, maar dat ligt spijtig genoeg stof te vergaren. Meer inzetten op plaatselijke buffering en infiltratie van regenwater kan ook veel ellende in de toekomst voorkomen.

Ten slotte moeten we heel dringend werk maken van de hervorming van de watersector. Er zijn heel veel structuren en instellingen die vandaag bevoegd zijn voor waterbeheer. Alleen al op het vlak van de bevaarbare waterlopen hebben we twee instellingen, NV Waterwegen en Zeekanaal en de NV Scheepvaart. Voor de onbevaarbare waterlopen zijn vier instanties bevoegd: het Vlaams Gewest, de provincies, de gemeenten en de Vereniging van Vlaamse Polders en Waterringen. Dat is voor ons een beetje van het goede te veel. Straks wordt iedereen betrokken, maar is niemand nog verantwoordelijk. (Applaus bij sp. a)

De voorzitter:

Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters:

Ik heb de indruk dat er een misvatting bestaat over het Rubiconfonds. Als er planbaten zijn, zullen ze gebruikt worden voor het fonds zoals ze voorzien zijn. De opbrengsten van het Rubiconfonds situeren zich vooral vanaf 2012. Er is een vrij geringe instroom van planbaten voorzien in 2011. In het verleden heeft de regering beslist om een aantal jaren in een dotatie te voorzien vanuit de algemene middelen naar het Rubiconfonds. Daarin is niet langer voorzien, maar we blijven de engagementen uit het verleden honoreren.

Het is dus niet zo dat we het Rubiconfonds op nul zetten. Als er planbaten zijn, kunnen die ingezet worden. De engagementen uit het verleden blijven gehonoreerd, maar vanuit de algemene dotatie is er op dit moment geen middelenstroom naar het Rubiconfonds.

De voorzitter:

De heer Gatz heeft het woord.

De heer Sven Gatz:

Dat was een heel technische uitleg om de politieke stelling van de heer Martens te bevestigen. Er is namelijk geen geld in het Rubiconfonds. Zegt u dat dan meteen. U moet er voor mij zo ‘geen pansjkes aan hangen’.

De voorzitter:

De minister-president heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters:

Ik waardeer de bijdrage van de heer Martens zeer.

Mijnheer Gatz, u weet zeer goed dat er drie financieringsbronnen waren voor het Rubiconfonds: de middelen uit de begroting, de planbatenheffing waar minister Muyters naar verwijst en de inkomsten uit eigen activiteiten. Het gaat alleen maar over het eerste, en we zullen zien hoe we het verder aanpakken.

Wat het laatste betreft, mijnheer Martens, vind ik het toch heel belangrijk om te onderstrepen dat heel veel mensen tijdens het weekend 48 uur en zelfs langer in de weer zijn geweest op de verschillende niveaus, namelijk op het gemeentelijke, provinciale, Vlaamse en federale niveau. Ik kan niet verstaan dat sommigen zeggen dat er een versnippering is en dat anderen zelfs zeggen dat er niet goed gecommuniceerd is. Ik heb gisterenavond zelf met minister-president Rudy Demotte contact opgenomen om tekst en uitleg te vragen over een aantal uitlatingen die hij al dan niet heeft gedaan. Ik wil hierover absoluut geen communautaire discussie voeren. Wat blijkt? Rudy Demotte heeft wel een tussenkomst gedaan om de overloop van de Zenne in het kanaal mogelijk te maken. Dat is geweigerd omdat anders Halle onder water zou staan.

Ik denk dat het toch heel belangrijk is dat de coördinatie tussen de verschillende niveaus goed is verlopen en dat we er alleen maar voor moeten zorgen dat dit in de toekomst nog kan verbeteren en minstens op hetzelfde niveau blijft. Minister Crevits heeft daarover al een aantal afspraken gemaakt. Met respect voor ieders bevoegdheid moeten we erkennen dat alles vrij behoorlijk is verlopen in moeilijke omstandigheden.

De voorzitter:

Mevrouw Rombouts, heel kort alstublieft.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Ik zal dan geen analyse doen van wie welke uitspraak heeft gedaan, voorzitter, maar we zitten hier in een debat, en dan denk ik dat ik het recht heb om op bepaalde opmerkingen te reageren.

De voorzitter:

Ik heb u dat recht gegeven. Ik vraag alleen om het kort te houden.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Ik wil kort even reageren op de stelling van de heer Gatz. Volgens Open Vld is er geen geld in het Rubiconfonds. Ik heb ook kunnen lezen dat Open Vld ervan uitgaat dat het volledige waterbeleid gefinancierd zal worden via het Rubiconfonds. Dat is namelijk het enige waar zij hun aandacht op vestigen. Als ik dan zie op welke manier het Rubiconfonds in het verleden was gevuld, en als we moeten nadenken over welke maatregelen er allemaal moeten worden genomen, stel ik mij de vraag of het rechtvaardig is om alleen naar het Rubiconfonds te kijken. Dat wil niet zeggen dat ik niet naar het Rubiconfonds kijk. Integendeel. Maar de stelling dat het Rubiconfonds er is en dat er niets gebeurt qua waterbeleid, vind ik iets te kort door de bocht.

Als er inderdaad beperkte middelen in dat Rubiconfonds komen, stel ik mij de vraag op welke manier we die dan effectief gaan besteden. Er moet zeker een goede denkoefening gebeuren over de manier waarop we die beperkte middelen zouden inzetten en voor welke precieze projecten.

De voorzitter:

Mevrouw De Vits heeft het woord.

Mevrouw Mia De Vits:

We moeten hier zeker geen communautaire discussie over beginnen, maar ik lees toch ook dat minister Demotte zegt dat er verschillende inschattingen geweest zijn over het al of niet openzetten van het sas in Lembeek. Ik heb ook uw verklaring gelezen, minister-president, waarin u zegt dat we naar een beter beheer van sassen en sluizen moeten gaan. Ik hoop dat we straks in uw betoog wat meer zullen vernemen over hoe dat precies in zijn werk zal gaan.

De heer Bart Martens:

Wat het Rubiconfonds betreft, minister Muyters, is het inderdaad zo dat de planbatenvergoeding voor bijkomende inkomsten gaat zorgen. We kunnen discussiëren over wanneer en hoeveel dat zal zijn. Maar om dat geld te kunnen uitgeven, moeten we in onze begroting ordonnancerings- en vastleggingskredieten inschrijven. Die zitten er voorlopig niet in. Onze vraag is dat u in 2011 een nieuwe oproep tot de gemeentebesturen lanceert voor projecten vanaf 2012, wanneer er nieuwe middelen in het fonds voorhanden zullen zijn om die te kunnen financieren.

De minister-president had een opmerking over versnippering en coördinatie. Ik heb, voor alle duidelijkheid, niet gezegd dat er iemand verkeerd gecommuniceerd heeft. Ik heb ook niet gezegd dat de coördinatie slecht is verlopen. Onze gouverneurs hebben daar een schitterende rol gespeeld. Maar het is toch te gek dat we in Vlaanderen alleen maar op het vlak van overstromingsvoorspellingen en waterpeilbeheer twee instanties hebben: de Vlaamse Milieumaatschappij enerzijds en het Hydrologisch Informatiecentrum anderzijds, voor respectievelijk de onbevaarbare en de bevaarbare waterlopen. Mensen moeten zelf maar uitzoeken of ze in het bekken van een bevaarbare of een onbevaarbare waterloop wonen om te weten of ze op de website overstromingsvoorspeller.be of op waterstanden.be moeten gaan zoeken. Meer eenvormigheid zou daar voor een efficiëntere inzet van mensen kunnen zorgen en voor een duidelijker communicatiebeleid ten aanzien van de burger.

Ik zou zeggen: Vlaamse Regering, blijf niet bij de zandzakjes zitten en sla de hand aan de ploeg.

De voorzitter:

De heer Dewinter heeft het woord.

De heer Filip Dewinter:

Voorzitter, ik wil geen inhoudelijke opmerking maken. Ik vind wel dat de minister-president – en ook andere ministers bezondigen zich daaraan in andere actualiteitsdebatten – hopeloos voor zijn beurt spreekt. Daarmee hypothekeert hij het debat en maakt hij het zelfs voor een stuk onmogelijk. Dat is een slechte gewoonte geworden waarmee de regering een schot voor de boeg geeft voor alle sprekers van de oppositie en de meerderheid. In dit geval is dat zeker zo.

De minister-president buigt iedere kritiek op zijn beleid om tot een kritiek aan het adres van de hulpverleners. Die mensen hebben schitterend werk geleverd. Niemand betwist dat. Wij zijn hier echter om het beleid te evalueren. Het kan niet de bedoeling zijn om de hulpverleners als een soort alibi te gebruiken en misbruiken, en elke vorm van kritiek op het beleid te accapareren en af te doen als een kritiek op de hulpverleners. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Minister-president Kris Peeters:

Ik kan ook binnen 2 uur terugkomen!

De heer Filip Dewinter:

Waarom misbruikt u vanaf het begin die hulpverleners die schitterend werk hebben geleverd?

De voorzitter:

Dames en heren, het is de bedoeling om eerst naar de standpunten van de fracties te luisteren en vervolgens naar die van de regering. U kunt de discussie ook volgen in het Koffiehuis. Maar ik denk niet, minister-president, dat dit de bedoeling is.

De heer Sanctorum heeft het woord.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde:

Minister-president, ik schrik toch wel even als u zegt dat u eventueel 2 uur later kunt komen. Het is ook de bedoeling dat u luistert naar onze opmerkingen vanuit het Vlaams Parlement en dat u op basis daarvan een evaluatie maakt van uw beleid. (Applaus bij de oppositie)

Enkele jaren geleden verscheen een studie over het aantal zware overstromingen in ons land in de periode tussen 1970 en 2006. In de jaren 70 was er een enkele zware overstroming in ons land. In de jaren 80 waren dat er twee. In de jaren 90 waren er vier. Vanaf 2000 tot 2006 waren er zes zware overstromingen in ons land. De teller voor dit decennium is beginnen te lopen met de zeer zware overstromingen van de afgelopen dagen.

Overstromingen maken het merendeel uit van de natuurrampen in België. Uit cijfers van het Rampenfonds blijkt dat tien natuurrampen in een jaar tijd geen uitzondering meer zijn. In de jaren 90 lag het maximum nog op drie. Zullen we moeten leren leven met een grotere dreiging voor overstromingen? Natuurlijk, maar het is aan ons, de politici, om een beleid uit te stippelen zodat het risico voor overstromingen daalt. En dat miste ik de voorbije dagen in de communicatie, en dan zeker de eerste communicatie van de Vlaamse Regering.

De communicatie is natuurlijk niet zo essentieel als de inhoud van het beleid. De theorie voor een goed waterbeleid wordt onderschreven door de Vlaamse Regering, namelijk eerst zo veel mogelijk water vasthouden, dan pas water bergen, en als het niet anders kan water afvoeren. En er worden plannen opgesteld in Vlaanderen, veel plannen. En er worden ook plannen aangekondigd en uitgesteld. Soms lijkt het wel een aankondigingsbeleid van plannen. Zo wordt bijvoorbeeld al jaren gepraat over het klimaatadaptatieplan, maar het komt er pas in 2012 – en dan spreken we nog niet over de uitvoering ervan.

Het is echter de praktijk die telt, meer bepaald wat er daadwerkelijk gebeurt op het veld en het geld dat we opzijzetten en opzijgezet hebben om een waterbeleid te voeren.

Het zijn geen gemakkelijke tijden voor de overheid. Waar men kans ziet om te besparen, daar bespaart men. Maar zo komen de prioriteiten naar boven drijven. Vorig jaar werd geen nieuwe dotatie uitgetrokken voor het Rubiconfonds dat in geld voorzag voor projecten om waterschade te herstellen en overstromingen te vermijden. Dit jaar werd ook niet in een dotatie voorzien. Nochtans was die dotatie noodzakelijk. Ook op andere posten voor waterbeleid wordt in deze begroting sterk beknibbeld. Men dacht immers dat het niet zo belangrijk was, dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen.

Dit blijkt een foute analyse te zijn. We zullen in de toekomst meer geld moeten uittrekken voor de inrichting van overstromingsgebieden, wachtbekkens en dergelijke.

In het buitenland, bijvoorbeeld in Nederland, wordt water- en klimaatbeleid steeds meer als een economische opportuniteit beschouwd. We zullen ook in die richting moeten kijken. Het bouwen van waterbewuste en klimaatrobuuste gebouwen wordt allicht een van de economische topsectoren van de toekomst.

Het gaat niet enkel om de middelen om een waterbeleid te voeren. Ook de regelgeving is belangrijk. We moeten op dit vlak eerlijk zijn. Ten gevolge van de in het verleden gevoerde laissez-fairepolitiek inzake de ruimtelijke ordening draagt de overheid een immense historische verantwoordelijkheid. We betalen daar vandaag een zeer hoge prijs voor.

De regelgeving is op dit ogenblik nog niet optimaal. De watertoets, die de voorbije dagen meermaals is aangehaald, blijkt nog te vrijblijvend. Er worden nog steeds huizen in overstromingsgevoelige gebieden gebouwd. De watertoets moet dan ook zwaarder doorwegen en bindend worden.

De Vlaamse overheid gaat ook niet vrijuit. De Vlaamse overheid start grote woonprojecten en legt bedrijventerreinen en grote wegen aan op plaatsen waarvan we op voorhand weten dat er wateroverlast kan ontstaan.

Een groot gedeelte van Vlaanderen wordt door wegen, gebouwen en dergelijke bedekt. Dat zal niet gauw veranderen. Deze realiteit heeft een grote impact op het overstromingsrisico. We kunnen er niet voor zorgen dat het ophoudt met regenen. We kunnen echter wel grotendeels bepalen hoe we het regenwater opvangen. We moeten meer inzetten op de opvang van regenwater voor gebruik en infiltratie op eigen terreinen.

Daarnaast moeten we ook werk durven maken van een ontharding van Vlaanderen. De voorbije decennia is massaal gebruik gemaakt van asfalt en beton. We zullen steeds meer andere, waterdoorlatende materialen moeten gebruiken. Ik geef een eenvoudig voorbeeld. Onlangs heeft de commissie Energie Freiburg bezocht. Daar rijdt de tram over een grasbedding. In Vlaanderen is dat voorlopig nog sciencefiction.

We moeten werk maken van een betere integratie van het hele waterbeleid. We moeten een minister aanduiden die het waterbeleid duidelijk kan trekken en coördineren. Op die manier moet het mogelijk worden een ondubbelzinnig beleid te voeren. De verantwoordelijkheid moet bij één enkele minister liggen. We moeten in de toekomst meer aandacht aan het waterbeleid schenken.

Vanwege de woelige geschiedenis, is iedereen in Nederland erg gevoelig voor water. Afgelopen weekend zijn in Nederland discussies gevoerd over de vraag waarom Vlaanderen zo het slachtoffer van de regen is geworden. Om overstromingen in de toekomst maximaal te vermijden, moeten we in Vlaanderen een gelijkaardige sense of urgency opbouwen. (Applaus bij Groen!)

De voorzitter:

De heer Sabbe heeft het woord.

De heer Ivan Sabbe:

Voorzitter, ik richt me hier tot alle leden van de Vlaamse Regering. Dit is immers de verantwoordelijkheid van iedereen.

Ik herinner me dat ik als kind in 1976 naar de televisie keek. We zagen toen beelden uit Ruisbroek. Iedereen zei dat dit nooit meer mocht gebeuren. In Nederland hebben ze dat in de jaren 50 ook gezegd. In Nederland is het nooit meer gebeurd. Daar is gehandeld.

Ik heb de minister-president al vaak om meer actie gevraagd. Hij zou naar een groter Bruce Willis-gehalte moeten streven. Eens te meer moet ik die woorden hier herhalen. Het is immers opnieuw gebeurd. Meer dan 4000 gezinnen zijn met de ellende geconfronteerd. Tot overmaat van ramp is zelfs een dodelijk slachtoffer gevallen.

In feite heeft de voltallige Vlaamse Regering enorm veel geluk gehad. Het heeft welgeteld 2,5 dagen onophoudelijk geregend. De mensen van CD&V kennen ongetwijfeld het verhaal van Noë. Toen heeft het 7 dagen geregend. Dat het enkel om 2,5 dagen gaat, betekent dat de Vlaamse Regering, allicht door dezelfde instantie, van meer dagen regenval is gevrijwaard gebleven. Hierdoor is de ellende tot een minimum beperkt.

Als het 2,5 dagen regent, staat Vlaanderen op zijn kop. Dit is het bewijs van het goed beleid dat hier wordt gevoerd. Wat we zelf doen, doen we beter. Dit is het resultaat.

Welnu, er is een overstromingsvoorspeller. Dat is fantastisch. Er is een voorspeller die zegt dat u tegen een muur gaat rijden, en u rijdt tegen een muur. Een overstromingsvoorspeller zegt dat het zal onderlopen, en het loopt onder. Minister Schauvliege, die ik heb kunnen bewonderen in Terzake, zegt: onze overstromingsvoorspeller heeft dat fantastisch voorspeld. Bravo, hij heeft het fantastisch voorspeld! Ze heeft dat in een opiniestuk nog een beetje genuanceerd. Daarom wil ik haar citeren. Ze zegt dat deze extreme situaties waarschijnlijk nooit kunnen worden voorkomen en dat overstromingen natuurlijke fenomenen zijn die er altijd zullen zijn.

Wel, minister, ik ben blij dat uw collega in Nederland dat niet heeft gezegd, want ik denk dat de Nederlanders op een heel andere manier zouden reageren. U zou nooit ofte nimmer een dergelijke uitspraak kunnen doen in de Nederlandse politiek, want daar zijn de burgers gewoon dat de overheid tot actie overgaat.

Wij hebben het gemakkelijk en ik ben persoonlijk heel blij dat ik niet getroffen ben door die ellende, als je de beelden ziet en weet wat waterschade is, niet van zuiver water maar van vervuild water, wat de consequenties daarvan zijn voor de burgers, de ellende met de verzekering en de discussie of men valt onder het Rampenfonds of niet. In West-Vlaanderen bijvoorbeeld hebben de landbouwers veel schade geleden, maar er is die bewuste 2 dagen geen 60 liter regen gevallen, maar minder. Ze komen dus niet in aanmerking. Dat zijn allemaal zaken waarbij we verwachten van de Vlaamse Regering dat ze voorzieningen treft. Mieux vaut prévoir que guérir, beter voorzien dan genezen. Deze fatalistische houding is absoluut niet op zijn plaats en deze uitdrukkingen evenmin.

Als alles opnieuw droog zal zijn, zullen we alles gauw vergeten zijn, daarom is het initiatief van onze fractieleider en van Groen! en Open Vld een uitstekend initiatief om ervoor te zorgen dat dit niet vergeten geraakt. Als het straks allemaal weer droog is, mogen we niet zeggen dat het even ellende was, zodat we binnen 2 jaar weer met dezelfde problematiek worden geconfronteerd.

De bekkenbeheersplannen zijn er maar de uitvoering ervan loopt achterop, zoals al is aangehaald door de heer Martens. Minister Muyters heeft in 2010 de geldkraan voor het Rubiconfonds dichtgedraaid, met de gevolgen die we kennen. Dat is onverantwoord want dit behoort tot de kerntaken van de overheid. Minister, ik zie u met een winkelnota en met een draak van een ontwerp van decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling waar de sector geen boodschap aan heeft. Daar hebben we wel allemaal tijd voor, maar voor deze essentiële taken hebben we geen tijd. Het is dringend tijd dat deze regering de prioriteiten legt op de kerntaken die van een overheid worden verwacht.

Een volgend punt zijn de grachten en beken. Zoals vele burgemeesters hebben gezegd, zijn er grachten en beken onder provinciale verantwoordelijkheid en onder gemeentelijke verantwoordelijkheid. Dan hebben we nog het Vlaamse Gewest en de fantastische opdeling tussen de onbevaarbare waterwegen en de bevaarbare waterwegen. Professoren stellen vast dat bijvoorbeeld de Dender op bepaalde plaatsen maar anderhalve meter diep meer is. Minister Crevits komt dan zeggen dat het zal worden opgelost met schotten, want dat de diepte er niets mee te maken heeft. Sorry, de zuivere wetenschap en wiskunde zegt dat als een bad 1,5 meter diep is… (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Sorry, maar voor de opvangcapaciteit van een rivier is de diepte ook bepalend. U mag zeggen wat u wilt, die schotten zijn effectief een hulpmiddel, maar de diepte en de regelmatige uitdieping van deze evacuatiewegen zijn essentieel.

Mevrouw Mia De Vits:

De heer Sabbe heeft het even gehad over de grachten. Ik kom uit een plattelandsgemeente en kan zeggen dat in heel wat gemeenten het onderhoud van de grachten ronduit slecht is of niet gebeurt. We zouden best eens gaan kijken naar wat in Nederland gebeurt. Daar is er controle. Er wordt van bovenaf nagegaan of er wel degelijk onderhoud van de grachten gebeurt. Er worden sancties opgelegd als dat niet gebeurt. Ik pleit niet voor een nieuw bestuursniveau, maar het is belangrijk dat daar iets aan gebeurt.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Ik vind het belangrijk dat we gaan nadenken over hoe het waterbeleid aangestuurd en gecoördineerd moet worden. Er zijn inderdaad bezorgdheden over de manier waarop bepaalde systemen of instellingen op elkaar moeten worden afgestemd.

Ik vind het echter veel te kort door de bocht om te zeggen dat de gemeenten geen aandacht hebben voor het ruimen van hun grachten of andere waterlopen. Ik moet vaststellen dat hoe dichter men bij de mensen zit en men effectief wordt geconfronteerd met de gevolgen van een slechte afwatering of van wateroverlast, hoe effectiever men optreedt.

De gemeenten volgen dat echt wel op. Ik hoop dat we nu niet op een drafje beslissingen gaan nemen betreffende de aansturing. De aansturing mag niet gebeuren vanuit negatieve voorbeelden of ervaringen. Ze moet gefundeerd worden gevoerd met het oog op een algemeen goed waterbeleid. We kunnen niet op korte termijn beslissen welke richting of coördinatie we moeten volgen.

Mevrouw Mia De Vits:

Mevrouw Rombouts, ik stel voor dat u eens een plattelandsgemeente bezoekt. (Gelach bij CD&V)

Kom eens kijken hoe dat onderhoud gebeurt. Het gaat hier niet over oppositie tegenover meerderheid. We moeten allemaal samen zoeken welke stappen er verder kunnen worden gezet om tot een beter waterbeleid te komen.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Mijn oproep is net om niet alleen vanuit de eigen achtertuin te reageren. Het gaat daar blijkbaar slecht. Ik vraag juist om andere voorbeelden te bekijken. Ik heb echt wel kennis van de situatie in plattelandsgemeenten. Er wordt wellicht op verschillende manieren gewerkt, maar ik vraag u verder te kijken dan het geval waar u het over hebt. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde:

Ik heb een technische bemerking. De ruiming van waterlopen is belangrijk. We moeten daar echter voorzichtig mee zijn, want soms zorgt de ruiming juist voor nog grotere problemen. Het water stroomt daardoor immers sneller en overstroomt de lagergelegen gebieden bij overstromingen. We moeten daar aandacht voor hebben, maar ruiming alleen is niet de oplossing.

De heer Ivan Sabbe:

Het gebeurt zelden, maar nu ben ik het roerend eens met mevrouw De Vits.

Mijnheer Sanctorum, dat is gedeeltelijk werkelijkheid. Dat betekent dat we ervoor moeten zorgen dat er geen obstructies zijn, zodat het systeem kan functioneren. Dat is een verschil. U zegt dat het geleidelijk aan moet gebeuren, en men de grachten en beken niet superbreed moet maken. Maar men heeft er wel nood aan om de evacuatie mogelijk te maken op het moment dat die nodig is.

Inzake het bufferen verwijs ik naar het overlegplatform en kenniscentrum voor de riolerings- en afvalwaterzuiveringssector in Vlaanderen. Daar stelt men voor om het regenwater op te vangen en te houden op de plaats waar het valt. VLARIO vraagt een aanpassing van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor hemelwater. Daar moeten we dringend werk van maken. Dat kan veel helpen om de huidige waterellende te voorkomen.

De watertoets is een goed instrument, maar kan ook proactief zijn. Als een woonuitbreidingsgebied op de grens ligt, kan men in de watertoets voorstellen dat de woningen een gevrijwaarde zone krijgen van ongeveer 1 meter zodat ze niet onmiddellijk het slachtoffer worden.

Vlaanderen bewijst eens te meer dat we door de opsplitsing van alle bevoegdheden niet komen tot concrete actie. We zeggen al langer dat de provincies moeten worden afgeschaft. We hebben de steden en de gemeenten. We hebben minister Schauvliege die zwemt, zij is bevoegd voor de onbevaarbare waterlopen. We hebben minister Crevits die vaart met een bootje, zij is bevoegd voor de bevaarbare. We hebben zoveel verschillende beleidsniveaus dat we niet meer komen tot de kerntaken. De concrete maatregelen bestaan wel in planvorm maar worden niet uitgevoerd. Eens te meer is het tijd om iets te doen. Het mag niet vergeten raken als het straks weer droog is. We mogen niet denken dat dit een probleem is voor morgen of overmorgen. Nee! Er moet nu preventief worden gewerkt zodat we dit in de toekomst vermijden. (Applaus bij LDD)

De voorzitter:

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Dit is een heel breed debat. 7 minuten is dan ook heel kort. Ik zal toch proberen mij daaraan te houden.

De klimaatsveranderingen hebben een enorme impact op de weersomstandigheden. We zijn dit weekend met de neus op de feiten gedrukt. Ook Vlaanderen ontsnapt hier spijtig genoeg niet aan, met alle dramatische gevolgen van dien voor duizenden mensen en hun woningen. Het waren ellendige taferelen: in de huiskamer tot aan de knieën in het water, bij lage temperaturen, gure wind en invallende duisternis. Je droom, je knusse huisje, zien verwoesten, is aangrijpend. Een geliefde verliezen in de waterellende is hartbrekend.

De weersomstandigheden van dit weekend waren misschien ongewoon maar we moeten ons ervan bewust zijn dat dergelijke weersomstandigheden zich door toedoen van klimaatsveranderingen inderdaad meer en meer dreigen voor te doen. Het wordt dan ook zaak om ons maximaal te wapenen zodat we in de toekomst dergelijke rampen maximaal kunnen vermijden.

Op het risico af cynisch te lijken of de getroffen mensen te affronteren, moeten we wat dit weekend gebeurde aangrijpen als leerschool voor de toekomst. Een duidelijke risicoanalyse en kritische evaluatie van de ontwikkelde instrumenten zijn onontbeerlijk. De voorbije jaren werden immers heel wat inspanningen geleverd, die dit weekend ook overduidelijk hun vruchten afwierpen. Zie maar naar het effectief beheerde bufferbekken van Egenhoven, dat Leuven heeft gevrijwaard, en het Schulenmeer op de Demer, dat Diest en Aarschot heeft gevrijwaard. Ook enkele gebieden die vroeger aangeduid waren als woongebied maar niet slaagden voor de watertoets, stonden onder water. Dat betekent dat de watertoets werkelijk een belangrijk instrument is dat, als het serieus wordt genomen, in de toekomst effectief bebouwing op waterzieke gronden kan uitsluiten.

Jammer genoeg voldeden de geïnvesteerde miljoenen overduidelijk niet. De uitdagingen blijven gigantisch.

Het is niet goed nu paniekvoetbal te gaan spelen. Onze waterhuishouding vraagt permanente aandacht en een onderbouwde strategische aanpak. De structurele problemen waarvoor we staan, zijn immers niet met één pennentrek weg te vagen. Vlaanderen is bijvoorbeeld op het vlak van ruimtelijke ordening gemakkelijk te typeren: we zijn dichtbevolkt en historisch gezien zijn er wel degelijk woningen gebouwd op waterzieke gronden. Er zijn veel verharde terreinen en ons land wordt doorkruist door water. Wie de indruk wekt dat problemen van deze omvang morgen zijn opgelost door snelsnel de forcing te voeren met betrekking tot deze of gene maatregel, om dan, eens de gevolgen van deze ramp letterlijk zijn weggeëbd, gewoon over te gaan tot de orde van de dag, doet aan symptoombestrijding en is ter kwader trouw.

De basisfilosofie van het waterbeleid is: ‘ruimte voor water’. Dat was ook de leidraad van het decreet Integraal Waterbeleid. Het klopt dat water ruimte moet krijgen, alleen moeten we zelf kunnen bepalen waar we het water willen laten stromen. Zonder te suggereren dat Nederland altijd gevrijwaard zal blijven van waterrampen, wil ik toch de sprong maken naar de instrumenten die onze noorderburen inzetten om het water te beheren. Nederland had nooit bestaan als er geen harde menselijke ingrepen waren gedaan om sturing te geven aan het water. Zij investeerden in keermuren, dijken, stuwbalken in grachten, gemalen en baggerwerken om dieptebuffering te behouden. Dit zijn instrumenten die bij ons vaak negatief bekeken worden. Ik vind het heel hypocriet van mijn collega van Groen! als hij zegt dat we moeten kijken naar Nederland, maar dat bufferen of baggeren voor dieptebuffering een instrument is dat geen soelaas zal brengen.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde:

Als onderdeel, mevrouw.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Het hele waterkwantiteitsbeheer in Nederland is opgebouwd rond gestuurde, controleerbare maatregelen. Deze ingrepen zijn toch wel van een andere orde dan de instrumenten die bij ons in eerste instantie worden ingezet. ‘Ruimte voor water’ kreeg hier in het verleden heel duidelijk een natuurlijke, zachte invulling met ongecontroleerde overstromingsgebieden, natuurlijke plasbermen, behoud van kruidgroei voor vertraging van afvoer, natuurlijke afvoer van sediment in plaats van ruimingen. Water moest met andere woorden stromen waar het natuurlijk zou stromen, ondanks de dichte bevolking en bebouwing.

Vanzelfsprekend is aandacht voor natuurlijke maatregelen en de ecologische inrichting van onze waterlopen belangrijk, maar we moeten durven na te denken over de verhouding tussen de natuur en het menselijk genie. We hebben sterk vooruitgang gemaakt op het vlak van mooie watergebonden natuur, maar dat heeft niet kunnen verhinderen dat er vierduizend huizen onder water kwamen te staan. Rekenen we er niet te veel op dat Moeder Natuur alles vanzelf zal opvangen? Het is hoog tijd om nog meer aandacht te besteden aan een meer actief en gecontroleerd waterbeheer.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Mevrouw Vera Van der Borght:

Mevrouw Rombouts, ik ben blij dat u een opsomming geeft van enkele elementen die men in Nederland gebruikt en die daar soelaas hebben geboden. Ik hoop dat u de ministers in de Vlaamse Regering kunt overtuigen van de noodzaak van de elementen die u hebt opgesomd, maar die sommige ministers in twijfel trekken.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde:

Mevrouw Rombouts, ik heb de indruk dat u het Nederlandse beleid herleidt tot een heel eenvoudig beleid met wat dijken enzovoort. Het is wel iets complexer dan dat, het is daar ook een complexere materie. U legt nogal de nadruk op het feit dat de mensen ruimte moeten krijgen, waarschijnlijk ook in overstromingsgevoelige gebieden, en dat men dat dan maar op een andere manier moet oplossen. Dat is toch uw boodschap.

De bekkenbeheersplannen liepen een jaar vertraging op, maar uiteindelijk werden 616 hectare overstromingsgebieden afgebakend. Volgens heel wat experts is dat te weinig en worden er onvoldoende financiële middelen voor uitgetrokken. Wat wilt u? Wilt u dat dit behouden blijft, dat het wordt uitgebreid, of, zoals ik aanvoel in uw betoog, dat het wordt verminderd?

De voorzitter:

De heer Vandaele heeft het woord.

De heer Wilfried Vandaele:

Ik ben blij dat mevrouw Rombouts verwijst naar Nederland. Daar hebben we te maken met een heel andere structuur. Daar zijn twee grote spelers, de Rijkswaterstaat, waar alles in één hand is gebracht, en de 26 waterschappen, die rechtstreeks verkozen zijn en een eigen fiscaliteit hebben. Dat staat haaks op de structuur die we hier kennen, met een versnippering van bevoegdheden over de bevaarbare en de onbevaarbare waterlopen. Dat bevordert niet altijd een efficiënte aanpak.

De voorzitter:

De heer Sannen heeft het woord.

De heer Ludo Sannen:

Mevrouw Rombouts, u zegt dat we moeten bufferen en ruimte creëren als we water willen beheren. We weten dat het creëren van buffering, van wachtbekkens niet vanzelfsprekend is. Vanmorgen heb ik gesproken met gedeputeerde Smeets over Halen. Daar ligt men al 12 jaar in conflict met een landbouwer om een wachtbekken voor de Velpe te realiseren. De provincie wil er ook een creëren, maar heeft nog maar de helft kunnen realiseren. Bent u het met me eens dat we er moeten voor zorgen dat we procedures creëren om sneller wachtbekkens te kunnen realiseren en landbouwgronden te kunnen aansnijden?

Mevrouw Tinne Rombouts:

Mijnheer Sanctorum, het waterbeleid in Nederland is inderdaad complexer dan een aantal instrumenten. Dat heb ik duidelijk gezegd. Ik heb gezegd dat ik het over een aantal instrumenten zou hebben om een aantal zaken aan te halen. Ik doe dat omdat u en uw voorzitter hebben verwezen naar het Nederlandse beleid, maar als we spreken over gecontroleerde harde maatregelen en menselijke ingrepen, voelen we systematisch dat u dat snel afremt. In het debat heb ik vernomen dat u voor bijvoorbeeld sedimentruimingen op de rem staat. U vindt het waterbeleid heel belangrijk, maar daarvoor zijn slibruimingen geen oplossing. Dat wil ik maar aanhalen. Ik voel snel reactie op de maatregelen die onder andere wel een cruciaal onderdeel vormen van het Nederlandse beleid.

Uw interpretatie dat ik zou zeggen dat we meer ruimte moeten creëren en watergevoelige gronden aansnijden, toont dat u niet zo goed hebt geluisterd naar mijn betoog. Ik heb duidelijk gezegd dat de watertoets een heel belangrijk instrument is dat moet worden gehandhaafd en dat dat de verantwoordelijkheid is van iedereen. Bij de good practices die ik zopas heb vernoemd, zijn er zelfs gebieden die vroeger woongebieden waren. Ze waren niet geslaagd voor de watertoets en zijn omgevormd tot niet-woongebieden. Dat heb ik aangehaald als een good practice. Uw insinuatie dat ik doe alsof alle waterzieke gronden moeten worden benut door de mensen, laat ik aan u over, maar het is zeker niet mijn boodschap.

Op uw derde punt zal ik in de loop van mijn betoog antwoorden.

Daarstraks ben ik even tussengekomen in het debat over de structuur. Ik heb gezegd dat verbeteringen mogelijk waren. De discussie mag echter niet snel op basis van een enkele ramp worden afgehandeld. De coördinatie van het waterbeleid is fundamenteel en daar moet tijd worden voor uitgetrokken. De mensen die lokaal met wateroverlast worden geconfronteerd – denk aan de waterschappen in Nederland die ik als grensbewoonster zeer goed ken – moeten daar ook bij betrokken worden.

De vraag of sneller moet worden ingespeeld om maatregelen te kunnen treffen, is van algemeen belang en telt voor alle projecten. U zegt, mijnheer Sannen, dat sommige landbouwgronden niet worden aangesneden omdat er al jarenlang procedures lopen. Maar ook over natuurgebieden waar in gebieden voor overstroming werd voorzien, lopen er processen. De discussie ‘Water voor iedereen’ is zodanig van belang dat alles daaromheen op elkaar moet worden afgestemd. Ik weet dat soms schattingsverslagen worden opgevraagd waar jaren moet op gewacht worden. Dat zijn reële knelpunten.

Als we niet inzetten op sedimentruimingen, mijnheer Sanctorum, dweilen we met de kraan open. We zouden wel investeren in wachtbekkens, maar de grachten en waterlopen laten we vandaag dichtslibben. Dat betekent dus minder ruimte voor water.

Minister Schauvliege heeft al een evaluatie aangekondigd van het Integraal Waterbeleid. Bij de opmaak van de stroomgebiedbeheersplannen heeft men ecologie, waterkwaliteit en waterkwantiteit bij elkaar genomen. Uiteraard zijn er wisselwerkingen, maar de vraag is of de integraalaanpak het de minister nog toelaat om een duidelijke analyse te maken en de elementen van waterkwantiteit eruit te filteren. Nochtans is dat nodig om resultaatgerichte maatregelen te kunnen treffen.

Ik ben benieuwd naar de kostprijs van de totale stroomgebiedbeheersplannen en van de acties die specifiek betrekking hebben op de waterkwantiteitbeheersing.

Wie realistisch is, moet toegeven dat deze operaties heel wat tijd en geld vergen. De juiste strategische prioriteiten bepalen lijkt me dan ook een hele uitdaging. Dat behoort niet tot de uitsluitende bevoegdheid van een, twee of drie ministers. Dat kan alleen als ieder van ons zich verantwoordelijk gedraagt. Ondanks de rampzalige gevolgen waar we allemaal getuige van zijn, loert ook hier het nimby-effect om de hoek. Als het medeleven met de getroffenen oprecht is, moet de voltallige Vlaamse Regering en dit halfrond zich mee verantwoordelijk voelen om een permanent, kwaliteitsvol waterbeleid uit te stippelen, uit te voeren en op te volgen. Dat betekent dat een verschuiving van de prioriteiten en de middelen alleen maar mogelijk is als ze op de ondersteuning en medewerking van iedereen kan rekenen. Daar rekenen we ook op.

De heer Bart Martens:

Voorzitter, ik heb de indruk dat mevrouw Rombouts op een aantal punten wou temporiseren: alles blijft lang aanslepen en zo. Op het vlak van de realisatie van overstromingsgebieden en wachtbekkens gaf de heer Sannen hier al het voorbeeld van een project in Zuid-Limburg van 12 jaar. We kunnen ook het voorbeeld geven van de potpolder van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde, want dat dossier sleept al meer dan 30 jaar aan. Het zit al vervat in het Sigmaplan van eind jaren 70, maar is nog altijd niet gerealiseerd.

Mevrouw Rombouts, ik versta niet goed dat u dan zegt dat we dit ook in andere beleidsdomeinen hebben. We moeten hier wel degelijk meer dan een tandje bij steken. Dergelijke lange doorlooptijden kunnen absoluut niet meer aanvaard worden.

U hebt blijkbaar ook kritiek op de natuurinvulling van sommige van die overstromingsgebieden. Aan het geactualiseerde Sigmaplan is een maatschappelijke kosten-batenanalyse, uitgevoerd door de VITO, voorafgegaan en die heeft uitgewezen dat de natuurinvulling van die overstromingsgebieden de meeste maatschappelijke baten met zich meebrengt. Ik meen dat het een weloverwogen keuze is van de Vlaamse Regering om de overstromingsgebieden, tenminste voor wat dit betreft, een natuurinvulling te geven.

De heer Wilfried Vandaele:

Ik ben het ook niet helemaal eens met mevrouw Rombouts, die volop wil inzetten op de ruimingswerken en het uitbaggeren. Dat is natuurlijk een onderdeel, maar het is niet het hele verhaal. Wie specialisten raadpleegt naar aanleiding van wat de voorbije dagen gebeurd is, zal horen dat het slechts een heel gedeeltelijke oplossing is en dat met de hoeveelheid water die we nu gezien hebben, zelfs een volledige uitbaggering van onze waterlopen geen oplossing zou hebben geboden.

De heer Dirk Peeters:

Ik wil even kort reageren en ik ga in dezelfde stijl als de heer Vandaele verder.

Mevrouw Rombouts, als u beweert dat wij tegen slibruiming of sedimentruiming zijn, dan moet ik u duidelijk zeggen dat wij daar niet tegen zijn. Waar we wel tegen zijn, is dat door middel van sedimentruiming of slibruiming de rivieren worden verdiept. Net die verdieping heeft er in het verleden toe geleid – denkt u maar aan het type ruilverkavelingen die we hebben gekend – dat het water versneld en in grote hoeveelheden werd afgevoerd en zo overstromingen heeft veroorzaakt. Ik stel vast dat minister Crevits ook heeft gereageerd op het niet verdiepen van de Dender, net om die reden.

Als u dan toch de vergelijking wilt maken tussen België en Nederland, kijk dan gewoon naar de Grensmaas in Limburg, die sommigen onder ons heel goed kennen. Die is 100 meter breed aan de Belgische kant, maar 5 kilometer verderop is die kilometers breed, met respect voor de winter- en de zomerbedding. Dat is ruimte voor water, niet: dieper en sneller.

De heer Ivan Sabbe:

Ik denk dat mevrouw Rombouts vooral een oplijsting maakt van wat er allemaal op stapel staat, maar daarover hebben we het al gehad.

Het gaat niet over het op stapel staan van allerlei plannen, maar over de uitvoering en de omzetting ervan, mevrouw Rombouts. Dat is het punt dat heeft geleid tot die dramatische toestand voor die 4000 gezinnen. Dat is wat we moeten vermijden en niet wat op stapel staat. We moeten naar concrete maatregelen die uitgevoerd moeten worden, uiteraard aangevuld met nieuwe maatregelen die inspelen op de mogelijkheid dat dit veel vaker zal voorkomen in de toekomst.

We vragen u dus niet om die opsomming te maken, we vragen u, en straks ook de Vlaamse Regering, wat de concrete maatregelen zijn op korte termijn om die omzetting te doen en om de zekerheid te geven dat het binnenkort zal gebeuren.

Mevrouw Veerle Heeren:

Ik meen dat we het allemaal eens kunnen zijn dat er nog veel werk aan de winkel is, maar in antwoord op de heren Sannen en Martens, met het voorbeeld van Halen, wil ik hier toch ook eens het positieve verhaal brengen.

Ik woon in een regio, Zuid-Limburg. Voorzitter, u woont daar ook. We wonen daar samen. (Gelach. Opmerkingen van de voorzitter)

Het is een regio die de voorbije 10 jaar slachtoffer is geweest van heel veel wateroverlast, zeker in Tongeren, Sint-Truiden en Riemst. Dankzij Vlaanderen zijn daar heel veel ingrepen gebeurd, maar ook dankzij de watering. Blijkbaar hebben wij in onze regio een watering die een van de beste is van Vlaanderen, niet alleen van Limburg.

En, mijnheer Sannen en mevrouw De Vits, die watering werkt zo goed omdat ze op het lokale niveau zo goed de beekjes kan openhouden, omdat ze werkmensen in dienst heeft om er een antwoord op te bieden en omdat ze samen met de lokale overheid, met Vlaanderen en met de provincie in staat is om op basis van onteigeningsvergunningen gronden te verwerven om wachtbekkens aan te leggen.

Het is natuurlijk een intriest verhaal, maar we doen ook goede dingen. We kunnen dit hanteren om de komende jaren te versnellen. Ik denk dat iedereen hier dit kan steunen.

De voorzitter:

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer:

Voorzitter, ik wil de betogen van een aantal collega’s even nuanceren. Mijnheer Martens, mijnheer Peeters, mijnheer Sannen, elk bestuursniveau moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Men spreekt over bewegingen en groepen die soms verhinderen om werkzaamheden uit te voeren. Ik wil dit even aanvullen. In Geraardsbergen moet er al jaren een overstromingsgebied worden gerealiseerd. Het zijn net de natuurverenigingen die dit verhinderen.

Ik wil ook het voorbeeld van de Durme geven. Er liggen daar al jaren boten met één opdracht: roeren in het slib zodat de beken in de rivier kunnen lozen. Slib ruimen blijft absoluut noodzakelijk, net als dijkverhogingen. Vandaar dat collega Rombouts ten volle gelijk heeft als ze verwijst naar het Nederlandse model.

Mevrouw Vera Van der Borght:

Voorzitter, ik wil aansluiten bij wat collega De Meyer daarnet zei over Overboelare, waar er inderdaad een schrijnend probleem is. Ik hoop dat de minister ons straks een antwoord kan geven en ons kan zeggen wat ze gaat doen. Er is een uitspraak van de Raad van State. De mensen zouden er baat bij hebben te weten welke initiatieven de minister specifiek gaat nemen. Gaat ze al dan niet een nieuwe procedure opstarten?

De ene pleit voor baggeren, de andere trekt baggeren in twijfel. De eindconclusie zal én-én-én-én moeten zijn. Het zal een opeenvolging van een aantal zaken moeten zijn. Ik heb ook gelezen wat de minister zegt over het nut van baggeren. Als de minister uitspraken doet en zegt dat men dringend prioriteit moet geven aan het realiseren en het op punt stellen van het stuwprobleem, dan vind ik dat daar dringend uitvoering aan moet worden gegeven. Na de laatste zware overstromingen van eind 2002,begin 2003 zijn er studies uitgevoerd, waarna een aantal voorstellen werden geformuleerd. Deze regering moet er dringend werk van maken om die voorstellen ook uit te voeren en niet alleen, als er problemen zijn, die plaatsen gaan bezoeken en gratuite beloftes doen die men nadien toch niet nakomt.

De heer Ludo Sannen:

Voorzitter, ik ben er mij van bewust dat er heel wat goede voorbeelden in Vlaanderen zijn en dat er heel wat goed werk wordt geleverd. Ik ken in dezen ook de gevoeligheid van de burgemeester van Sint-Truiden, maar ik had het over procedures. Ik had het voorbeeld van Halen aangehaald om aan te tonen dat sommige procedures heel lang kunnen duren. Wie of wat daar ook de oorzaak van is – landbouw, natuur of wat dan ook –, daar gaat het niet om. Mijn vraag is of u bereid bent om ervoor te zorgen dat die procedures kunnen verkorten zodat er sneller buffering en wachtbekkens kunnen worden gerealiseerd.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Collega Martens, het verhaal van het temporiseren is uw interpretatie. Ik moet, samen met andere collega’s, vaststellen dat het zeker niet zo is. Ik denk net dat ik een krachtig verhaal heb proberen te brengen om te zeggen dat het tijd is om een aantal extra maatregelen te nemen en het probleem misschien eens van een andere kant te bekijken. Over temporiseren is zeker niet gesproken.

Het verhaal van natuurinvulling tegenover overstromingsgebieden is ook voor een deel eng bekeken. Nee, ik zeg niet dat de overstromingsgebieden die moeten worden aangelegd, geen natuurinvulling mogen krijgen, integendeel. Maar we moeten er wel over nadenken of een natuurlijke, zachte maatregel zoals bijvoorbeeld een overstromingsgebied overal wel kan. In een aantal gebieden is dat de beste en een noodzakelijke oplossing, maar soms is het interessanter om dijken, om stuwen, om grachten met extra buffering aan te leggen.

We moeten echter vaststellen dat die harde maatregelen systematisch onder vuur liggen en niet altijd worden gewaardeerd, terwijl ze in Nederland net de basis van het hele waterbeleid vormen.

Mijnheer Vandaele, ik ben het ermee eens dat slibruiming een van de diverse maatregelen is. Zoals al werd aangegeven, is het een en-enverhaal. Het is wel een immens belangrijk punt. Anders dweilen we met de kraan open.

Mijnheer Peeters, u hebt gesteld niet tegen sedimentruiming op zich te zijn. Daar ben ik blij mee. Er mag van u echter geen verdieping zijn. Als er een gracht wordt aangelegd, of eventueel bij rivierbeddingen, doet de huidige regering ook effectief aan waterpeilbeheer: er wordt een waterpeil vastgelegd en dan wordt de diepte inderdaad ook bepaald. Het is belangrijk dat we dat handhaven, maar dan moet dat ook worden gehandhaafd. Het mag ook niet ondiep worden. Dat is het knelpunt vandaag. Daarom hameren we zo op die sedimentruimingen.

Ik heb daarnet ook al voldoende gezegd over het uitvoeren en omzetten van de plannen. We moeten inderdaad een aantal stappen zetten, maar we moeten ook kritisch durven te blijven bij de plannen die al zijn opgemaakt. Het is onze vraag dat het pakket aan inzetbare instrumenten toch nog eens grondig zou worden geanalyseerd en eventueel bijgestuurd. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter:

Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde:

Voorzitter, geachte ministers, geachte leden, minister Schauvliege, zondagmiddag deed u op het vtm-nieuws een toch wel opmerkelijke uitspraak. U zei dat Vlaanderen moet leren leven met dit soort overstromingen en met wateroverlast. Op zijn zachtst gezegd leek die uitspraak vrij merkwaardig, vooral voor de mensen die dit weekend slachtoffer waren van de wateroverlast.

De heer Ludwig Caluwé:

Ik had niet gedacht dat iemand dat nog zou zeggen. Ik dacht dat iedereen ondertussen wel had ingezien dat minister Schauvliege dat niet heeft gezegd. Nu u dat toch beweert, kunt u eens het letterlijke citaat geven?

Mevrouw Marleen Van den Eynde:

De minister heeft gezegd dat we moeten leren leven met die situatie.

De heer Ludwig Caluwé:

Dat heeft ze niet gezegd!

Mevrouw Marleen Van den Eynde:

Laat me even uitspreken. Ik weet inderdaad wel wat de minister wil zeggen: we moeten werkelijk werken aan die klimaatverandering en die extreme weersomstandigheden. Minister, dat hebt u immers ook gezegd, namelijk dat er sprake is van extreme weersomstandigheden, die zullen leiden tot meer regen, met meer overstromingen als gevolg.

De heer Sven Gatz:

Mijnheer Caluwé, ik heb me de moeite getroost om de reportage opnieuw te bekijken. Minister, ik heb ook gemerkt dat u het noodzakelijk acht om via een vrije tribune uw communicatie te verzorgen. Dat is voor een minister toch wel een heel bijzondere manier van communiceren. Hebt u dat nodig? Minister-president, ik heb u nog nooit een vrije tribune weten schrijven. U hebt dat niet nodig.

Minister Schauvliege, wat u hebt gezegd, stuit ons enorm tegen de borst. Eerst heeft mevrouw Tanghe inderdaad gezegd dat we ermee moeten leren leven. Dat heeft zij aangebracht. U hebt daar niet op gereageerd en hebt uw beleid voort toegelicht. Dan heeft ze u voor de tweede maal gevraagd of we hiermee moeten leren leven. Het was niet bijzonder slim om daarop te zeggen: “Inderdaad.” Ik begrijp ook Nederlands. Dat zal u nog blijven achtervolgen. Sommigen maken rekenfouten, sommigen leren met dingen te leven, en dat blijft hangen. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter:

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege:

Geachte leden, sommigen vinden het blijkbaar nodig om de publieke opinie te manipuleren, om me een uitspraak in de mond te leggen en dat zelfs ook te misbruiken in advertenties, zoals ik vandaag heb gezien. Ik kan tegen een stootje, maar wat me bijzonder stoort en raakt is dat u zo de slachtoffers van de watersnood, de families, de hulpverleners en al diegenen die dit weekend hun solidariteit hebben betoond, wijsmaakt dat er niets zou zijn gebeurd. (Rumoer. Opmerkingen)

Ik vind dat men van die mensen op die manier een politieke speelbal maakt, voor eigen, kortzichtig belang. Daar doe ik niet aan mee. (Applaus bij CD&V)

Mevrouw Marleen Van den Eynde:

Minister, dit is totaal naast de kwestie. U haalt er weer de hulpverleners bij. Het gaat niet over de hulpverleners. Het gaat om uitspraken die u hebt gedaan. U neemt de extreme weersomstandigheden als een normaal feit. Het klopt dat er in de toekomst meer extreme weersomstandigheden zullen zijn en dat die gevolgen hebben. Het komt er dan op aan dat u er met uw beleid een antwoord op geeft. Maar het gaat niet op in het debat de hulpverleners weer mee op het matje te roepen.

Voorzitter, de overstromingen van meer dan 10 jaar geleden in bijvoorbeeld Antwerpen hebben de vorige regeringen, provincie- en gemeentebesturen ertoe aangezet om belangrijke maatregelen te nemen om die overstromingen te voorkomen. Merksem was het afgelopen weekend niet het slachtoffer van watersnood. Er zijn de afgelopen jaren dus ongetwijfeld stappen vooruit gezet.

Mevrouw Rombouts, het gaat hier ook niet om paniekvoetbal, maar deze regering mag toch minstens een tandje bijsteken als de genomen maatregelen onvoldoende blijken te zijn.

Er zijn initiatieven zoals de overstromingsvoorspeller, waarnaar de heer Sabbe heeft verwezen. Hij deed er nogal meewarig over. Maar, mijnheer Sabbe, het is eigenlijk goed dat die overstromingsvoorspeller bestaat.

De voorzitter:

Dames en heren, mevrouw Van den Eynde heeft het woord. Als u behoefte hebt aan overleg, kunt u altijd naar het Koffiehuis gaan. Mevrouw Van den Eynde heeft net als iedereen het recht het standpunt van haar partij, het Vlaams Belang, te vertolken. Ik vraag u dus te luisteren naar mevrouw Van den Eynde.

Mevrouw Marleen Van den Eynde:

Dank u, voorzitter.

De overstromingsvoorspeller kan de knelpunten op het terrein aantonen, waardoor een aangepast beleid kan worden gevoerd. Jammer genoeg, minister, gaat het hier enkel om de onbevaarbare waterlopen van eerste categorie. Bij de overstromingen van het afgelopen weekend was het duidelijk dat het probleem niet alleen bij de onbevaarbare waterlopen lag. Zelfs waterlopen van tweede en derde categorie waren verzadigd door de regenval van de vorige maand, van de maand augustus en niet, mijnheer Sabbe, van de regenval van 2,5 dagen. Het is dan ook heel belangrijk om ook dergelijke waterlopen goed op te volgen.

Minister, de Vlaamse Milieumaatschappij geeft zelf aan dat u nog voor heel wat uitdagingen staat, dat de uitdagingen bijzonder groot zijn om de overstromingsvoorspeller beter in te vullen en dat het nog wel investeringen zal vergen. Mijn vraag is dan ook waarop u wacht.

De Vlaams Belangfractie stelt spijtig genoeg vast dat Vlaanderen zeker op het structurele vlak niet klaar is om overstromingen te voorkomen. Dat bewijst ook de massa plannen die nog steeds op de studietafel liggen. Ik zal beginnen met het Vlaams Klimaatadaptatieplan, een concreet plan om de gevolgen van de klimaatwijziging op te vangen en de plannen om overstromingsrisico’s in te schatten en beter op te vangen. Die blijven nog steeds in een studiefase steken. Wat het klimaatadaptatieplan betreft, wordt de impact van de klimaatwijziging klaarblijkelijk pas in kaart gebracht tegen 2012 via een impactstudie, die dan de basis moet vormen voor het opstellen van een Vlaams adaptatieplan. Dat betekent dus, collega’s, dat pas na 2012, pas over 2 jaar prioritaire maatregelen kunnen worden bepaald om die negatieve gevolgen ten gevolge van het wijzigende klimaat te kunnen tegengaan – en dan heb ik het alleen maar over de plannen.

Dit kan en dit mag niet, minister. De overstromingen van het afgelopen weekend hebben aangetoond dat die studiefase niet te lang meer mag duren. Vlaanderen moet zeer snel van start gaan met concrete maatregelen om dergelijke zware regenval op te vangen. Dat kan met grote projecten, maar ook met kleinschalige projecten, waarbij de burger zelf kan meewerken. Ik verwijs naar het project dat onze fractie inmiddels meer dan 8 jaar geleden heeft voorgesteld in verband met dakvegetatie. Ik denk ook aan de afkoppeling van regenwater, aan het tegengaan van al veel verharde oppervlakten, en nog veel meer andere mogelijkheden.

Door de traagheid in de regelgeving is het nog wachten tot eind 2013 – over 3 jaar – vooraleer de overstromingsgevaarkaarten en de overstromingsrisicokaarten beschikbaar zullen zijn. U hoort het, minister, ik heb het altijd maar over studieplannen die pas over enkele jaren klaar zijn. Die studiefases duren veel te lang. Daar hebben de slachtoffers van het afgelopen weekend echt geen boodschap aan. De vraag is hoeveel overstromingen we nog moeten meemaken vooraleer die degelijke beheersplannen klaar zullen zijn.

Het hoofdstuk over het Rubiconfonds kan ik overslaan. Minister Muyters heeft er daarnet op geantwoord. Maar, minister, ik heb toch begrepen dat het Rubiconfonds is stopgezet. Ik heb er geen zicht op of die middelen, dat bedrag van 2,5 miljoen euro, goed zijn aanbesteed of opgebruikt. Als u in de toekomst wilt werken met algemene middelen, is het heel belangrijk dat u dat ook zichtbaar maakt, dat we weten welke middelen uit de algemene pot worden gebruikt om waterkeringswerken uit te voeren en bijvoorbeeld wachtbekkens aan te leggen.

Mevrouw Kathleen Deckx:

Mevrouw Van den Eynde, u wijst op het massale aantal studies waarop er wordt gewacht vooraleer er maatregelen genomen worden. Minister, ik heb een vraag voor u. Ik heb enkele weken geleden in de commissie het probleem van de vervuiling van de Molse Nete aangekaart. Ik heb u toen gezegd dat er op de bodem radioactief slib ligt en u hebt gereageerd dat men de volledige studie gaat afwachten vooraleer men daar gaat saneren. Minister, de weilanden zijn daar overstroomd met dat water en het radioactieve slib dat zich erin bevindt. Daarom wil ik u vragen of er daar bijzondere maatregelen genomen moeten worden. Wat zijn de mogelijke gevolgen van die overstroming?

De voorzitter:

Aan de reactie te horen van een aantal leden van dit parlement merk ik dat ze uw vraag niet direct ter zake vinden. Op den duur gaat natuurlijk iedereen een vraag stellen over zijn eigen achtertuin. Misschien neemt de minister uw vraag mee en zal ze u daarover straks een antwoord geven.

Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde:

De voorbije jaren werden er door het Vlaamse Gewest en ook door het provinciebestuur nogal wat wachtbekkens aangelegd. Blijkbaar zijn die geleverde inspanningen toch onvoldoende. De gouverneur van Vlaams-Brabant bijvoorbeeld heeft nu al gesteld dat men waterloop per waterloop zal moeten bekijken of er nog bijkomende wachtbekkens noodzakelijk zijn. In Grimbergen, Londerzeel, Herne en dergelijke bleken die wachtbekkens onvoldoende. Er zijn dus dringend maatregelen nodig.

Waar deze regering verder ook absoluut prioriteit moet van maken, is de problematiek van de erosiebestrijding. Londerzeel was daar een goed voorbeeld van. In Londerzeel was er door de modder die van de velden afstroomde, al wateroverlast vooraleer de beek overstroomde. Nieuw in de problematiek van de wateroverlast is de problematiek van de kanalen. We hebben het hier nog niet over gehad. Zo is er het kanaal Brussel-Charleroi, waar het water gewoonweg over de dijk stroomde met alle gevolgen van dien voor de omwonenden. De vraag is, minister, of die sluizen optimaal aan waterbeheersing kunnen doen bij bijzonder grote hoeveelheden regen. Werken de sluizen correct en zijn ze afdoende op elkaar afgestemd? Dat is een belangrijk aandachtspunt dat de komende dagen verder moet worden onderzocht.

En dan is er de communautaire discussie. Dat ligt hier blijkbaar heel gevoelig in dit Vlaams Parlement. Zoals steeds weer opnieuw, en hoe kan het ook anders, krijgt deze ramp een communautair staartje. Het was Waals minister-president Rudy Demotte die gisteren op de RTBF-radio stelde dat er een slechte communicatie was tussen Vlaanderen en Wallonië in verband met het openzetten van het sas in Lembeek. De minister-president heeft daar al gedeeltelijk op geantwoord. Ik zou het verhaal kunnen omdraaien. Zijn er in Wallonië bijvoorbeeld voldoende wachtbekkens om het water vertraagd af te voeren en niet de zondvloed in Vlaanderen te jagen?

En dan is er uiteraard ook nog het instrument van de watertoets. Die dient om vast te stellen of een locatie vanuit het perspectief van waterbeheer en overstromingsrisico geschikt is voor bebouwing. Het is een heel belangrijk instrument om woningen niet langer in risicogebieden te bouwen. Deze watertoets heeft veel te lang op zich laten wachten, maar hopelijk zal die de komende jaren veel ellende voorkomen.

Dan is er nog de problematiek van de Dender en de waterproblematiek in Geraardsbergen en omstreken, waar we vandaag in de discussie over de watersnood niet aan voorbij mogen gaan. De problematiek van de Dender blijft aanslepen. De Dender is een typische regenrivier met grote debietschommelingen en een groot verval. Vroeger trad de Dender in de winter buiten zijn zomerbedding en werden de laaggelegen meersen bevloeid. Nu is de Dender eerder bekend om zijn overstromingsgevaar, minister. Doordat er minder water in de grond dringt, vloeit er meer water sneller af naar die Dender. Algemeen wordt aanvaard dat de rivier meer ruimte moet krijgen om schade bij overstromingen te beperken. Naast buffering van het overtallige water moet vooral aandacht gaan naar het systematisch ophouden van het water op alle niveaus en ook hoger stroomopwaarts bijvoorbeeld in Wallonië, zoals ik daarnet al aangaf. Het is heel belangrijk dat u ook met Wallonië in overleg gaat om het water daar langer te bufferen vooraleer het naar Vlaanderen wordt gestuurd.

De Dender wordt in Vlaanderen al jaren stiefmoederlijk behandeld. Net zoals de Durme en de Rupel is de Dender in grote mate dichtgeslibd.

In 2007 besliste het Waalse Gewest om de Dender te baggeren tot aan de taalgrens. In Vlaanderen werd er met de Dender niets gedaan. Er werd niet uitgebaggerd. Het resultaat kennen we: de Dender slibt meer en meer dicht, met alle gevolgen van dien voor de waterbuffering.

Minister Crevits, u weerlegt de kritiek over het baggeren en zegt dat baggeren niets zou hebben uitgehaald: “Of je nu een grote of een kleine badkuip hebt, bij een veel te grote hoeveelheid water stroomt het sowieso over.” Er is wel een groot verschil of het water aan je voordeur staat of dat het in je huis een halve meter hoog staat. De Dender moet heel goed uitgebaggerd worden, zodat hij veel meer water kan bufferen, in plaats van de Dender op zijn huidige niveau te laten staan.

Er wordt vandaag door de Vlaamse Regering naar de hulpverleners verwezen alsof wij niet dankbaar zouden zijn. Het is mijns inziens heel gepast om in een debat als dat van vandaag de hulpdiensten te loven en te danken voor hun inzet, tijdens vele nachtelijke en weekenduren. Vele vrijwilligers en buren hebben elkaar bijgestaan in nood. Dat is het enige positieve punt dat we hier vandaag kunnen brengen. Want we kunnen er niet aan voorbij dat de schuld voor de wateroverlast, de miserie die zo vele mensen in Vlaanderen getroffen heeft, bij verschillende waterbeheerders en bij verschillende ministers ligt.

Minister Crevits heeft gisteren al een eerste communicatie- en informatie-uitwisseling gehouden met experts. Maar ik wil toch oproepen om er niet opnieuw een zoveelste comiteetje van te maken. Er moet onderhandeld worden, en er moet vooral snel gehandeld worden, opdat de slachtoffers van vandaag niet de slachtoffers van morgen of van volgend jaar zullen worden. Het is genoeg geweest. Neem verantwoordelijkheid, geef plaats aan het water, daar waar het thuishoort, en dat is in de uitgebaggerde waterlopen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Mia De Vits:

Mevrouw Van den Eynde had het over het kanaal Brussel-Charleroi. Ik heb daarstraks al een vraag gesteld over de verschillende inschattingen die er zouden zijn geweest over het openzetten van het sas van Lembeek. Ik heb nog een bijkomende vraag over de overloop van de Zenne naar het kanaal. Die overloop, die niet regelbaar is, heeft bijgedragen tot de overstroming. Is daar iets aan te doen?

De voorzitter:

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Mevrouw Gwenny De Vroe:

Voorzitter, ministers, collega’s, wat dit weekend is gebeurd, heeft ons allen zwaar getroffen. Het menselijke leed en de schade zijn enorm. We loven allemaal de professionele inzet van de brandweer en de belangeloze inzet van de vele vrijwilligers.

Het is hoog tijd om na deze pijnlijke vaststellingen conclusies te trekken. Ik heb zondag de beelden gezien, met aan het woord minister Schauvliege. En het woordje ‘inderdaad’ was er daar te veel aan, zoals de heer Gatz daarnet al aanhaalde. Dat we moeten leren leven met de overstromingen en de wateroverlast was toch een zeer pijnlijke boodschap. Ik begreep niet wat u daarmee wilde zeggen, minister, of welk signaal u wilde geven aan de mensen die in één nacht hun hele hebben en houden hadden verloren.

Mensen staan met hun schoenen of met hun voeten letterlijk in het water en hebben nood aan oplossingen. Mijn partij stelt vier krachtlijnen voorop.

De heer Dirk de Kort:

We hebben hier al verschillende uiteenzettingen gehoord, met alle respect, van collega’s van de diverse partijen, waarschijnlijk om de tranen in de ogen te krijgen bij de anekdotes van wat men heeft meegemaakt. De rol van dit Vlaams Parlement is vooral om te beoordelen hoe de huidige Vlaamse Regering omgaat met de Europese richtlijnen. Worden die richtlijnen omgezet en zal de Vlaamse Regering in de toekomst zorgen voor een versnelde uitvoering van de werken? Hoe komt het dat die werken niet sneller worden uitgevoerd? Zijn er vertragingen in de procedures? Ik stel voor dat het parlement in het regelgevend werk bijstuurt waar mogelijk, in plaats van in anekdotes te vervallen.

Mevrouw Gwenny De Vroe:

Ik ben het me u eens, mijnheer de Kort. U kunt echter niet ontkennen dat de boodschap in het journaal van zondagmiddag heel pijnlijk was.

Open Vld stelt vier krachtlijnen voorop. De eerste krachtlijn betreft het Rubiconfonds. Gewezen minister Van Mechelen heeft daar in 2007, 2008 en 2009 2,5 miljoen euro voor uitgetrokken. Hij heeft dat fonds au sérieux genomen en heeft de kas serieus gespijsd. Open Vld pleit voor de heractivering van het Rubiconfonds.

Een tweede krachtlijn bestaat uit meer aandacht en meer middelen voor extra overstromingsgebieden. Daarvoor is een extra financiële injectie nodig.

De derde krachtlijn betreft het uitbaggeren. Wij zijn van mening dat Vlaanderen dringend moet investeren in het bijkomend uitbaggeren van de rivieren en in het vernieuwen van de stuwen. We hebben immers vastgesteld dat in Wallonië de Dender de voorbije jaren wel werd uitgebaggerd en dat de stuwen daar wel werden vernieuwd, maar niet in Vlaanderen. Mevrouw Van der Borght stelde onlangs nog een parlementaire vraag aan minister Crevits. Het antwoord van de minister op 15 september was “dat er tot op vandaag geen noodzaak is om op de Dender grootschalige onderhoudsbaggerwerken uit te voeren en dat indien er problemen zouden ontstaan op het gebied van afvoercapaciteit, deze wel zeer beperkt van omvang en capaciteit zouden zijn”. Minister Crevits, u had het daar mis. Wij zijn van mening dat er bijkomend moet worden uitgebaggerd en dat de stuwen moeten worden vernieuwd.

De vierde krachtlijn betreft de rioleringsproblematiek. Er zijn wachtlijsten in veel gemeenten en dan vooral in de kleine landelijke gemeenten. Die wachtlijsten moeten zo snel mogelijk worden weggewerkt.

Open Vld pleit dus voor een heractivering van het Rubiconfonds, extra overstromingsgebieden, het uitbaggeren van de rivieren en vernieuwen van de stuwen, en het wegwerken van de wachtlijsten in de rioleringsaanvragen. Voor alle duidelijkheid, het is geen of-ofverhaal, maar een en-enverhaal.

De heer Koen Van den Heuvel:

Voorzitter, mevrouw De Vroe heeft net de vier prioriteiten van de Open Vld opgesomd. Ik zou haar graag vragen of dit betekent dat alle burgemeesters van de Open Vld nu worden opgeroepen om werk te maken van de overstromingsgebieden en niet langer hindernissen op te werpen. Ik denk dan aan de burgemeester van Merchtem, die een bufferbekken ter hoogte van Merchtem en Londerzeel blokkeert. (Applaus bij CD&V)

Mevrouw Gwenny De Vroe:

Het is een beetje kortzichtig een voorbeeld uit een gemeente te geven. Vlaanderen heeft een globale aanpak van de waterproblematiek nodig. (Rumoer)

De heer Kris Van Dijck:

Voorzitter, ik wil gewoon een inhoudelijke vraag stellen. Ik wil echt niet in dorpspolitiek vervallen. Ik vraag me gewoon af waar de Open Vld de verantwoordelijkheid met betrekking tot het vierde punt legt. Moet Vlaanderen de projecten inzake de gemeentelijke rioleringen betalen of vindt de Open Vld dat de gemeenten op dit vlak ook een verpletterende verantwoordelijkheid dragen?

De heer Koen Van den Heuvel:

Het is eigenlijk heel eenvoudig. Het is mooi hier een theorie uit te leggen. Er moeten echter daden bij het woord worden gevoegd. We moeten tot goede voorbeelden in de praktijk overgaan. Dat is iets wat niet enkel de Vlaamse Regering eventueel beter kan. Dat geldt zeker ook voor veel lokale besturen.

De heer Dirk Van Mechelen:

Voorzitter, ik wil toch even reageren op het verwijt dat mevrouw De Vroe zich met anekdotes zou bezighouden. Tenslotte zitten tienduizenden mensen in de miserie.

Het probleem ontstaat vooral wanneer kanalen in grachten en rioleringen overlopen. Daar is geen enkel gemeentelijk rioleringsstelsel op berekend. Dat is het probleem. De vorige Vlaamse Regering heeft in het kader van het lokaal fiscaal pact besloten dat de aansluitingspunten voor de gemeenten naar het bovenlokaal vlak worden verschoven. Hierdoor kan ook in een bijkomende financiering worden voorzien. Op die manier zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat de gemeenten op een snellere en goedkopere manier voor een aansluiting op het hoofdrioleringsnetwerk kunnen zorgen. Daar gaat het hier echter niet om. Belangrijke waterlopen, zoals rivieren en kanalen, stromen over in grachten- en rioleringsstelsels. Daar is geen enkel gemeentelijk stelsel op berekend. Daar ligt de verantwoordelijkheid.

De heer Kris Van Dijck:

Ik heb de link tussen de rioleringsstelsels en de overlopende kanalen niet gelegd. Er is hier verklaard dat in de rioleringen moet worden geïnvesteerd. Ik vraag me bijgevolg af wie daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. Is dat een lokale verantwoordelijkheid of moet de Vlaamse overheid optreden?

De heer Dirk Van Mechelen:

We zullen als partners gezamenlijk onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Sinds het lokaal fiscaal pact levert Vlaanderen bijkomende financiële inspanningen. De gemeenten moeten hierop anticiperen. Dit is echter niet het onderwerp van ons huidig debat.

De heer Robrecht Bothuyne:

Voorzitter, ik ben blij dat mevrouw De Vroe het Rubiconfonds tot zijn ware proporties heeft herleid. De Vlaamse Regering heeft driemaal 2,5 miljoen euro in dit fonds gestort. Het Rubiconfonds beschikt daarnaast ook over andere inkomsten. De voorbije dagen leek het alsof het Rubiconfonds volgens de Open Vld en andere partijen in dit halfrond alle waterproblemen zou oplossen. Ik ben blij dat mevrouw De Vroe dit heeft ontkracht. Het Rubiconfonds is een nuttig fonds. De mogelijkheden en de proporties van dit fonds moeten echter niet worden overschat.

Door vier prioriteiten te stellen, pleit mevrouw De Vroe in feite voor heel wat bijkomende investeringen in deze problematiek. Ik kan haar enigszins volgen. Ik vraag me echter af hoe dit overeenkomt met het pleidooi dat andere leden van haar partij gisteren in de commissie Financiën hebben gehouden. Volgens hen moeten we binnen de Vlaamse begroting bijkomende reserves aanleggen en tegelijkertijd een begroting in evenwicht indienen. Moeten we geld bijdrukken? Ik ben benieuwd hoe mevrouw De Vroe dit met elkaar kan rijmen. (Applaus bij CD&V)

Mevrouw Vera Van der Borght:

Ten behoeve van collega Van Dijck die op zoek was naar een goed voorbeeld waar Open Vld wel het verschil heeft gemaakt, kan ik het voorbeeld aanhalen van Aalst. Daar heeft men de voorbije 12 jaar bijna alles geïnvesteerd in rioleringen, met als gevolg dat al het belastinggeld wel onder de grond zit. Maar we hebben heel bewust die keuze gemaakt om te zorgen voor een gescheiden rioleringsstelsel om de problematiek zo goed mogelijk in te dijken. Dat wil niet zeggen dat we ondanks die inspanningen, niet met problemen werden geconfronteerd door andere oorzaken.

De heer Kris Van Dijck:

Dat is een duidelijk bewijs dat lokale besturen in dezen een verantwoordelijkheid hebben. Ik kan u geruststellen: ik ken gemeenten die heel veel investeren in rioleringen en waar de problemen onder controle zijn. Dat was mijn bemerking. Ik denk niet dat Vlaanderen in dezen de grote verantwoordelijkheid heeft, wel ten aanzien van collectoren en dergelijke. Het basisrioleringsstelsel is een gemeentelijke verantwoordelijkheid.

Mevrouw Gwenny De Vroe:

Mijn punt ging erover dat de wachtlijsten moeten worden weggewerkt. Het belangrijkste is dat er dringend werk moet worden gemaakt van de kleine gemeenten die nu de dupe zijn.

Nog kort even over communicatie. Die kan zeker beter. We vragen de Vlaamse Regering niet om de regen tegen te houden. We weten dat de natuur niet kan worden gestopt. Wat we wel vragen, is om een vooruitziend en preventief beleid te voeren om de schade van de wateroverlast te beperken. We vragen ook om uw verantwoordelijkheid te nemen. Bij Open Vld hebben wij de indruk dat ‘Leer ermee leven’ het nieuwe motto van de Vlaamse Regering wordt. Water in uw woning? Leer ermee leven. Wachtlijsten gehandicaptenzorg? Leer ermee leven. Geen geld voor scholenbouw? Leer ermee leven. Niet voldoende plaatsen in de kinderopvang? Leer ermee leven. Jonge criminelen die vrij rond lopen wegens onvoldoende plaatsen? Leer ermee leven. (Opmerkingen bij CD&V)

De Vlaamse Regering is een regering die de problemen laat aanslepen, de verkeerde keuzes maakt, en alles op de lange baan schuift. Daarom willen wij een bijzondere commissie in het leven roepen. (Applaus bij Open Vld en LDD)

De heer Carl Decaluwe:

Voorzitter, tot nu toe was het debat vrij sereen, maar de demagogische toon van de Open Vld-fractie… (Rumoer)

De demagogische toon waarmee Open Vld ook vanmorgen al via haar voorzitter de heer De Croo kamerbreed in alle kranten uitpakt omdat Open Vld van geen hout pijlen meer weet te maken! Op de kap van de miserie van de mensen probeert men politiek profijt te halen. Collega’s, deze problematiek is een collectieve verantwoordelijkheid van verschillende generaties van politici, van iedereen die ooit schepen, burgemeester of minister is geweest. Deze regering en ook de vorige regering hebben al stappen gezet en zijn stappen aan het zetten. Nu een toespraak houden en zeggen: mochten wij in de regering hebben gezeten, dan was er geen problemen geweest, wel, dat noem ik volksverlakkerij! (Applaus bij CD&V en de N-VA. Opmerkingen van de heer Hermes Sanctorum)

De voorzitter:

Mijnheer Sanctorum, als u het woord vraagt, krijgt u van mij het woord.

De heer Van Rompuy heeft het woord.

De heer Eric Van Rompuy:

In het begin van het debat heeft de heer Gatz een oproep gedaan om een bijzondere commissie op te richten in het parlement om over meerderheid en oppositie heen een zo zwaar menselijk fundamenteel probleem aan te pakken met beleidsmaatregelen op middellange termijn, los van partijpolitieke interpretatie. Leer ermee leven.

Als dat uw inbreng is om de meerderheid te overtuigen om die commissie op te richten, en als we op de kosten van de mensen een partijpolitiek spel willen spelen, mijnheer Gatz, doen we oneer aan alle leed van de jongste weken en maanden dat door dat soort problemen werd veroorzaakt. Ik betreur dat Open Vld met zo’n bijdrage aan komt zetten.

Trouwens in Michelbeke waren er ook overstromingen. Daar is ook een probleem. Dat is voor iedereen hetzelfde. Als we dat willen oplossen, zullen we dat in heel Vlaanderen moeten aanpakken. Als Vlaams Parlement dragen we daarin verantwoordelijkheid. Ik betreur dat Open Vld dit partijpolitiek uitspeelt, al sinds deze morgen op de radio tot nu in het parlement. (Applaus bij CD&V)

De heer Sven Gatz:

Ik ben Brusselaar, excuseer me, ik spreek af en toe Frans. Er bestaat een Franse uitdrukking: ‘petite nature’. Daarmee doelt men op mensen die niet veel verdragen, die niet tegen kritiek kunnen. (Rumoer)

Het is nu eenmaal zo.

Ik ben bereid één element uit het discours van de heer Decaluwe voor waar te nemen. Er is inderdaad een collectieve verantwoordelijkheid. De heer Van Mechelen heeft het al gezegd, hoewel het nu niet gaat over de rioleringswerken van de gemeente, de lokale besturen dragen inderdaad een verantwoordelijkheid.

Maar ook de Vlaamse Regering draagt een verantwoordelijkheid. En die steunt u, daarin bent u de grootste partij. Het is toch normaal dat wij hier kritiek geven op het beleid? Het is ook normaal dat de meerderheid met bepaalde kritiek kan omgaan. Ik merk dat dat zéér moeilijk is, zowel links als rechts van mij. (Rumoer)

Alles loopt perfect in Vlaanderen! Dat is niet zo hé! Zullen we samen een oplossing zoeken zodat we die overstromingen in de toekomst gemakkelijker kunnen tegenhouden? Dat is de bedoeling. (Opmerkingen)

De heer Carl Decaluwe:

Natuurlijk loopt niet alles perfect, mijnheer Gatz. Dat heb ik ook niet gezegd. Men werkt eraan. Een van de problemen ligt bij Ruimtelijke Ordening. De laatste 10 jaar was de minister van Ruimtelijke Ordening een partijgenoot van u. Binnen de interkabinettenwerkgroepen was hij tegen de watertoets! Tegen de afbakening van overstromingsgebieden! U kunt er de dossiers op naslaan. Laat ons daar gewoon over zwijgen en werken aan de toekomst, over de partijgrenzen heen. We moeten elkaar niet de zwartepiet toeschuiven.

Ik wil dat ook tegen Groen! zeggen. Mortsel heeft een groene burgemeester. Heeft zij ooit al een bouwvergunning geweigerd omdat de oprit in asfalt werd gelegd? Dat speelt ook een rol inzake de doorlaatbaarheid. Ik wil maar zeggen: van klein tot groot heeft iedereen een verantwoordelijkheid. Laat ons stoppen met de Zwarte Piet door te spelen. De mensen die in de miserie zitten, hebben daar niets aan.

De voorzitter:

De heer Vandaele heeft het woord. (Opmerkingen van de heer Dirk Van Mechelen)

De heer Dirk Van Mechelen:

Voorzitter, ik vraag het woord om een persoonlijk feit.

De voorzitter:

Mijnheer Van Mechelen, de heer Decaluwe heeft een opmerking gemaakt. (Opmerkingen van de heer Dirk Van Mechelen)

Uw fractieleider heeft daarop gereageerd. (Opmerkingen van de heren Dirk Van Mechelen en Bart Tommelein)

Het is niet omdat uw naam genoemd wordt dat het een persoonlijk feit moet worden. (Opmerkingen van de heer Bart Tommelein)

We zijn geen parlement van persoonlijke feiten. (Rumoer)

Mijnheer Tommelein, hou u een beetje rustig. (Opmerkingen van de heer Dirk Van Mechelen)

Het is niet aan mij om de meerderheid in toom te houden. (Opmerkingen van de heer Sven Gatz)

Het is ook niet zo dat ik de oppositie minder het woord geef dan de meerderheid. Ik ben voorzitter van heel het parlement. Kijk dat straks maar na in de Handelingen.

De heer Van Mechelen heeft het woord.

De heer Dirk Van Mechelen:

Voorzitter, ik roep de huidige – en vorige – minister-president in als getuige om de beschuldigingen van de heer Decaluwe te weerleggen. Toen ik minister was van Ruimtelijke Ordening hebben we jarenlang geprobeerd om dit soort anomalieën met een consequent beleid te voorkomen, namelijk dat mensen gaan bouwen in laaggelegen gebieden. De heer Decaluwe komt hier nu verklaren dat ik me verzet heb tegen systemen zoals de watertoets. Ik daag de minister-president uit om te zeggen of dat waar is of niet waar.

De voorzitter:

De heer Vandaele heeft het woord.

De heer Wilfried Vandaele:

Voorzitter, minister, collega’s, we kennen de oorzaken en we kennen de oplossingen. Toch grotendeels. Overstromingen uitsluiten kunnen we niet. Misschien is het dat wat de minister bedoelde. De natuur is en blijft ons nu eenmaal de baas. Wateroverlast beperken kunnen we wel.

De oorzaken kennen we. We leggen te veel verharding aan waardoor het water niet meer in de bodem kan dringen. Sinds de fusie in 1976 nam de bebouwde oppervlakte in Vlaanderen toe van 6 tot 20 percent. We hebben waterlopen rechtgetrokken en grachten ingebuisd. Laaggelegen percelen worden opgehoogd. We bouwen huizen op plaatsen die kunnen overstromen. Een vijfde van de natuurlijke overstromingsgebieden van destijds werd de voorbije decennia ingenomen door infrastructuur, woonwijken en industrie. Waar waterlopen vroeger zonder problemen buiten hun oevers konden treden, in de fameuze winterbeddingen, hebben we ze ingedijkt en in een keurslijf geduwd.

We kennen ook de oplossingen. We namen de voorbije jaren, ook in dit Vlaams Parlement, tal van maatregelen. Het opvangen van hemelwater wordt gestimuleerd, en zelfs verplicht bij nieuwbouw. Het verharden van oppervlakken wordt niet zomaar toegestaan. Er wordt steeds vaker gekozen voor waterdoorlaatbare materialen. We leggen wachtbekkens aan. Natuurtechnische werken worden uitgevoerd om het waterbergend vermogen van een waterloop te verhogen. Waterlopen moeten opnieuw meanderen. We willen het grachtenstelsel herwaarderen en gedempte beken weer openmaken. Er zijn subsidies voor groendaken. Bouwprojecten moeten sinds 2006 voldoen aan de watertoets. Die watertoets zou geëvalueerd worden voor het einde van 2010, maar blijkbaar is er inmiddels al flink aan gesleuteld in de schoot van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid.

We horen de klacht dat op basis van de watertoets zeer weinig projecten echt geweigerd worden, maar dat in de meeste gevallen randvoorwaarden worden opgelegd. Hier hebben we onder meer te maken met het moeilijke probleem dat sommige woonzones, die destijds keurig planologisch werden ingekleurd, meestal al sinds de gewestplannen van de jaren 1970, in overstroombare gebieden liggen. Voor de vergunningverlenende overheid is het niet gemakkelijk om te verbieden dat daar gebouwd wordt. Er bestaat weliswaar een systeem van planschade, maar de plannende overheid is natuurlijk niet happig om die te betalen. Iets anders is dat waar we vandaag nieuwe bouwgrond maken, we toch zeven keer moeten nadenken alvorens we deze in waterzieke gebieden leggen.

Maar blijkbaar volstaan de maatregelen die we vandaag hebben niet. De maatregelen zijn goed, maar ze moeten intenser en consequenter worden uitgevoerd. Vandaag is dat een gedeelde verantwoordelijkheid van alle overheden: de Vlaamse overheid maar ook de provincies, de polderbesturen, de wateringen, de gemeenten. Die versnippering van bevoegdheden, zowel wat betreft de bevaarbare als de onbevaarbare waterlopen, draagt niet bij tot een efficiënte aanpak. Het lijkt me een interessante kluif voor de interne staatshervorming die wordt voorbereid. Zo rijst de vraag of de provincies niet een grotere rol kunnen spelen in het beheer van de onbevaarbare waterlopen en of de bevaarbare waterlopen niet in één hand moeten komen op Vlaams niveau.

Voor het daadwerkelijk uitvoeren van maatregelen dragen ook de gemeenten een grote verantwoordelijkheid. Het is een tendens dat we van hieruit steeds meer bevoegdheden en dus verantwoordelijkheden leggen bij de gemeenten. De praktijk leert dat de gemeentebestuurders – ik ben er ook een – vaak te dicht bij de kiezer staan om de noodzakelijke maatregelen af te dwingen.

En het is ook een verantwoordelijkheid voor elk van ons. We willen allemaal graag een extra groot terras voor de barbecue. We willen een heel brede oprit. We bouwen ons huis graag net iets hoger dan dat van de buren. 20 centimeter op het goedgekeurde bouwplan wordt een halve meter in werkelijkheid. En op ons plan staat een oprit van 3 meter breed, maar de aannemer is er nu toch, dus waarom niet de hele breedte voor het huis laten verharden? Het gemeentebestuur staat er vaak bij en kijkt ernaar.

De heer Ivan Sabbe:

Mijnheer Vandaele, ik denk dat u de voorbije dagen niet veel naar het nieuws hebt gekeken. En misschien was u ook niet onderweg. U wilt als het ware het zwarte schaap maken van bouwen in eventuele overstromingsgebieden. Maar u hebt niet goed naar het nieuws gekeken. Het kanaal Brussel-Charleroi liep carrément over. De Dender in Geraardsbergen: dat heeft niets met overstromingsgebieden te maken.

Dat heeft te maken met het feit dat steden aan rivieren en kanalen overlopen. Het centrum van Liedekerke stond onder water. Dat heeft niets te maken met het aanleggen van woonzones in overstromingsgebieden. Mijnheer Vandaele, met uw aanpak wilt u er zich te goedkoop van afmaken. Het vergt een algemene aanpak. Ik betreur het gebakkelei tussen de partijen. De essentie is dat we ervoor moeten zorgen dat dit niet meer gebeurt. U spreekt ook over verharding. In Nederland is er minstens evenveel verharding als hier, het is alleen geconcentreerder. We kunnen niet zeggen dat het ligt aan de woonuitbreidingsgebieden of de verharding. Neen, we moeten een gericht beleid hebben van de opvangbekkens, zoals we hebben gezegd. We moeten alle maatregelen nemen die ik in het begin van mijn betoog heb opgesomd.

De heer Jan Verfaillie:

Mijnheer Vandaele, ik stel verrast vast dat u een pleidooi houdt voor de provincies. Ik dank u hiervoor, hoewel een aantal van uw collega’s nog verder willen gaan.

De heer Wilfried Vandaele:

Lees het groenboek. U zult zien dat we op bepaalde punten pleiten voor grondgebonden materies.

De heer Jan Verfaillie:

U spreekt over de verantwoordelijkheid van de lokale besturen. Blijkbaar is men in uw eigen lokaal bestuur van De Haan minder bereid om die verantwoordelijkheid op te nemen. Heel wat gemeenten en steden nemen wel hun verantwoordelijkheid op. Ze ruimen grachten, en leggen voorwaarden op aan de mensen. Ik stel voor dat u op studiebezoek komt bij andere lokale besturen die wel hun verantwoordelijkheid opnemen, om te kijken hoe het moet.

De voorzitter:

Ik stel voor dat iemand die het woord heeft, niet wordt onderbroken, want dat wordt totaal onverstaanbaar.

De heer Peeters heeft het woord.

De heer Dirk Peeters:

Mijnheer Vandaele, het is algemeen geweten dat verhardingen en zeker verharde opritten het regenwater versneld afvoeren. Als de heer Decaluwe zegt dat dat in Mortsel ook zo is, dan zal dat terecht zijn. Maar de Vlaamse Regering heeft recentelijk een besluit getroffen om net die verhardingen vrij te stellen. Het zal toch geen grote zorg zijn van de regering om daar preventief op te treden als ze dat vrijstelt en zomaar toelaat.

Als men de planbaten bij het lokaal bestuur legt als zijnde de plannende overheid, welke overheid gaat dan flinke dossiers aanleggen, planschade betalen, veel herrie veroorzaken in haar eigen gemeente voor haar eigen kiezers, als het twee gemeenten verder toch overstroomt? Is het geen opdracht van de Vlaamse Regering om net die situatie van planschade in overstromingsgevoelige gebieden naar zich toe te trekken en weg te halen van de gemeenten? Ik stel deze vraag aan de Vlaamse Regering en verwacht er straks een antwoord op.

De voorzitter:

De heer Callens heeft het woord.

De heer Karlos Callens:

Ik heb de gemeentelijke overheden hier al enkele keren bezig gehoord. Ze zouden verkeerd zijn en het niet goed doen. Wat vooral opvalt, is dat verschillende gemeenten al aanvragen hebben gedaan in het nabije verleden voor het aanleggen van bekkens. In 2004 stonden bij ons 144 woningen bijna 1 meter onder water. Ik wilde dat heel snel vermijden. Daarom heb ik 6 hectare land gekocht om er een spaarbekken te realiseren. Maar dan begon het probleem. Het probleem lag niet bij de gemeente, maar bij de administratie van de Vlaamse Gemeenschap. Afdeling Natuur: voor het GRUP was dat ‘neen’. Voor Stedenbouw was het ook voor de tweede maal ‘neen’. We hebben gedurende 2 tot 3 jaar een procedure gehad om een spaarbekken aan te leggen. Vorige week had ik het geluk dat mijn gemeente niet onder water stond. Anders had ik die man uit Brugge gehaald en hem laten ophangen in het centrum van de gemeente, waar iedereen hem kon zien. Dit kan niet.

De voorzitter:

Ik wil een oproep doen om geen lokale problemen in de discussie te brengen.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Mevrouw Tinne Rombouts:

Het is niet de bedoeling om vanuit een lokale evaring te spreken. Ik reageer op de kritiek van de heer Vandaele op de lokale betrokkenheid. Ik heb al gewaarschuwd voor het gevaar van een waterbeleid dat louter op basis van fragmentarische ervaringen wordt opgezet. Ik heb wel voor lokale betrokkenheid gepleit. Mensen die dagelijks met deze problematiek worden geconfronteerd, kunnen dat het best opvolgen. U vroeg me naar de link met de waterschappen in Nederland. De kracht ervan bestaat juist in de lokale binding en verwevenheid.

Ik hoor dus tegenstrijdigheid in uw betoog. U erkent het heil van de waterschappen wel, maar ontkent blijkbaar het belang van het lokale beleid, mijnheer Vandaele. Hoe kijkt u daar dan tegenaan?

De heer Wilfried Vandaele:

Mensen horen blijkbaar zaken die ik niet heb gezegd. Ik heb niet gezegd dat de gemeenten niets doen. Dat zeg ik niet. Ik ga evenmin een lijst opstellen van goede en slechte gemeenten. Ik ga ook geen voorbeelden opsommen. We moeten als gemeentebestuurders wel de hand in eigen boezem durven te steken en de vraag stellen of wij ook geen tandje bij kunnen steken. Dat behoort ook tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid.

De toekomst ziet er niet zo rooskleurig uit. De opwarming van de aarde is al genoemd. Met de stijging van de temperatuur komt er minder neerslag in de zomer met watertekort tot gevolg en een daling van het debiet in onze rivieren tussen 20 en 70 percent. Er komt bovendien meer neerslag in de winter met een groter gevaar voor overstromingen tot gevolg. In het meest ongunstige scenario nemen de piekafvoeren in de rivieren met 35 percent toe, wat plaatselijk zal leiden tot frequente en uitgebreide overstromingen. Ook in de zomer zullen er meer hevige regenbuien voorvallen met gevaar voor overstromingen. Neerslagmetingen van de voorbije honderd jaar in Ukkel tonen nu al aan dat er een toename is van het aantal extreme regenbuien in de winter. Dat proces zal in de toekomst alleen maar toenemen.

We moeten de verrommeling van bevoegdheden aanpakken, grote werken uitvoeren en ruimte geven aan water en dus voorzien in overstromingsgebieden. Daarvoor zijn we op het Vlaamse niveau ook verantwoordelijk. We zullen die verantwoordelijkheid niet ontlopen. Maar als alle niveaus, waaronder ook het lokale, het niet aandurven om ook lastige maatregelen te treffen en tegen de stroom op te varen, en individuen niet zelf hun verantwoordelijkheid opnemen, dweilen we inderdaad met de kraan open, ondanks alle Vlaamse maatregelen. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Ivan Sabbe:

Ik heb nog een vraag voor de heer Vandaele. Als ik zie hoe verdeeld de visie hierover bij de meerderheid is, CD&V, sp.a en uzelf, is het de vraag of het probleem wel zal worden aangepakt. Ik hoor opmerkingen in allerlei richtingen. Dat is een probleem.

Voorts hebt u het over de verrommeling. We zijn het erover eens dat er in Vlaanderen te veel beleidsniveaus zijn. U pleit voor het behoud van de provincies. We moeten eigenlijk pleiten voor de afschaffing ervan om de verrommeling tegen te gaan. Dit probleem is zeker niet gebaat bij het behoud van een bestuursniveau waarvan iedereen weet dat het dateert van voor de staatshervorming en in feite meer een belemmering vormt voor de oplossing van een probleem dan voor het constructief aanpakken ervan.

De heer Wilfried Vandaele:

Mijnheer Sabbe, verdeeldheid in de meerderheid zie ik niet! (Gelach bij LDD)

We hebben hier te maken met een complex probleem dat uit heel veel facetten en aspecten bestaat. Het is niet omdat een collega van een andere partij een andere klemtoon legt, dat er verdeeldheid is. Het is vaak gezegd dat het een en-enverhaal is. Met mijn maatregel alleen of met die van mevrouw Rombouts, zal het niet gaan. We zullen allemaal samen moeten werken: alle partijen en alle bestuursniveaus.

In verband met de provincies zult u, mijnheer Sabbe, wel al in de wandelgangen vernomen hebben dat men bezig is met een interne staatshervorming. Er werd zelfs een groenboek gepresenteerd. Dat werd ondertussen gedrukt en het is ook beschikbaar op de website. U kunt het nakijken. Er staan een aantal dingen in die onder meer de provincies betreffen. Ik meen niet dat daarin staat – maar ik kan me natuurlijk vergissen – en ook niet in het regeerakkoord, dat de provincies worden afgeschaft. (Opmerkingen van de heer Ivan Sabbe)

Dat staat er inderdaad niet in, dat wordt zelfs bevestigd door mijn fractieleider, die heel goed op de hoogte is.

Wat staat er dan wel in? Er staat dat de provincies zich misschien wel eens zouden kunnen beperken tot grondgebonden bevoegdheden, en dit lijkt er mij eentje te zijn. Ik zie ook daar het probleem niet. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter:

De heer Van Overmeire heeft het woord.

De heer Karim Van Overmeire:

Voorzitter, collega’s, u zult begrijpen dat ik de paar minuten spreektijd die me zijn toegestaan, wil wijden aan de specifieke situatie van de Dendervallei, niet alleen omdat de toestand daar heel ernstig was, maar ook omdat er daar een aantal factoren spelen die elders in Vlaanderen niet of minder spelen.

Ik wil graag beginnen met een aantal citaten. “De weersomstandigheden zijn extreem geweest.” “De regenval heeft zich op een piekmoment voorgedaan.” “De waterstand van de Dender is uitzonderlijk hoog, maar wat in een niet zo ver verleden als uitzonderlijk werd beschouwd, dreigt steeds meer de regel te worden”. Dit zijn geen citaten van de voorbije dagen, collega’s, maar citaten uit een debat in de commissie in januari 2003, 8 jaar geleden, na de vorige overstroming.

Mevrouw Van den Eynde heeft er al op gewezen dat de Dender een beetje een speciale rivier is. Het is de enige regenrivier in Vlaanderen en een beetje meer onderhevig aan grote schommelingen dan andere rivieren. Even belangrijk is dat die rivier in Wallonië ontspringt en dat men daar op een heel andere manier naar de problematiek van overstromingen kijkt. De stuwen werden daar vernieuwd en na de overstromingen van 2002 werd, in het kader van het ‘Plan PLUIES’, of het regenplan, de Dender over heel het traject uitgebaggerd tot een diepte van 1,9 meter. Het lijkt me toch elementaire logica dat bij een rivier die tot aan de taalgrens 1,9 meter diep is en voorbij de taalgrens op bepaalde plaatsen maar 1,5 meter diep, er in crisissituaties juist op die overgang grote problemen zijn. Als u bekijkt waar de vorige dagen de grootste problemen waren, dan is dat net op die taalgrens, daar waar de Dender van Wallonië in Vlaanderen overgaat, in de streek van Geraardsbergen.

Al in 2001 schreef de burgemeester van Geraardsbergen een brief aan de Vlaamse Regering om op het risico te wijzen en te pleiten voor een buffering van het water op Waals grondgebied.

Collega’s, vandaag heb ik de oefening gemaakt om te bekijken tot welke conclusies de Vlaamse Regering, met voor een deel andere partijen, in 2003 kwam, welke oplossingen men suggereerde en wat daar vandaag van gerealiseerd is. Uit het antwoord van toenmalig minister Stevaert, die in 2003 antwoordde namens de Vlaamse Regering, heb ik vier elementen onthouden.

Hij zei ten eerste: “Wallonië zal tot een grote bufferingszone moeten overgaan, zo niet zullen we de problemen niet oplossen.” Hij stelde voor om net over de grens, in Deux-Acren, waar de geografische omstandigheden er zich volgens hem “uitstekend toe lenen”, samen met Wallonië een bufferbekken te bouwen.

Twee, stroomafwaarts moet er een krachtig pompstation komen om het water van de Dender naar de Zeeschelde over te pompen tussen twee getijden door. Drie, het zou beter zijn de aanslibbing uit de waterweg te verwijderen. Dat zegt Steve Stevaert in 2003. Dit kan voorlopig niet omdat er op de Dender geen bergingslocaties voor baggerspecie beschikbaar zijn. Vier, de stuwen op de Dender moeten in de toekomst inderdaad systematisch worden vernieuwd.

Waar staan we nu in 2010: 8 jaar later? De stuwen moeten nog altijd worden vernieuwd. Er wordt niet gebaggerd. Dat krachtig pompstation stroomafwaarts is er niet en de plannen voor het wachtbekken in Deux-Acren zijn in 2007, in overleg met de Vlaamse overheid zo lees ik, definitief geschrapt. Een wachtbekken, wat voor Geraardsbergen al 40 jaar een begin of een deel van de oplossing is, is in 2007 in overleg met de Vlaamse overheid, geschrapt.

Vlaanderen en Wallonië hebben dus duidelijk een heel andere visie op hoe overstromingen moeten worden aangepakt en hoe men het Denderbekken wil beheren. Dat is legitiem, maar ons probleem is natuurlijk dat we stroomafwaarts liggen. Minister, ten opzichte van 2007 zijn we erop achteruitgegaan. In Wallonië zijn er wel nieuwe stuwen, in Wallonië heeft men gebaggerd, in Wallonië heeft men de plannen voor een wachtbekken geschrapt en de Vlaamse Regering doet alsof dat allemaal geen gevolgen heeft voor Vlaanderen. U onderschat de gevolgen die het Waalse beleid op de Dender in Wallonië heeft.

‘Never waste a good crisis’, zegt men in het Engels en ik wil u dat aanbevelen. Het voorstel van een bijzondere commissie lijkt me een goed idee. Ik hoop dat dossiers zoals het uitbaggeren, zoals het wachtbekken ten zuiden van Geraardsbergen, opnieuw kunnen worden geopend zodat we hier over een aantal jaren – andere mensen daar en andere mensen hier – niet precies dezelfde discussie moeten voeren. (Applaus van mevrouw Vera Van der Borght)

De voorzitter:

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Mevrouw Else De Wachter:

Voorzitter, minister-president, ministers, collega’s, dit weekend hebben we vastgesteld dat er evenveel regen is gevallen als normaal in de hele maand november. We zijn ons daar allemaal heel erg van bewust, maar moeten we er ons daarom bij neerleggen? Absoluut niet. Het is onaanvaardbaar en absoluut niet uit te leggen aan de duizenden inwoners die dit weekend werden getroffen en alle moeite hebben gedaan om hun hebben en houden te vrijwaren van het wassende water.

Het gaat niet alleen om wat er dit weekend is gebeurd, maar om een globaal waterbeleid. Ik zou graag willen verwijzen naar de concrete maatregelen en visie die mijn collega Bart Martens deze namiddag al heeft gegeven.

Ik wil enkel nog iets zeggen over wat hier is gezegd over de verantwoordelijkheden. Gedeelde verantwoordelijkheden, dat klopt. Ik kan beamen dat lokale besturen die de voorbije jaren hun verantwoordelijkheid hebben genomen, dit weekend de positieve effecten hebben gemerkt van de werken die zij de voorbije jaren hebben uitgevoerd. Maar zoals ik al zei, waren het zeer speciale omstandigheden, zeer moeilijke omstandigheden.

Minister-president, het water komt niet altijd alleen van één bepaalde, lokale gemeenschap maar ook van andere plaatsen. Ook daar moeten we rekening mee houden.

Zeer snelle actie is absoluut noodzakelijk. Minister-president, ik ben heel tevreden dat u hebt aangekondigd dat er zo snel mogelijk bekkens in de vallei van de Kleine Molenbeek in de regio Londerzeel moeten komen, uiteraard niet alleen daar, maar ook op andere plaatsen.

Ik wil nog kort iets zeggen over de schade en wat daarmee moet gebeuren: iets waarover hier nog maar weinig is gezegd. Particulieren kunnen zich inderdaad wenden tot hun brandverzekering. Het is aan ons om heel alert te zijn. Ik vraag aan de Vlaamse Regering om in actie te schieten en te handelen met de federale regering om ervoor te zorgen dat de premies nu niet onmiddellijk de hoogte ingaan door deze ramp.

Minister-president, wat gaat u op korte termijn ondernemen om de getroffen gemeenten zo goed mogelijk te steunen in hun herstel? Heel wat lokale infrastructuur – lokale wegen en gebouwen – heeft hier immers onder geleden. Welke initiatieven zult u ook nemen om de diverse nood- en interventieplannen te evalueren? Op dit moment weten we immers heel goed waar de knelpunten zich bevinden.

Minister-president, u hebt verwezen naar de schade die landbouwers hebben geleden. Ook wat dat betreft, moet het Rampenfonds in werking treden. Ik roep u op concrete acties te nemen met betrekking tot die gemeentelijke landbouwcommissies.

De coördinatie is inderdaad vrij goed verlopen. Als schepen en inwoner van deze toch wel zwaar getroffen regio kan ik alleen maar zeggen dat we al die vrijwilligers, al die lokale besturen, al die hulpdiensten en technische diensten toch wel dankbaar moeten zijn voor wat zij het voorbije weekend hebben gerealiseerd. Ik hoop alleen dat de ministers van de Vlaamse Regering ervoor zullen zorgen dat dit niet tevergeefs is geweest. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter:

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege:

Voorzitter, geachte leden, de overstromingen die Vlaanderen de voorbije dagen hebben geteisterd, hebben heel wat schade en menselijk leed aangericht. Namens de Vlaamse Regering wil ik dan ook mijn medeleven en steun betuigen aan alle slachtoffers, en in het bijzonder ook aan de familie van de overledene in Oostmalle. Tegelijk wil ik de diverse hulpdiensten en ook de diensten van alle overheden bedanken voor het geleverde werk, net als iedereen die beroepshalve en vrijwillig heeft meegeholpen. De solidariteit was bijzonder groot, dat kunnen we allemaal beamen. Voor wie er nog aan zou twijfelen: de strijd tegen water geven we niet op.

Voorzitter, we hebben aandachtig geluisterd naar dit debat. Misschien is het goed te beginnen met de stand van zaken. De eerste 10 dagen van september en ook de voorbije week is er uitzonderlijk veel regen gevallen: minder dan in 2002, maar de jongste dagen binnen een veel kortere tijdsspanne. Zo bedroeg de piekmeting in de Dender 118 kubieke meter per seconde, tegenover 82 kubieke meter per seconde in 2002. Dat is een situatie die statistisch slechts eenmaal in de 100 jaar voorkomt. Vandaag lijkt de situatie op het terrein zich te stabiliseren. De neerslag is afgenomen en zou ook de volgende dagen beperkt blijven. De waterpeilen zijn gestaag aan het dalen, zodat wordt verwacht dat de komende dagen vooralsnog geen kritieke overstromingen zullen volgen.

Naar aanleiding van deze gebeurtenissen zoekt iedereen natuurlijk naar oorzaken. Wat zijn nu die oorzaken? We hadden te kampen met zware en langdurige neerslag. We hadden ook af te rekenen met het feit dat de opnamecapaciteit, de capaciteit om het water te laten infiltreren in de bodem, verzadigd was, en dat al vanaf september, door de regenval in augustus en september. Het grondwaterpeil dat we nu kennen in Vlaanderen, komt normaliter maar na de winter voor. Natuurlijk is er ook de afvoercapaciteit van onze waterlopen en de bijkomende instroom uit Frankrijk en Wallonië.

We moeten ook allemaal erkennen – en dat is hier in diverse uiteenzettingen aan bod gekomen – dat we ook met een historisch gegeven zitten. Er is het rechttrekken van beken en rivieren, het verharden en bebouwen van grote oppervlakten, het bouwen in laaggelegen gebieden, het innemen van winterbeddingen, het verdwijnen van wilgen en het eroderen van landbouwgrond. Dat hangt samen met de tijd en de middelen die nodig zijn om slib te ruimen en percelen te onteigenen om bijvoorbeeld wachtbekkens te kunnen aanleggen. Ook zijn er natuurcompensaties waarin we moeten voorzien, rioleringen die we moeten ontkoppelen en ik kan zo nog een tijdje doorgaan.

Sommigen hebben de vergelijking gemaakt met Nederland. Het klopt dat Nederland een heel lange traditie en geschiedenis heeft in verband met het waterbeleid. De situatie is ook heel anders dan hier in Vlaanderen. Dat land gaat altijd de strijd aan tegen de zee. Vorige maandag was ik aanwezig op het coördinatiecentrum van de Vlaamse Milieumaatschappij. Ik heb daar de buienradar mogen bewonderen. Ik kan u zeggen dat het in Nederland veel minder heeft geregend de afgelopen dagen, dat de buien over Vlaanderen zijn getrokken en dat ze hier zijn blijven hangen. Mijnheer Sanctorum, die vergelijking gaat in dezen dus absoluut niet op.

Collega’s, welke maatregelen zijn er nu genomen? Sommigen doen uitschijnen alsof er in het verleden niets zou zijn gebeurd of er nog niets zou zijn aangepakt. We zien dat er heel wat is gebeurd, dat er heel wat is uitgevoerd en dat er ook nog heel wat is gepland. Wat heel belangrijk is, is dat waar de werken zijn uitgevoerd, we ook effectief het resultaat zien. Ik kan u een aantal voorbeelden geven. Leuven, waar een wachtbekken werd aangelegd, is gespaard gebleven van waterschade en overstromingen. De diensten Waterwegen en Zeekanaal, waarvoor minister Crevits bevoegd is, hebben perfect gemonitord en gemeten op de Toeristische Leie en hebben ervoor gezorgd dat Sint-Martens-Latem niet overstroomd is en dat men er de waterellende heeft kunnen voorkomen. Hetzelfde geldt voor Aalst. Ik kan zo nog een tijdje doorgaan.

We blijven dus zorgen voor het afkoppelen, aanwenden en infiltreren van hemelwater om het water zo veel mogelijk vast te houden in de bodem en het er ook te laten indringen. Een aantal collega’s hebben al aangehaald dat de bergingscapaciteit van de ondergrond oververzadigd is en de maatregelen hier en nu de overstroming dus niet hadden kunnen voorkomen of niet voldoende waren geweest om de infiltratie ter plaatse te laten gebeuren. Wat wel helpt in deze extreme omstandigheden, is de buffering. De buffering heeft wel degelijk invloed. Het gaat om het verzamelen en behouden van water in wacht- en spaarbekkens, in natuurlijke overstromingsgebieden en vijvers, meanders, oevers, en collectoren en buizen. Vandaag beschikken we over 21 miljoen kubieke meter gewestelijke, gecontroleerde buffercapaciteit in 39 wachtbekkens voor onbevaarbare waterlopen. De grootste bekkens zijn die van Schulensbroek bij Lummen, Webbekom bij Diest, en de Doode Bemde bij Oud-Heverlee. Ze hebben perfect bewezen dat ze goed functioneren.

Er zijn ook nog vijf wachtbekkens die goed zijn voor 1,4 miljoen kubieke meter buffercapaciteit en die momenteel worden aangelegd. De Vlaamse Regering beseft maar al te goed dat de gezinnen en bedrijven die nu getroffen zijn niet echt een boodschap hebben aan wat tot op heden is gebeurd. We hebben er wel voor kunnen zorgen dat door de ingrepen die al zijn gebeurd, talloze huishoudens, families, maar ook ondernemingen gespaard zijn gebleven van wateroverlast en overstromingen.

Maar het is vanzelfsprekend dat er bijkomende investeringen nodig zijn. Het pleidooi voor bijkomende wachtbekkens en overstromingsgebieden gaat natuurlijk ook gepaard met bijkomende slibruiming, het onderhoud van sediment en zand vangen, de sturing van sluizen, pompstations, het tegengaan van erosie en het onderhoud van rioleringen. Bij de opmaak van de begroting 2011 heeft de Vlaamse Regering voorgesteld om zowel het investeringsritme als de onderhoudsmiddelen voor het beheer van die onbevaarbare waterlopen op peil te houden, namelijk op 11,9 en 14,5 miljoen euro. Er wordt in 3 miljoen euro voorzien voor de milieudatabank en de meetnetten. Daarbovenop is er 1 miljoen euro voor de subsidies aan polders en wateringen. En dan heb ik het nog niet gehad over de kredieten voor bijvoorbeeld erosiebestrijding en landinrichting.

Een andere maatregel, collega’s, is de watertoets, die vandaag al vaak ter sprake is gekomen: de watertoets ter beoordeling van plannen en vergunningen en ter aanbeveling van beperkende of milderende maatregelen.

Het is een vertaling van het voorzorgsprincipe. De vergunningverlenende overheid of initiatiefnemende overheden moeten in de besluitvorming van ruimtelijke uitvoeringsplannen verplicht naar die watertoets verwijzen. Minister Muyters, die naast mij zit, was op een bepaald moment wel een beetje gefrustreerd omdat hij niet direct kon reageren. Datzelfde geldt trouwens zowel voor minister Crevits als voor de minister-president. Ik zal proberen hun argumenten mee te nemen. Ik verwijs naar de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De heer Van Mechelen kent die ook. Daarin staat uitdrukkelijk dat een vergunning geweigerd wordt bij ongunstige watertoets, tenzij aan bijkomende voorwaarden wordt voldaan. Eventueel kan ook nog een verstrenging worden opgelegd via provinciale of gemeentelijke verordening.

Mevrouw Van den Eynde, in dat kader wil ik ook op basis van uw vraag u meedelen dat de overstromingsgevoelige gebieden wel degelijk in kaart zijn gebracht. Het gaat in totaal om 285.000 hectare en die worden gehanteerd om juist die watertoets in de praktijk toe te passen. Die kaarten dienen ervoor om die watertoets te vertalen naar de vergunning of naar de plannen die moeten worden aangenomen.

Een ander punt dat hier ook in het debat aan bod is gekomen en dat de voorbije dagen absoluut zijn nut heeft bewezen, is de overstromingsvoorspeller. Die heeft wel degelijk heel goed gewerkt. De voorspeller heeft als bedoeling dat in geval van dreiging de waterbeheerders en ook de hulpdiensten op tijd worden gewaarschuwd, mijnheer Sabbe, zodanig dat ze paraat kunnen staan en ook de nodige voorzorgen kunnen nemen om het ergste te voorkomen. Wanneer overstromingen tijdig voorspeld zijn, kunnen we op die manier ook lokale besturen alarmeren zodat ze nog bijkomend onderhoud of een aantal ingrepen kunnen doen. Dat is ook in een aantal gemeenten gebeurd, zoals in de gemeente Maldegem. De voorspeller heeft ook daar zijn nut bewezen.

Wat de versnippering en de samenwerking betreft, zijn er een aantal opmerkingen gemaakt over het feit dat er te weinig wordt afgesproken en dat er te weinig wordt overlegd. Ik verwijs in dit verband naar de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid waarin afgevaardigden van Leefmilieu, Natuur, Mobiliteit, Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Economie, vertegenwoordigers van de drinkwatermaatschappijen, van de provincies, gemeenten, en van de Vereniging van Vlaamse Polders en Wateringen zitten. Daar gebeurt de coördinatie en worden er duidelijke afspraken gemaakt. Al deze maatregelen die ik nu heb opgesomd, zijn al uitgevoerd en hebben deels hun nut bewezen.

Natuurlijk is dat niet alles en worden er ook nog verder acties ondernomen. Al die acties passen in de goedgekeurde plannen. We blijven niet plannen. Die plannen zijn al goedgekeurd. We hebben 2 stroomgebiedbeheersplannen, 11 bekkenbeheersplannen en 103 deelbekkenbeheersplannen. Op 30 januari 2009 keurde de Vlaamse Regering de 11 bekkenbeheersplannen goed. Die hebben tot doel de beleidsvisie op het integrale waterbeleid voor een bekken weer te geven. De bekkenbeheersplannen stellen het watersysteem zelf centraal waardoor problemen zoals wateroverlast efficiënter kunnen worden aangepakt. Voor alle bekkenbeheersplannen samen zijn er ongeveer 1433 acties opgenomen, die oplossingen aanreiken voor de waterproblemen in Vlaanderen.

Natuurlijk moeten we prioriteit geven binnen dat maatregelenprogramma. Dat gebeurt op een weloverwogen manier. Men houdt daar rekening met de noodzaak om op korte termijn maatregelen te kunnen uitwerken en men weegt natuurlijk ook een aantal risico’s ten opzichte van elkaar af. Voor wie geïnteresseerd is, geef ik nog even mee dat de plannen en rapporten geraadpleegd kunnen worden op www.bekkenwerking.be. De transparantie is ook daar verzekerd.

Collega’s, meer dan 350 acties focussen heel specifiek op het terugdringen van veiligheidsrisico’s bij wateroverlast. Naast de verschillende infrastructuurwerken heeft het bekkenbeheersplan ook ruime aandacht voor de link tussen ruimtelijke ordening en het watersysteem. Als onderdeel van het maatregelenpakket ter voorkoming van wateroverlast werden in functie van het verzekeren van de veiligheid tegen overstromingen in verschillende bekkenbeheersplannen ook overstromingsgebieden afgebakend. De afbakening van die overstromingsgebieden heeft ook zijn effect en zijn implicaties op instrumenten zoals voorkooprechten, aankoopplicht, vergoedingsplicht en onteigening.

Op basis van een eerste onderzoek en een overleg is het duidelijk dat wachtbekkens en overstromingsgebieden wel degelijk vertragend en milderend gewerkt hebben. Maar er is onmiskenbaar nood aan bijkomende buffers, gegeven ook het feit dat de infiltratiecapaciteit momenteel verzadigd is. Er is ook bijkomend behoefte aan de regulering van de in- en uitstroom van die wachtbekkens. Op bepaalde plaatsen is daar al in voorzien, op andere nog niet. Er zijn bijkomende planningen om dit effectief nog meer in de praktijk om te zetten. Op die manier kan gecontroleerd water worden opgevangen of vrijgelaten uit de wachtbekkens. Als dat niet het geval is, merk je dat sommige wachtbekkens, zoals dat ook in Geraardsbergen het geval was, al volgelopen zijn voor de watertoevoer eraan komt. Je kunt het water daar dan niet meer uit laten vloeien.

Collega’s, we zijn ervan overtuigd dat er de komende dagen, weken en maanden nog heel wat evaluaties zullen worden gemaakt. Er is zondagavond een crisisberaad geweest bij de minister-president. Daar zijn al een aantal aanbevelingen aan bod gekomen. Ook onder leiding van de minister-president werd een ministerieel comité opgericht, dat zich met heel veel spoed en deskundigheid zal buigen over de verschillende aanbevelingen en voorstellen die op tafel liggen.

Ondertussen heeft minister Crevits gisteren een overleg gehad met experts over de bevaarbare waterlopen. Ikzelf heb gisteren een overleg gehad over de onbevaarbare waterlopen, met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), de Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP), de Vlaamse Milieumaatschappij, de Vereniging van Vlaamse Polders en Wateringen en de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW).

Wat betreft de bevaarbare waterlopen, collega’s, heeft de expertenvergadering die minister Crevits gisteren bij elkaar heeft geroepen, een aantal conclusies opgeleverd. Ik zal ze voor u overlopen. In het Denderbekken zijn de stuwen in Dendermonde vernieuwd. In Geraardsbergen en Aalst zijn ze aan vernieuwing toe. De voorstudies over de vernieuwing van die stuwen lopen momenteel nog. Er is ook verwezen naar een studie uit het verleden. Ik kan u meegeven, collega’s, dat die wel degelijk de basis blijft op basis waarvan de investeringen in het Denderbekken zullen gebeuren.

Hoe zit het nu met de baggerwerken en de noodzaak aan baggering in het Denderbekken? Ik zal u het antwoord op die vraag namens minister Crevits meegeven. Het is gisteren ook al gezegd op de expertenvergadering: het baggeren van de Dender zou wat nu gebeurd is, niet direct voorkomen hebben. Het heeft geen zin om te baggeren en nog meer debiet te hebben, als de stuwen niet volgen. Het is dus essentieel dat eerst die stuwen worden vernieuwd. Daar zit de sleutel om dit te verbeteren en aan te pakken.

Sommigen verwijzen naar de samenwerking met Wallonië. Ik kan u zeggen, namens minister Crevits, dat de samenwerking goed verlopen is en dat de bijsturing van de stuwen en het op elkaar afstemmen nauwgezet in samenspraak met Wallonië zal gebeuren.

In het Leie- en Scheldebekken is op een heel adequate en accurate manier ingespeeld op de stijgingen in de Moervaart en de Toeristische Leie, dat door afwisselend af te voeren via het Kanaal Gent-Brugge en het Kanaal Gent-Terneuzen. De sturing en monitoring waarin daar is voorzien, heeft in de praktijk bijzonder goed gewerkt. Zo niet, hadden wij de overstroming in Sint-Martens-Latem niet kunnen verhinderen.

In het Zennebekken is er behoefte aan bijkomende wachtbekkens. Dat is gisteren ook op de expertenvergadering aan bod gekomen.

Het Demer- en het Netebekken hebben tijdens de voorbije jaren aangelegde wachtbekkens gekregen. Zij hebben uitstekend gewerkt en hebben kunnen voorkomen dat er bijkomende moeilijkheden waren.

Door bijkomende investeringen tijdens de voorbije jaren hebben ook de uitzonderlijk hoge debieten, ook op het Maasbekken, geen extra moeilijkheden opgeleverd.

De algemene conclusie van de vergadering over de bevaarbare waterlopen gisteren was dat er wordt voorgesteld dat in gevallen zoals we afgelopen weekend hebben meegemaakt, de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) als aanspreekpunt zou kunnen worden gebruikt, zowel voor de bevaarbare als voor de onbevaarbare waterlopen.

Er was ook een expertenvergadering met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten de Vereniging van Vlaamse Provincies, Polders en Wateringen, de Vlaamse Milieumaatschappij voor wat de onbevaarbare waterlopen betreft. Daar werd beklemtoond dat de toestand na de overstromingen heel snel in kaart moet worden gebracht. Nu kan nog perfect worden ingeschat waar hoeveel water is overstroomd zodat de voorspellingsmodellen daarop kunnen worden afgestemd en kunnen worden verfijnd.

Verder is het heel belangrijk dat er dringend noodmaatregelen worden genomen, zeker na wat er afgelopen weekend is gebeurd. Door de overstromingen kunnen heel wat buizen verstopt zitten en kan er heel wat extra slib zijn aangevoerd. We moeten daar heen snel op reageren zodat extra hinder kan worden voorkomen indien er opnieuw zware regenval zou zijn. Vandaag nog vertrekt vanuit mijn kabinet een duidelijke instructie naar alle waterbeheerders om snel een check-up te doen en alle noodingrepen op het terrein snel en effectief uit te voeren.

In een andere conclusie van die vergadering met alle bestuursniveaus wordt er aangedrongen op snellere investeringen, niet alleen kwantitatief op basis van budgetten maar ook in termen van randvoorwaarden. En dan heb ik het over vergunningen, onteigeningen, adviesverlening en de rol van het Aankoopcomité. Met de versnelling van de procedure naar aanleiding van de commissie-Berx en de commissie-Sauwens wordt daar binnen de Vlaamse Regering heel snel werk van gemaakt. Het is bijzonder frustrerend te zien dat sommige wachtbekkens – een ervan werd hier al vermeld – al aangelegd hadden kunnen worden en dat een aantal gemeenten daardoor gespaard had kunnen blijven van overlast. De budgetten waren er en de aanbesteding was klaar. Men is echter vastgelopen op vergunningen die niet werden verleend of ellenlange discussies over onteigeningen.

De lokale besturen benadrukten ook dat de overstromingsvoorspeller heel goed heeft gewerkt maar dat het nuttig zou zijn dat die voorspelling wordt gekoppeld aan een aantal acties die op dat moment automatisch moeten worden uitgevoerd. De lokale besturen hebben onderstreept dat de watertoets een heel goed instrument is maar dat naar aanleiding van de huidige watersnood moet worden gekeken of de overstromingskaarten moeten worden aangepast en of de watertoets op basis daarvan niet moet worden bijgestuurd.

In elk geval is er ook een besluit klaar tot vereenvoudiging van de toepassing van de watertoets.

Er was natuurlijk ook een pleidooi voor de uitbreiding van de slibruiming. Een aantal collega’s hebben het daar ook al over gehad. Zo moet de mogelijkheid worden onderzocht om te kunnen pompen in zee zoals dat in Nederland gebeurt. Verder was er de vraag om bijvoorbeeld te onderzoeken om bij de verkoop van gronden reeds de watergevoeligheid aan kopers mee te delen. Dat zou dus niet alleen gebeuren bij de bouwvergunning maar ook bij de verkoop van gronden.

Het gaat hier om een hele reeks aanbevelingen. Er kunnen al conclusies worden getrokken. Zoals ik daarnet al heb verklaard, zullen er nog heel wat conclusies volgen.

De krachtlijnen van het waterbeleid, een kordate en planmatige aanpak, zijn overeind gebleven. Het komt erop aan de juiste prioriteiten te leggen en de dringendste maatregelen eerst te nemen. We moeten ervoor zogen dat de nodige investeringen op het terrein snel tot uitvoering kunnen worden gebracht. Hiervoor zullen we een aantal knelpunten moeten aanpakken. De Vlaamse Regering verwacht op dit vlak veel van de versnelling van de aflevering van vergunningen. Het zal hier echter niet bij blijven. We zullen nagaan hoe we binnen de begroting meer middelen voor bijkomende investeringen kunnen vrijmaken.

Wie er nog aan zou twijfelen, mag gerust zijn: we geven de strijd tegen water niet op. De Vlaamse Regering zal haar verantwoordelijkheid nemen. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Ivan Sabbe:

Hoewel het debat daarnet al is gevoerd, zou ik toch nog een paar opmerkingen willen maken. De minister heeft naar de periode van 100 jaar verwezen. Sinds haar aantreden heeft ze evenwel al veel klimaatconferenties bijgewoond. Ze zou bijgevolg moeten weten dat de voorbije 100 jaar niet representatief zijn voor de toekomst. Ze moet rekening houden met de effecten van de global warming. Ze mag de voorbije 100 jaar niet als parameter hanteren.

Volgens de minister is er meer regen gevallen dan in de voorbije 100 jaar. We moeten hier duidelijk van afwijken. We moeten kijken naar modellen die toekomstvoorspellingen doen. We krijgen steeds meer het patroon van een subtropisch klimaat. Spijtig genoeg, geldt dit niet voor de temperaturen, maar enkel voor de neerslag. In dergelijke landen kan het 2 tot 3 weken onafgebroken regenen. We zijn er met 2,5 dagen eigenlijk vrij goed vanaf gekomen.

Ik ben het ermee eens dat de voorspeller een goed instrument is. Dit mag echter geen voorwendsel zijn om tijd te kopen. Ik neem aan dat de minister meent wat ze net heeft gezegd en hier concreet werk van wil maken. De voorspeller mag echter geen excuus zijn om de plannen niet daadkrachtig uit te voeren. Er zijn veel plannen aangekondigd. We zijn benieuwd of de minister al die plannen zal concretiseren.

Wat de bevaarbare waterlopen betreft, heeft de minister naar minister Crevits verwezen. Ik vraag me af of we het hele waterbeleid niet beter in één hand brengen. Zo kan binnen de Vlaamse Regering een eenheid van beleid ontstaan.

Minister Crevits en minister Schauvliege zijn misschien goede collega’s. Dat valt toe te juichen. Het blijft, net als in elke onderneming, echter beter een deelgebied volledig in één hand te plaatsen. De onbevaarbare waterlopen lopen immers over in de bevaarbare waterlopen. Dat betekent dat we daar met een opsplitsing van bevoegdheden zitten.

De minister heeft zelf vermeld dat de ambtenaren die de regelgeving inzake de ruimtelijke ordening uitvoeren, in veel gevallen een vertragend effect op de uitvoering van onze plannen hebben. Dat betekent dat de decreten die, meestal op voordracht van de Vlaamse Regering of van de meerderheid, in het Vlaams Parlement zijn goedgekeurd een hinderpaal voor de uitvoering van het beleid vormen. Hieruit blijkt dat we naar een vereenvoudiging en een versnelling moeten gaan.

Het ‘Callens-bekken’ in de gemeente Ardooie is een voorbeeld van hoe het niet moet. We hebben de commissie-Sauwens gehad. We moeten ons hier echter vragen bij stellen. Dit moet allemaal in de praktijk worden omgezet. Zeker op het vlak van de ruimtelijke ordening moeten we naar veel kortere looptijden gaan.

Mevrouw Vera Van der Borght:

Ik dank de minister voor haar uitvoerig antwoord. Volgens mij hebben de mensen die de voorbije dagen door de wateroverlast zijn getroffen, nu echter nood aan concrete antwoorden op concrete vragen. Ik zou de Vlaamse Regering dan ook een aantal zaken willen voorleggen.

Minister, ik neem er akte van dat u op een bepaald ogenblik zegt dat er een studie was die dateert van na de overstromingen van 2002-2003. U zegt dat die studie de leidraad blijft. Ik heb ook gehoord dat er nog een studie bij komt. Ik denk dat we dat niet nodig hebben. In de studie waar u aan refereert, die de basis zou blijven, stonden een aantal heel concrete voorstellen. Een eerste voorstel is dat het vrijwaren van de resterende overstromingsgebieden een van de prioriteiten moet zijn. Minister Crevits, u was daarnet even buiten toen ik het had over de problematiek van Overboelare in Geraardsbergen. U kent de problematiek wel. De Raad van State heeft een uitspraak gedaan. De mensen van Geraardsbergen die nu getroffen zijn, zouden vandaag graag weten wat er gaat gebeuren. Zult u een nieuw dossier inleiden? Komt er een nieuwe procedure?

Wat betreft de problematiek van stuwen of baggeren neem ik akte van uw antwoord en van uw antwoord op mijn schriftelijke vraag met daarbij het voorstel van de studie. Daarin staat dat bij de stuw van Geraardsbergen bleek dat de verdieping van de bodem met circa 1 meter, opwaarts de stuw over een afstand van 1 kilometer, een gunstige invloed zou hebben op het overstromingsgevaar in Overboelare. Dat voorstel ligt er al lang, maar wanneer mogen de mensen verwachten dat dat concreet wordt uitgevoerd? Ik had hier graag een exacte timing voor. Als ik zie dat de minister-president in Londerzeel engagementen kan aangaan, dan hoop ik dat u voor onze streek ook engagementen wilt aangaan.

Ik was wat ongerust aangaande de stuwen toen ik vanmorgen in de krant De Morgen las dat u zei: “Ik zal kijken wat het betekent of we prioritair kunnen investeren in de vernieuwing.” Dat is wat te vrijblijvend. Ik zou graag wat meer engagement horen.

Sommigen trekken in twijfel dat het feit dat men in Wallonië heeft gebaggerd, gevolgen heeft voor Vlaanderen. Er is een studiedag geweest van Grenzeloze Schelde eind augustus, waar iemand van de administratie van Waterwegen en Zeekanaal heel duidelijk heeft gezegd dat het klopt dat door de bagger- en infrastructuurwerken in Wallonië er een snellere aanvoer komt. Daar moeten we een antwoord op bieden. Ik aanvaard dat u zegt dat, mochten we vorige week gebaggerd hebben, we niet zouden hebben tegengehouden wat we dit weekend hebben meegemaakt. Ik neem aan dat het stuwen eerst moet gebeuren, maar ik vraag een duidelijk engagement en een duidelijke timing voor deze problematiek.

De heer Bart Martens:

Ik dank de minister voor het gecoördineerd antwoord namens de Vlaamse Regering. De minister stelt dat het aantal instanties dat momenteel bevoegd is in het waterbeheer, geen probleem geeft omdat er een goed coördinatieplatform is, het befaamde CIW. De veelheid aan instellingen en bevoegde administraties maakt het er natuurlijk niet gemakkelijker op om binnen dat CIW tot een goede coördinatie te komen.

Ik geef een voorbeeld. Het Vlaams Parlement heeft in een resolutie van maart 2008 gevraagd om de stedenbouwkundige verordening omtrent de buffering en plaatselijke infiltratie van water van grote, nieuwe verharde oppervlakten te herzien om meer buffer- en infiltratiemogelijkheden te creëren. Op dat moment lag er al een heel concreet voorstel klaar van VLARIO, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), trouwens ook gesteund door de milieubeweging. We zijn ondertussen meer dan 2,5 jaar later en er is nog altijd geen uitvoering aan gegeven omdat men binnen het CIW het daar nog niet over eens is.

Mijn pleidooi blijft om te komen tot een vereenvoudiging van de structuren die zich bezighouden met het waterbeheer. Dat is trouwens volledig in lijn – de heer Vandaele heeft perfect gelijk – met het groenboek Interne Staatshervorming. Daarin zeggen we dat er per beleidsdomein maar twee beleidsniveaus bevoegd mogen zijn. We zitten vandaag met bevoegdheden over de onbevaarbare waterlopen die al verspreid zitten over vier instanties. Ik denk dat we daar toch verder werk van moeten maken.

Twee, de watertoets is een zeer nuttig instrument dat in zijn toepasbaarheid nog kan worden vereenvoudigd. Maar het instrument staat en valt ook met de kwaliteit van de opgemaakte watertoetsen en de mate waarin ze doorwerken in de uiteindelijke besluitvorming.

Wat dat eerste betreft, moet me toch iets van het hart. Gemeenbesturen moeten de watertoets maken voor ingrepen gepland naast grote grachten die categorie 3-bestemd zijn en dus onder de bevoegdheid van de gemeente vallen. De kwaliteit van die watertoetsen laat vaak te wensen over. Voor wie het interesseert, heb ik hier voorbeelden bij van gemeenten die aan de provincie vragen om hun watertoets te maken. De provincie antwoordt dan dat de gemeente zelf verantwoordelijk is. Vervolgens neemt de gemeente het schrijven van de provincie als watertoets op in de besluitvorming zonder een eigen watertoets te maken. Zo kan de watertoets natuurlijk niet werken. Daar laten lokale besturen serieuze steken vallen.

Op dat punt steun ik het pleidooi van de heer Vandaele om ook instrumenten te bedenken voor de responsabilisering van onze lokale besturen. Zoiets mag niet gebeuren. Ik ben zeer blij dat de Vlaamse Regering verder werk gaat maken van de overstromingsgebieden, de waterbekkens, de uitvoering van de bekkenbeheersplannen en het geactualiseerde Sigmaplan, en dat ze de aanbevelingen van de commissies-Berx en –Sauwens voor de realisatie van deze broodnodige werken gaat inzetten om tot een veel kortere doorloopperiode te komen.

De heer Wilfried Vandaele:

De heer Sabbe heeft net iets georakeld over modellen die door de opwarming van de aarde subtropische situaties aankondigen. Collega, daar bestaat heel wat informatie over. Voor Vlaanderen werden de gegevens in drie klimaatscenario’s verwerkt: een nat, een gematigd en een droog scenario. Geen van die drie is zo beangstigend als u het laat uitschijnen.

Een droog klimaatscenario geeft globaal gezien een flinke daling van de economische schade als gevolg van overstromingen, namelijk min 56 percent. Het gematigd scenario stelt een daling van 8 percent voorop maar signaleert wel een verhoogd risico in het bekken van de Bovenschelde. Het natte scenario, het ergste, geeft een verhoging aan van het risico op economische schade door overstromingen met 33 percent, met vooral risico aan het Leie-, Bovenschelde- en Demerbekken. Daar verhoogt het risico met factor twee tot drie. Ik zeg dat omdat wetenschappelijke bevindingen hun belang hebben, mijnheer Sabbe. Vaak kunnen ze de louter politieke uitspraken hier nuanceren.

Voorzitter, er is ook nog zoiets als een Europese Overstromingsrichtlijn van 2007. Die is vandaag nog niet aan bod gekomen. Ze verplicht de lidstaten ertoe tegen eind 2015 – dat is misschien wel vernoemd – overstromingsrisicobeheersplannen (ORBP’s) op te stellen. Het planproces voor de elf Vlaamse bekkens is gestart in het voorjaar van 2009. Tegen eind september 2011 zouden alle risicoanalyses afgewerkt moeten zijn. In het licht van dit debat verwacht ik eigenlijk wel een en ander van die plannen, al was het maar als bundeling van al dat materiaal. Er bestaat ontzettend veel materiaal in verband met overstromingen en waterbeheer.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde:

Minister, wat moet ik nu denken van uw toelichting? Het was weinig politiek en vooral technisch. In de eerste plaats ben ik blij dat u erkent – in tegenstelling tot een partijgenote van u – dat ruimte geven aan water, werkt. Ik ben daar heel tevreden mee, maar laat ons nu eens concreet worden. We zijn aan de begrotingsbesprekingen begonnen. Daarnet zijn de verschillende fondsen genoemd waarin wordt bespaard, en dat is niet alleen het Rubiconfonds. Wat gaan u en uw collega’s nu precies doen? Gaat u meer middelen plannen voor overstromingsgebieden, wachtbekkens enzovoort? Gaat u meer overstromingsgebieden afbakenen?

Het is mij nog altijd niet duidelijk wat u precies met de watertoets zult doen. Gaat u hem bindend maken? Het klopt dat hij motiveringsplichtig is. Maar blijkbaar is hij vandaag nog altijd te vrijblijvend. U weet ongetwijfeld dat in de evaluatie van de watertoets nadruk wordt gelegd op een gebrek aan controle. Wat gaat u doen met de aanbevelingen die voortkomen uit die evaluatie?

De heer Martens had het al over die fameuze stedenbouwkundige verordening voor hemelwater. Wanneer zal nu eindelijk die aanpassing gebeuren? Men spreekt daar nu al lang over. Er zijn heel concrete voorstellen gedaan voor een verbetering van het hemelwatergebruik en de infiltratie. Wanneer wordt daar nu eindelijk werk van gemaakt?

Hier werd al meermaals gesproken over de verharde oppervlakken in Vlaanderen, maar er is nog nooit iets gezegd over een te voeren beleid om de ontharding in gang te zetten, over doelstellingen die daarin kunnen worden geformuleerd.

Ik heb de deadline van het Vlaamse klimaatadaptatieplan niet horen verschuiven van 2012 naar vroeger. Bent u dat toch nog van plan of blijft alles bij “business as usual”?

Ik heb nog een suggestie. Men spreekt vaak over het integraal waterbeleid. Het klopt dat het enkele jaren geleden, onder impuls van toenmalig minister Vera Dua, in gang is gezet. De deelbekkensecretariaten bestaan en hebben een functie in het integraal waterbeleid. Maar onder meer in die watertoets hebben ze een weinig coördinerende functie. De watertoets wordt bij verschillende instanties aangevraagd. We kunnen veel meer verantwoordelijkheid leggen bij de deelbekkensecretariaten. Bent u van plan om ook ambtelijk meer werk te maken van het integraal waterbeleid?

Mevrouw Tinne Rombouts:

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik treed u bij als u zegt dat ons monitoringsysteem werkt. Men moet daarmee, zoals een aantal collega’s doen, niet lachen want ik heb gemerkt dat de gedupeerden, op een ogenblik dat zij in alle ellende zitten, toch konden appreciëren dat zij een waarschuwing hadden gekregen. Dat is op zich niet de oplossing maar het is wel een heel belangrijk punt. Wij kunnen daaruit leren om verder af te stemmen en te verfijnen. Als dat kan, is dat meegenomen.

Minister, zeer positief in uw antwoord is dat wat men hier zegt, oor krijgt bij de regering. U hebt ook in naam van uw collega’s gesproken. Men geeft duidelijk de boodschap dat dit een gedeelde verantwoordelijkheid is: niet enkel van de Vlaamse Regering maar ook van ons in dit halfrond en van andere niveaus. We zullen er samen uit moeten geraken op welke manier we ons het beste kunnen wapenen.

Er is gezegd dat er een grondige analyse gaat gebeuren en dat een aantal zaken kunnen worden bijgestuurd of versterkt, en dit op korte maar ook op langere termijn.

Voorzitter, ik heb deze namiddag geleerd dat het debat zeker nog niet volledig is afgerond. We hebben er al heel veel over gezegd, maar het is de vraag of we alle conclusies hebben kunnen trekken. Het is een zeer complexe kwestie. Iedereen heeft misschien zijn ding kunnen zeggen, maar er wordt toch nog heel veel gekeken naar elkaar. We zoeken naar wie schuldig is en wie wat kan. De ene ziet bepaalde taferelen en de andere elders nog andere. Ik wil daarvoor waarschuwen: we moeten ervoor opletten dat we een waterbeleid voeren op basis van fragmentarische zaken. Over een aantal zaken kunnen we zeker nog diepgaander discussiëren. Bijvoorbeeld over de coördinatie van de instellingen.

Ik had ook niet verwacht dat ik vandaag op alle vragen een volledig antwoord zou krijgen. Dat behoeft een verdere discussie, waarin iedereen wordt gehoord. Onze fractie zal het waterbeleid nauwgezet opvolgen en het debat verder blijven voeren in het Vlaams Parlement.

De voorzitter:

Maar u pleit er niet voor om het debat vandaag te verlengen?

Mevrouw Tinne Rombouts:

Ik pleit er niet voor om dat vandaag te doen.

Mevrouw Else De Wachter:

Minister, ik heb begrepen dat u op dezelfde golflengte zit inzake de evaluatie van al wat de voorbije dagen is gebeurd, onder andere van nood- en interventieplannen. Er moet snel een evaluatie komen omdat alle betrokken actoren in het veld heel goed weten waar de knelpunten zitten. Ik ga ervan uit dat we op dat vlak op dezelfde golflengte zitten.

Minister-president, tijdens mijn uiteenzetting reageerde u bevestigend toen ik het had over de landbouwers en de landbouwcommissie. Ik ga ervan uit dat de Vlaamse Regering heel snel een initiatief zal nemen om de lokale besturen op te roepen heel snel de landbouwcommissies samen te roepen.

Ik verneem dat alle getroffen lokale besturen vandaag voor 13 uur een schadelijst moesten indienen bij de federale overheid. Dit brengt serieuze problemen mee. Een burgemeester zei dat het een mission impossible is om dat te realiseren. Ik wil minister Bourgeois vragen om contact op te nemen met de federale regering om daar aandacht aan te besteden, en te melden dat het geen definitieve lijst is. Voor de getroffen gemeenten is dat echt niet haalbaar, ook omdat op dit moment nog niet alle schade gekend is. Het water is op heel wat plaatsen nog maar aan het wegtrekken. Het is dan ook niet mogelijk om die lijst al definitief te maken.

De voorzitter:

De heer Demesmaeker heeft het woord.

De heer Mark Demesmaeker:

Ik heb nog een vraag over de conclusies van de vergadering met de experts inzake bevaarbare waterlopen en de aanbevelingen voor het Zennebekken. Minister-president Peeters en minister Crevits zijn maandag ter plaatse geweest in de zuidelijke kanaalzone. Het overstromen van het kanaal Brussel-Charleroi is een totaal nieuw fenomeen. U zult vernomen hebben dat het de allereerste keer is dat dit gebeurt. Dan is het normaal dat mensen vragen stellen over de werking en de coördinatie van de sluizen. Daarover doen allerlei verhalen en soms indianenverhalen de ronde. Het is belangrijk daarop een goed antwoord te geven. Is er onderzocht of de werking en de coördinatie van die sluizen goed is verlopen? Zijn er nog verbeteringen mogelijk?

Men zegt dat er meer wachtbekkens moeten komen in het Zennebekken. U weet dat de Zenne een gewestgrensoverschrijdende rivier is, dat de problemen bij ons beginnen op de plaats waar de rivier de gewestgrens overschrijdt. Er waren trouwens problemen in Tubize op het Waals grondgebied, in Halle en Sint-Pieters-Leeuw. Een deel van de oplossing zal moeten worden gezocht op het grondgebied van onze Waalse vrienden. Hoe denkt u dat concreet en snel te kunnen aanpakken?

Mevrouw Gwenny De Vroe:

Minister, er moet een vooruitziend beleid worden gevoerd om te vermijden dat wat gebeurd is, opnieuw zal gebeuren. Ik blijf op mijn honger zitten. Ik heb niet veel gehoord over timing en budgettering. We zijn het er allemaal over eens dat we lessen moeten trekken uit wat er is gebeurd, en dat we moeten leren om zulke overstromingen in de toekomst te vermijden. Ik hoop dat het voorstel voor de oprichting van de bijzondere commissie niet alleen door de oppositie, maar ook door de meerderheidspartijen wordt aanvaard.

Tot slot wil ik een actualiteitsmotie van de Open Vld-fractie aankondigen.

De heer Lode Vereeck:

Mijn fractie kondigt ook een actualiteitsmotie aan.

De heer Filip Watteeuw:

Mijn fractie kondigt een actualiteitsmotie aan.

De voorzitter:

Minister Crevits heeft woord.

Minister Hilde Crevits:

Het is nuttig enkele aandachtspunten mee te geven. Over het Denderbekken zijn extra vragen gesteld. Mevrouw Van der Borght, ik ben blij met uw uiteenzetting. U stelde dat u het eens bent dat baggeren in de Dender geen soelaas bij de overstromingen zou gebracht hebben. U hebt ook een punt dat de problemen van het Denderbekken al zeer lang aanslepen. Er is een aantal jaren geleden een studie uitgevoerd waaraan conclusies zijn verbonden. Het is niet de bedoeling de studie over te doen. Naast het bufferen van water moet ervoor worden gezorgd dat het water sneller weg kan.

Om de Dender sneller water te laten afvoeren, moet rekening worden gehouden met eb en vloed omdat het water uiteindelijk in de Schelde terechtkomt. Alleen maar verbreden en verdiepen lost het probleem niet op. Men is ook afhankelijk van de stuwen die ervoor zorgen dat het water trapsgewijs kan wegvloeien. De stuwen moeten vernieuwd worden. Dat is al gebeurd in Dendermonde, maar nog niet op alle plaatsen. Er moet een vergunning voor worden aangevraagd en een MER opgesteld. De procedures zijn opgestart.

De vraag was of bij het vernieuwen van de stuwen niet van de gelegenheid gebruik kan worden gemaakt om te verbreden en te verdiepen. Dat is maar nuttig als de nieuwe stuwen lager worden geïnstalleerd zodat ze ervoor kunnen zorgen dat het waterpeil beter wordt gecontroleerd. Het is niet zo dat in Wallonië alle werk al is geleverd. Er is bovenaan verder stroomopwaarts gedeeltelijk gebaggerd, maar niet voorbij Geraardsbergen. Er zijn wel een paar stuwen vernieuwd, maar niet allemaal.

We moeten echter het tempo van Wallonië bijhouden. Het zou slecht voor Vlaanderen uitpakken als Wallonië alle stuwen zou vernieuwd en geautomatiseerd hebben en Vlaanderen niet. Ik zal erover waken dat er goed wordt samengewerkt en dat we tot een volledig geautomatiseerde Dender komen. Dat is de oplossing. En dan kunnen we hier en daar waar het nodig mocht blijken, wat meer uitbaggeren en verdiepen.

Er is echter nog een probleem meer ontstaan. Er is namelijk enorm veel slib van de kleine waterlopen naar de grote waterlopen gevloeid. Dat moet nauwlettend worden gemonitord. In de komende maanden moet worden nagegaan waar extra moet worden gebaggerd om het extra sediment vanuit de kleinere waterlopen op te vangen. We zullen daar extra acties voor moeten ondernemen.

Zelf ben ik naar het kanaal Brussel-Charleroi gaan kijken. Het is de eerste keer dat het kanaal is overstroomd. Experts onderzoeken de oorzaken voor de overstroming. De vraag was of er niet veel extra water uit Wallonië is aangevoerd. De Vlaamse experts bevestigen me dat er op het terrein zeer goed is samengewerkt. Op een bepaald moment is vanuit Wallonië de vraag gesteld om meer water af te voeren. Door Vlaanderen is daar negatief op geantwoord. Het is ook niet gebeurd. Nadien zijn er politieke vragen over gesteld. De heer Demotte zei gisteren nog dat de technici op het veld de ruimte moeten krijgen om te oordelen en dat de politici zich in deze discussie niet moeten mengen. Dat moet vandaag het statement zijn. Politici moeten zich niet in de discussie mengen, de technici moeten onderling overeenkomen. Er is zeker naar elkaar geluisterd.

Gisteren werd me met heel veel klem door Vlaamse technici gezegd dat niet alleen zij hebben gegeven wat ze konden, maar dat ook de Waalse experten dat hebben gedaan, dat ze met respect naar elkaar hebben geluisterd en elkaars raadgevingen hebben opgevolgd.

We moeten natuurlijk vermijden dat het nog een keer gebeurt, dus samenwerkingsfederalisme, maar ook samenwerking tussen ambtenaren. Ik wil nog een keer zeggen dat het kan, dat iedereen toch wel zijn best heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de VMM en de mensen van mijn eigen diensten.

Wat we wel moeten doen, is zoeken naar oplossingen. Hoe kunnen we vermijden dat het kanaal overstroomt, want een kanaal dat overstroomt, dat is toch wel heel vreemd. Men heeft me gemeld dat er een aantal oorzaken zijn, maar dat een van de belangrijke dingen die moeten worden aangepakt, het extra bufferen, volgens de trappen van het waterbeheer, in de zone tussen de Zenne en het kanaal is. U weet dat de Zenne en het kanaal op bepaalde plaatsen verschrikkelijk dicht bij elkaar liggen. Er is in een overvloei voorzien waardoor het Zennewater automatisch in het kanaal kan, maar de omgekeerde beweging heeft zich nu voorgedaan: er is daar zodanig veel water in één keer terechtgekomen, dat het terug naar de Zenne is gegaan.

We moeten in een extra buffercapaciteit voorzien en die kan worden gezocht op Vlaams grondgebied, maar ik denk dat we nu vooral op heel korte termijn met de Waalse collega’s moeten samen zitten om te bekijken wat de beste plaats is. Territoria spelen voor mij geen rol, we moeten gewoon de beste plaats kiezen waar we in de grootste capaciteit kunnen voorzien. Dat zal hoogstwaarschijnlijk een gezamenlijke inspanning vragen van Vlaanderen en Wallonië.

Dat is een belangrijke conclusie die gisteren is genomen en die ervoor zou moeten zorgen dat we daar in de toekomst een dergelijke overstroming kunnen vermijden.

Minister Joke Schauvliege:

Voorzitter, dames en heren, ik zou graag nog een antwoord geven op een aantal technische punten. Eerst en vooral wil ik het hebben over de overstromingsvoorspeller. Sommigen doen uitschijnen dat het een instrument zou zijn om wateroverlast tegen te gaan, maar dat is het natuurlijk niet. We werken stapsgewijs en we zorgen ervoor dat er zo veel mogelijk kan infiltreren, en dan dat er zo veel mogelijk kan worden afgevoerd en kan worden gebufferd. Als dat allemaal niet helpt, moeten we tijdig alarmeren zodat iedereen voorbereid kan zijn. De overstromingsvoorspeller is dus geen remedie, maar een instrument om ermee om te gaan op het moment dat het zich voordoet, laat dat duidelijk zijn.

Wat de klimaatverandering betreft, mijnheer Sabbe, daar wordt uiteraard rekening mee gehouden. Als er andere omstandigheden zijn, moeten we uiteraard kunnen bijsturen.

Mijnheer Sanctorum, voor het adaptatieplan is er inderdaad een timing vooropgesteld. Er wordt momenteel al aan gewerkt. Ik kan u verzekeren dat het bijzonder veel werk vergt om alles in kaart te brengen en op te stellen. Het is absoluut niet realistisch om in een-twee-drie een adaptatieplan op te maken. Dat wil echter niet zeggen dat we ondertussen stil zitten. Ik het daarnet verwezen naar de 1400 acties die er zijn en daarvan zijn er 350 die effectief te maken hebben met adaptatie, met aanpassen, met op het terrein actie ondernemen om die effecten tegen te gaan. Ik meen dat dat beter is dan iedereen nu nog meer rond de tafel te zetten en te laten plannen, ik vind dat nu op het terrein de dringende acties moeten gebeuren.

Ik kan u voor Geraardsbergen het voorbeeld geven van drie overstromingsgebieden die moeten worden ingericht, en dat wordt volgend jaar ook uitgevoerd. Ze worden gefinancierd met middelen vanuit Europa in het kader van de aanpassing van het klimaatbeleid. Het zijn maatregelen die effectief binnen die adaptatie gebeuren.

Een andere opmerking betrof de coördinatieversnippering. Ik heb al verwezen naar de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid. Die werkt en bevindt zich op ambtelijk niveau. Gisteren werd onder leiding van de minister-president – die hier straks het debat wellicht nog zal afsluiten – beslist om er een ministerieel comité aan te koppelen zodat een aantal zaken ook politiek kunnen worden gekoppeld aan het ambtelijke overleg. Het spreekt voor zich dat als er de komende dagen nog evaluaties zijn, ook wordt meegenomen hoe alles in de praktijk kan verlopen.

We willen bijkomend inzetten op een extra versnelde uitvoering. Ik heb daarnet gezegd dat het niet alleen om budget gaat, we moeten er ook voor zorgen dat vergunningen sneller kunnen worden afgeleverd. We zetten vanuit de Vlaamse Regering in op de versnelling die we hebben goedgekeurd binnen de Vlaamse Regering en we verwachten dat dit ook effect zal hebben op de realisatie van, bijvoorbeeld, die wachtbekkens.

Inzake de begroting hebben we nu een voorstel ingediend in het Vlaams Parlement, maar ik herhaal dat we binnen die Vlaamse begroting uiteraard ook op zoek zullen moeten gaan naar extra middelen om ervoor te zorgen dat een aantal zaken versneld kunnen worden uitgevoerd.

De voorzitter:

Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters:

Voorzitter, collega’s, ik heb zeer aandachtig geluisterd naar het hele debat, dat soms heel interessant was. Ik denk dat het belangrijk is dat hier gezegd is dat we meeleven met diegenen die getroffen zijn door de wateroverlast. De mensen die thuis gekeken hebben naar dit debat, hebben zich natuurlijk vragen gesteld en zich zeker afgevraagd hoe dit in de toekomst kan worden vermeden.

Het kan worden vermeden door het feit dat we een aantal lessen trekken en een aantal zaken versneld uitvoeren zodat, als dit zich nog voordoet, we de waterschade kunnen beperken of niet laten gebeuren. De collega’s Schauvliege en Crevits, maar ook collega Muyters hebben al een aantal dingen opgelijst. We hebben samengezeten. We hebben de experts samengeroepen. In dit parlement zijn een aantal voorstellen toegevoegd. Het is nu aan ons om dat allemaal versneld uit te voeren en, zoals hier gevraagd, een aantal daden te stellen. Dat zal ook gebeuren. Ik ga ervan uit dat dit parlement en de bevoegde commissies dit op de voet zullen volgen en dat dit een goede reactie is van de Vlaamse Regering op wat er de laatste dagen is gebeurd.

Ik vind het niet correct – maar goed, dat is nu eenmaal politiek – dat hier schuldigen worden gezocht en gevonden, dat hier wordt uitgehaald naar de een of andere administratie. Ik denk dat hier alles in het werk is gesteld en dat heel veel mensen hard hebben gewerkt, ook onze ambtenaren, om de schade te beperken. Dat is ook hun plicht en daar hebben ze absoluut alles voor gedaan.

Maandag reeds heb ik aan mijn administratie gevraagd om het nodige te doen wat de landbouw betreft. U weet dat het federale niveau nog een aantal bevoegdheden inzake schade in de landbouw heeft, maar mijn administratie zal alles doen om dat te versnellen en hulp te bieden bij wat op het federale niveau moet worden georganiseerd. Er is al contact opgenomen en we zullen dat op de voet volgen.

Ook de vraag over de timing en over de inlevering van stukken zal ik meenemen want de ellende en de aangerichte waterschade is een serieus probleem. Deze Vlaamse Regering maar ook de vorige heeft in het verleden stappen gezet, maar ik kan u verzekeren dat we met de bevoegde ministers er hard aan zullen werken om zo’n ramp in de toekomst te beperken of te voorkomen.

Mevrouw Vera Van der Borght:

Voorzitter, minister Crevits, ik had ook nog gevraagd wat u ging ondernemen in het kader van de uitspraak van de Raad van State voor Overboelare.

Kunt u concreter zeggen hoever de procedure nu staat voor de vergunningen en het MER waarnaar u verwijst? U zegt dat er nog een aantal vergunningen moeten worden gegeven. Is die procedure gestart? De mensen zullen graag horen hoever het staat.

De voorzitter:

Ik moet de regering niet verdedigen, maar ik denk dat u daar een persoonlijk antwoord op zult krijgen omdat de minister daar nu niet op kan antwoorden. Het is een plaatselijk dossier. Als ieder parlementslid over ik weet niet welk dossier vragen gaat stellen, dan zijn we nog voor even vertrokken. Ik stel voor dat mevrouw Crevits u een schriftelijk antwoord bezorgt.

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het debat is gesloten.

De voorzitter:

Actualiteitsmoties

Door het Vlaams Belang, door Groen!, door Open Vld, door LDD en door de meerderheid werden tot besluit van dit actualiteitsdebat actualiteitsmoties aangekondigd. Ze moeten uiterlijk om 18 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daar straks over uitspreken.

Het incident is gesloten.



Zoekresultaten van 23 juli 2014, 11:17